OF EEN ROODBORSTJE OF EEN OCHTEND OF

– Hoge bomen!
– Ja!
– Veel takken!
– Ja. En hoog!
– Ja! Maar wat doen we ermee?
– Huh? Bedoel je met de takken, met de bomen?
– Ja. We kunnen er iets inhangen. Veel, zelfs.
– Iets inhangen? Zoals?
– Zoals het grage zien.
– Huh? Hoe?
– We vinden wel een manier.
– En dan?
– Alles erin hangen. Laten doen. De zon. De maan. De wind, de regen. Alle sterren. Ook storm, sneeuw en hagel.
– Ja?
– Ja.
– En dan?
– Niets. Kijken. Voelen. Weten. Vasthouden zonder vast te houden. Vastpinnen zonder aan te raken. Niets. Alles. Heel gewoon.
– Vind je?
– Ja.
– Moeilijk?
– Ja. Nee. Misschien. Nee. Ik denk niet dat dat moeilijk is.

U

U krijgt een reis U krijgt korting U mag gratis binnen U krijgt een drankje U bent een van onze beste klanten U bent uitgeloot Wij zullen U verwennen Profiteer van dit superaanbod U bent de eerste U bent de beste U won het grote lot U moet uw interieur U moet dit in de gaten houden U snakt naar de zon U bent onze ideale klant Lees onze prachtige folder Breng de coupon mee Laat deze kans niet liggen U heeft dit Nodig Nodig Nodig.

MOGELIJKE VERVOEGING VAN HET WERKWOORD MOETEN

En dan: groggy. Niks gedronken, niks bijzonders gegeten, op tijd in bed en toch voelt mijn hoofd als een zeef. Ik probeer het weg te ademen, in, uit, in, uit, dieper in, dieper uit. Ik probeer het weg te schudden, van mijn schouders te halen door ze te strekken, te draaien. Niks helpt.

Ik richt mijn blik dan maar op het werk, op de laatste notities van gisteren, op een A5 met framenummer [ha ja ik moet bellen], op de lijsten die eronder liggen, de eindeloze lijsten, de zwarte en blauwe woorden en musts, als houvast van de dag, van de dagen, van de vele.

EEN BASIS

En wat niet is, niet is. Maar wel, iedere ochtend, het gloren, het rode, het blauwe of de hoge sterren in het te vroege.

En veel. En mogen. En krijgen. Het verre zien, de klanken en geluiden, een ander gloren, telkens.

Het licht, de bomen, de vogels. Een oleander, een camelia, hier en daar een rode, een witte, of overal, elders.

LE.VEN

Ziezo, mijnheer Macharis. Afgesloten. De kwestie is helemaal van de baan. He.le.maal. Vanaf vandaag is het blad weer wit. Wit. Maag.de.lijk. wit. Het leven komt terug op de eerste plaats. Le.ven. Ik wil het benadrukken: le.ven. Ik vind dat een goede manier van praten. Le.ven. Bo.men. Ik vind het zelfs plezierig. Bloe.men. Gul.zig. Luch.ten. Wol.ken. Le.ven.

EN HET GROENE NA DE REGEN

‘Brengt het zien van een volledige regenboog geluk, misschien?’ vroeg ze.
‘Ja, natuurlijk,’ antwoordde ik.
Ze slikte. ‘Ik kan wel een grote portie geluk gebruiken,’ zei ze.
‘Ben je oké?’ vroeg ik aarzelend.
‘Ja,’ zei ze.
Ik wou haar niet uithoren en wachtte.
‘Ja,’ herhaalde ze.
Ze slikte. Ik kon de krop in haar keel horen.
‘Dan zal ik nog wat naar die regenboog kijken,’ zei ze.

SPIERBUNDEL

‘Wilskracht is als een spier, en je kunt die trainen.’
Dus ik train, en oefen, vergeet, herbegin, oefen, train, train, sukkel, spierscheur (been, rechtsonder), genees, herbegin. Ik voel de spier, ze is nog zwak maar ze wordt sterker.

EEN WITTE, EEN RODE

en Jef zei dat hij blij was met de regen. De planten, zie je. En vooral de camelia’s. Ze waren nieuw, hij had ze goedkoop gekocht en had ze gisterenavond moeten gieten. Hij was het vergeten maar geen nood, zei hij, want zie, de natuur deed haar werk en
‘maar ook voor de oleanders,’ onderbrak hij zichzelf.
‘Had je die niet meegebracht uit het zuiden?’ vroeg ik.
‘Ja,’ zei hij. ‘Toen, die ene vakantie. Mijn vrouw was nog niet ziek. Ze wou een witte en een rode, we knipten enkele topscheuten af, staken ze met wat water in plastic zakjes en zetten ze thuis in zo’n oud, stevig glas dat nog van haar moeder geweest was. Anderhalve maand later zagen we de eerste wortels verschijnen. Dan hop een paar maanden in een pot, in goeie grond, en in de lente konden ze uitgeplant worden, en zie nu, metershoog zijn ze. Binnenkort laten ze hun kleuren weer zien, ik hou van beide.’
Jef bleef voor het raam staan en wreef vermoeid over zijn ogen.
‘Dat oude glas heb ik nog,’ zei hij. ‘Het staat helemaal achteraan in een keukenkast.’

MAAR

Of het een paradijs was, dacht ik. Dat weet ik niet. Ja en nee? Het was alles. Het was het blauwe, het groene, de dag, de zon de nacht en de sterren. Het was ook het oneindige kunnen van zo vele mensen. Hun werken, hun bouwsels, hun kunsten, foto’s en zinnen.
En het diepe van de oceanen, het mirakel van de stromingen, de schoonheid van de dolfijnen, zelfs van de nog onbekende levende organismen, kilometersdiep onder de zeespiegel. En, anderzijds, anderaards, de ezels en de bavianen, de huismussen en de papegaaien. Weet je hoe oud papegaaien kunnen worden? Wat zij eten? Hoe zij kweken? Hoe populair ze zijn?
En er waren de geluiden. Ruisende takken, waaiende wolken, galopperende paarden. Of stilte. Zulke diepe stilte dat ik haar voelde, dat ze zelfs bliksem was, of helemaal niets.
En de uitgestrektheid. De grootte, de oneindigheid van mens, van dier, van natuur en van heelal. Alles was groot, tot in de minuscule details, alles was mooi.
Maar of het echt was?