HET KAN KEREN

De volle maan bleef drie dagen en nachten helder staan.
Immers, als onze aarde gekke dingen doet, waarom zou de maan dat niet kunnen?
En zo werd een van de vele dode maankraters plots een actieve vulkaan en spuwde, spuwde, doofde weer uit en een volgende krater spuwde en een volgende. En de maan bleef weer drie dagen en nachten helder staan.

De aarde, zij kleurde volledig groen.
Op een snik en een wip was dat groene weer verdwenen en kleurde de aarde grijsbruin, dan paars, dan oranje met vuilgrijze spikkels.
Ze begon te beven. Bergen, dalen, rivieren, bossen en oerwouden vonden hun plaats op de continenten niet meer. Oceanen en woestijnen werden door elkaar geschud. Oases verdwenen en doken elders weer op, om dan toch te zinken of op een van de polen tevoorschijn te komen. De winden raasden, rustten, bliezen, bolden en tolden. Zij rustten weer en begonnen opnieuw. Boreas was zijn noorden kwijt en draaide en keerde, tolde en rustte en raasde mee met de andere, telkens veranderend, telkens elders.

Mens en dier? Koeien, varkens, leeuwen, tijgers, mieren, vliegen? Zwaluwen? Meeuwen en mussen? Nachtvlinders? Honden en katten? Mannen en vrouwen, kinderen? Werden zij echt naar binnen gezogen? Langs riolen, langs grotten? Langs kraters? Wat gebeurde er met alles en iedereen?

En de zon? Zij draaide drie dagen rond haar as, stond dan stil, draaide twee dagen, stond stil, draaide vijf dagen, stond stil. Ze sneed zichzelf middendoor, kleefde zich weer aaneen, sneed, kleefde, draaide, stond stil, sneed, draaide, stond, kleefde, draaide, sneed. En zo voort.

De aarde, alle grote en kleine lichamen in het heelal, zij hadden een ander ritme en een andere vorm gevonden en niks verliep nog volgens een patroon of een schema. Eb werd vloed en vloed werd dubbel eb. Noord stond op zijn kop en west was verdwenen. Bergen spleten in honderden stukken, oceanen liepen leeg, polen liepen vol.

Niets was nog wat het was. Niets was nog. Alles was anders en elders.


(n.a.v. drie opeenvolgende avonden volle maan, ergens begin november, of was het eind oktober? En nee, ik overdrijf niet, ik heb het zelf gezien.)

EN VOORBIJ DE VELDEN HET BOS

We vertrokken vroeg en hadden er niet op gerekend dat de paden zo steil en zo glibberig waren: veel natte keien, veel modder waar het water in dunne stralen doorheen liep.Plots riep hij: ‘Goh, een edelweiss!’ en ik antwoordde ‘Jaja, verdorie!’ want mijn linkervoet zat gekneld tussen twee spitse stenen en ik kon niet meer

maar hij kwam terug tot bij mij en was slimmer en sterker dan ik, rukte eerst aan de ene en dan aan de andere steen tot er beweging in kwam. Met wat wringen en plooien kon ik weer voort. ‘Kom, kom dan toch kijken!’ riep hij en ik moest hem snel volgen, naar die grijsgroene melkwitte bloem, de gedoodverfde pracht van de bergen. Ik geeuwde

dat ik honger had, maar we moesten nog zeker een uur. ‘In de hut zal het lekker warm zijn,’ zei hij, ‘en het uitzicht over de vallei, en de hoge witte wonderen der natuur.’ ‘Ik wil er een beklimmen,’ zei ik, maar hij lachte dat de hoge kammen niks voor een beginneling waren, ‘Jij kunt dat niet,’ beweerde hij en ik zweeg.

De volgende ochtend was ik alleen. In de verte zag ik de hoogste der hoge. Ik stapte flink door en keek geen enkele keer achterom. Een van de echte klimmers die ik onderweg tegenkwam vroeg of ik wist wat ik deed maar ik gebaarde dat ik hem niet begreep. De kop warme chocolademelk nam ik graag aan, ik dronk gretig en knikte dankbaar. Ik zette mijn eenzame tocht verder, tot helemaal boven en ik daalde zonder ongelukken weer af.

Drie dagen later was ik elders. De grote, knolachtige stammen van de woestijnrozen stonden klaar om op de uiteinden van hun frisse, groene takken een pracht aan bloemen te tonen en niet veel later werd ik beloond: felroze met wit, twee, drie weken lang. Daarna knipte ik zonder pardon de takken weg. Ja, ja, ik was voorzichtig, je hoeft me niet op het gif te wijzen.

Vandaag ben ik thuis en mag ik zeggen dat de stammen vol nieuw, monter groen staan. De takken zullen terug groeien, zij en ik wachten op het licht van de zomer en op de bloemen. Je ziet, de knollen overleefden mijn laatste tocht en vonden een goede plaats, hier, waar ik woon. Zij en ik hebben uitzicht op de velden, aan dit raam op het zuidoosten. Ze staan bij de bijzondere orchids, in de warmte, binnen, maar zonder te overdrijven.

MET EEN ZACHT VLOERKLEED, MISSCHIEN

De jongste dochter heeft geen vriend en iedereen vraagt altijd of het nog niet gelukt is en of ze alleen wil blijven, misschien.
En als ze dan wel een of andere mooie man aan de haak heeft geslagen, meestal voor even, dan worden dadelijk de andere vragen afgevuurd, of er al een datum is, en hoeveel kinderen, jongens of meisjes. Maar het wordt telkens niets, want in feite, tja

Ze vlijt zich languit op haar bed, staart naar het plafond, vindt alles goed zoals het is en de vragen vervelend.
Ze plooit een arm onder haar hoofd, laat haar gezicht tegen haar bovenarm rusten en sluit de ogen.
Ze droomt over een groot kasteel, met een warme woonkamer, een open haard, een bibliotheek en af en toe een vriend, meer heeft ze immers niet nodig, behalve toch ook een tuin, en een aanpalend bos, en misschien een kat en twee grote, zwarte honden om haar en het kasteel te bewaken.

Ze staat op.
De kamer is niet groot, het plafond iets te laag, ze zou de kleuren en zelfs de meubels eens kunnen veranderen.
Ze heeft een groot raam met een mooi uitzicht, de tuin, de straat, de gracht, het wandelpad naar het bos en naar het grote domein van de directeur van de pantoffelfabriek. De zoon groette haar nog, vorige donderdag, of was het woensdag? Ja, het plafond is net iets te laag, misschien een andere kleur, zodat het optisch, optisch, ze weet het niet meer, neemt haar computer en zoekt op hoe dat zit met de kleuren en hun effect op de kamer.

OVER HET LAND

De gordijnen, witter dan wit, hangen aan de wasdraad.
De boer staat aan het raam, kijkt over het land.
‘Wat is er?’ vraag zijn vrouw.
‘Niets, niets,’ zegt hij.
‘Heb je honger?’
‘Nee, nee,’ zegt hij.
Wil je iets drinken?’
‘Nee, nee,’ zegt hij.

Hij ziet zijn zonen en dochters, ze ploegen, zaaien, oogsten.
Hij ziet zijn kleinkind, twee.
‘Heb je echt geen honger?’ vraagt zij.
‘Nee, nee,’ zegt hij.

De gordijnen, witter dan wit, hangen terug waar ze horen.
De boer staat aan het raam, schuift het gordijn wat opzij, kijkt.
‘Wil je?’ vraagt zij.
‘Niets, niets,’ zegt hij.
‘Nee, nee,’ zegt hij.
Hij ziet zijn zonen en dochters, een kleinkind, twee, drie.
‘Heb je echt geen?’ vraagt zij.
‘Nee, nee,’ zegt hij.

DE VAALBLAUWE WERKBROEK, MET MODDERVLEKKEN

Op een zonnige zondagochtend, vroeg,
zegt de boer: ‘Ik ga nog wat mollen,’ en
ruilt hij zijn goeie broek voor een van de oude.

De boerin knikt. Ze ziet hem, over het erf en
na al die jaren van koeien, bieten en maïs,
krijgt ze de tranen in de ogen.

Ze loopt naar buiten, roept
‘Hier, een flesje water,’ en niet-
begrijpend neemt hij het aan.

‘Merci,’ zegt hij, maar ze ze is al terug
binnen, de patatten

OF ZAL ZE

En de zon?
Zij wacht.
Zou ze? Wil ze?
Nee, ze heeft geen zin om te stijgen. Of zal ze toch?
Ze stijgt tien centimeter.
Dan aarzelt ze, blijft waar ze is.
Kijkt.
Ze ziet een vrouw, een man. Nog verder ziet ze een boom en een kind.
Ze schijnt zacht, weet het niet, denkt na, aarzelt weer.
Ze bekijkt de boom, ziet ook een huis, een tweede boom, een hoge haag, een rivier en een woud.
‘Schijn maar voort,’ denkt ze.
‘Ja, doe maar, en klim,’ overtuigt ze zichzelf.
Ze doet het, ze klimt.
Haar twijfel is niet helemaal weg.
Ze blijft hangen, klimt wat, kijkt.
Klimt hoger.
Ze is niet meer te houden, ontplooit al haar stralen, hoog, hoger.

HART

En ze zei dat ze ook dit jaar veel te veel tomaten en dat ze niet wist wat ze ermee moest, tientallen kilo’s en kilo’s.

En dat haar man nog steeds de planten en de bloemen, heel veel, ja, ja, de overvloed, de rijkdom.

En ook dat ze heel de tijd thuis waren gebleven.

‘Niemand, niemand, we waren streng, erg streng,’ zei ze.

Maar ze hebben een grote tuin en een grote serre, en de kleinkinderen mochten in het zwembad en dan bleven zij binnen en keken ze, keken ze, en hun hart smolt en telkens wat tranen, ha ja, iedere keer, natuurlijk, wat wil je, die grote afstand, te groot, het niet mogen, het niet durven. Maar toch ook een glimlach, en blijdschap, want de luxe, de overdaad, het mooie weer, de lachende gezichten, het geluk, zo ver, maar toch zo dichtbij, ja, ook, ik kon dat goed voelen, zei ze.

MAXI

En de hond?
De hond twijfelt tussen miniMax en maxiMax en is zijn eigen vrolijke zelve, eeuwig goedgeluimd, lopend, spelend.
‘Apporte!’ roep ik en hij apporteert.
‘Zit!’ zeg ik en hij zit.
‘Af!’ zeg ik en hij duikt met zijn snuit in het gras, kijkt me afwachtend aan, wendt de blik af, kijkt me terug aan.
‘Kunnen we nu wat spelen?’ vraagt hij en ik zie zijn voorpoten ongeduldig bewegen.
Tien minuten later valt hij om. Baf. Uitgestrekt op zijn zij, diepste en rustigste adem, alsof morsdood, helemaal in dromenland, neuriënd, zuchtend. Af en toe ratelt zijn neus, snurkt hij?

EN MORGEN

Hij ratelde maar. Dat die moto al 45 jaar oud was maar dat hij hem telkens moeiteloos kon starten. Dat dat ding loodzwaar woog, maar dat hij, ja, want weet je, zei hij, wij zitten aan de kust maar tien kilometer verder beginnen de bergen en die moto is nog heel goed voor de haarspeldbochten, wel dertig kilometer aan een stuk, en weet je, zei hij nog eens, ik kan hem bergaf laten bollen zonder mijn remmen te gebruiken, ik rem af op de motor en mijn vrouwke port dan altijd in mijn zij want zij heeft dat niet graag, maar ik wel, lachte hij.
Maar ik word ouder, zei hij. Je zult dat zelf ook wel voelen. Onze belangrijkste bezigheid is nu babysitten, zei hij. En dat ze gisteren twee afspraken hadden maar de jongste kleinzoon was ziek en ze moesten plots op hem passen. We namen hem dan maar mee naar die afspraken, zei hij. Ja en je kent dat wel, iedereen dan ‘Oooo, maar kijk eens, is dat nu de kleinste,’ en je doet harten smelten en die kleine is heel stil en braaf geweest, ziek of niet, zei hij en dat alles goed gegaan was.
En vanavond moest hij een stand opbouwen. Ja, want de jeugd, zei hij. Wie zal dat over tien jaar doen, als wij het niet meer kunnen, of als we er niet meer zijn? vroeg hij. En de Willy is tien jaar ouder en die kan niet veel meer, maar hij geeft nog planken aan en kleinigheden, hulp is hulp en dan moet ik het niet alleen doen. Maar wie zal het van ons overnemen? Hahaha, zei hij. Ze zullen hun plan wel trekken zeker? vroeg hij.
Met de deur reeds in de hand zei hij nog dat we niet mogen klagen. Dat we content moeten zijn. Want onlangs, zijn beste vriend, tja, dat was erg. Maar die vriend heeft heel hard geleefd, zei hij. En dat het regende. Maar voor morgen wordt er mooi weer voorspeld. Dat is goed voor ons, want we moeten veel wandelen, mijn vrouw moet bewegen. Maar twintig kilometer wandelen, dat kunnen we niet hoor, zeven of tien is voldoende, dan zijn we uitgewandeld. Maar nu ben ik weg, zei hij, want ik blijf maar razen.
Zijn lachen, zijn woorden, ze klonken lang na.