IN TOMATENSAUS

Ze had ze met de hand gerold, eerst gemengd met een eidooier en met twee soorten broodkruim, gekookt en dan een lekkere tomatensaus gemaakt, en gewoon met aardappelen. De saus was bij het doorwarmen iet of wat aangebrand maar toch was het lekker, erg lekker.
Vandaag dus naar hartje Brussel en dat dat geen plezier zou zijn, zei ik haar.
Ik heb er tien jaar geleden ook vlot parking gevonden, zei ze.
Ja, ja, maar de tijden en het verkeer zijn veranderd, zei ik. Maar dat hoorde ze niet, ze schepte met volle aandacht de restjes van de maaltijd in een potje. Pas toen ze daar mee klaar was dacht ze eraan dat ze het niet eens zou kunnen opeten, dat ze zich zou moeten haasten, dom, dom want dat het evengoed telefonisch had gekund. En of ik het straks in de koelkast kon zetten, dan zou het overmorgen nog wel, denk je niet? vroeg ze.

BIJ WIJZE VAN

En ik dacht GOH nu is het WEL
WELLETJES geweest en ik gooide de stenen
in de VIJVER en dan sprong ik ze na. DE VISSEN
vonden me maar een RARE VERSCHIJNING
en vroegen wat ik in HUN VIJVER kwam doen.
Ik zei dat ik vond dat het nu WEL
WELLETJES was en dat ik het vaak WARM had
maar ook KOUD en vaak zelfs BEIDE TEGELIJK.
De vissen zegden dat ze dat KENDEN en dat
ze me OVERSCHOT VAN GELIJK gaven en dat
ik BIJZONDER WELKOM was.
Zo zwommen we, ZIJ AAN ZIJ, we hadden veel
PLEZIER en vanuit onze GECAMOUFLEERDE
VIJVER keken we naar DE MENS. We lachten
en WISTEN dat alles WEL, ja WEL, WEL, meer,
veel meer dan WELLETJES was en we vroegen
ons af of DE MENS, of DE MENS dat beseft?

LENTE, BIJNA LENTE, OVERAL

en mep me geen gedicht rond mijn oren
of gooi niet met tulpen of rozen
of lieve woorden.

Val niet op je knieën
en vertel me geen dromen, geen wensen
vertel me gewoonweg niks.

Hou je zachte gemurmel
hou je mooiste, je zoetste glimlach
hou je allerliefste, allerbeste, meest welgemeende groet

ik hoef hem niet
ik hoef niks.

Ik wil vooral en alleen de zon en de wolken
en de helderste maan
en de strafste sterren

en een zeldzaam vliegtuig met onbekenden
en een sporadisch bewegen van iets anoniems
of een auto, een moto, een fiets met de ene of andere, verre,
iemand.

Laat me hier
bij mijn groen en mijn blauw
bij mijn veelsoortige vogels – een zwaluw, een fazant, een koppel eenden verstopt in het hoge, malse gras van de beek, een witte kwikstaart, tien, honderd

laat me alleen
bij mijn bomen – de wilgen, de beuken
bij mijn wit met zachtpaarse anemonen – bijna, als de lente de lente is

bij mijn witte en rode rozen – bijna, als de lente
bij mijn pioenen en mijn ranonkels – bijna, als de lente
weer lente is, een lente, als ze mag, als ze mag.

INTERPRETATIES, OVERAL

We willen WE WILLEN NIET
We zullen WE ZULLEN NIET
We mogen WE MOGEN NIET
We kunnen WE KUNNEN NIET

We dansen WE DANSEN NIET
We lopen WE LOPEN NIET
We fietsen WE FIETSEN NIET
We zingen WE ZINGEN NIET

We lachen WE LACHEN NIET
We hopen WE HOPEN NIET
We dromen WE DROMEN NIET
We leven WE LEVEN NIET

Londerzeel, Pasen 2020

DIKKE VETTE ZWARTE LIJNEN, OVERAL

en ik zou je willen aanraken, maar dat mag niet. Niks mag. Ik wil je handen vastnemen, ik wil een arm, een schouder aanraken, maar het kan niet. Ik mag zelfs niet reiken. Ik sta ver van je, maar het moet nog verder. Nog verder. Nog! Nog twee meter verder! Achter die dikke vette zwarte lijn moet ik blijven. Ik moet. Het moet. Ik mag niet. We mogen niet, niemand mag. We moeten, allemaal, we doen niet anders, we blijven achter die dikke vette zwarte lijnen.

DROMEN, OVERAL

Ze hadden een droom maar kregen een halve, of geen
Ze wilden een huis maar kregen een half, of
Ze wilden een tuin maar kregen een halve,
Ze wilden een kind maar kregen een
Ze wilden een job maar kregen
Ze wilden veel plezier maar
Ze wilden hun dromen
Ze wilden zo
Ze wilden
Ze
.

SLIKKEN, OVERAL

en de krop in de keel.
Marc probeert hem door te slikken maar het lukt niet. Hij haalt eens diep adem en probeert nog eens. Marc gorgelt, doet wat nekoefeningen, probeert, maar de krop blijft. Marc kucht. Hij ademt een paar keer rustig in en uit, de dokter had hem gezegd dat diep in- en uitademen een goede ontspanningsoefening was, en het ademen doet deugd maar de krop blijft. Hij slikt nog eens. Hij gaat even naar buiten, recht zijn rug en schouders, kijkt naar de nachtblauwe hemel, ziet de sterren, overal, voelt de krop, overal, ademt, slikt, de krop blijft.

STERREN, OVERAL

Blauwe hemels om ons te troosten. Blauwe hemel overdag, blauwe hemel ’s nachts, sterren, overal sterren, overvol sterren, alsof de andere zonnestelsels ons willen bijstaan, alsof ze zeggen dat ze over ons waken, dat ze ons helpen, dat ze hun krachten tot op onze aarde sturen.

SLAGROOM, OVERAL

‘Veel, veel!’
‘Ben je zeker? Dat is helemaal niet gezond!’
‘Ja, ik wil veel, veel slagroom, een hoge toren!’
‘Maar dat is echt niet goed voor je. En het is slecht voor de lijn.’
‘Toch wil ik veel. Komaan, doe er nog maar een grote toef bij. Ik wil twee torens!’
‘Man man man, ben je zeker? Straks ontplof je!’
‘Tja. Maar ik wil slagroom. Slagroom, overal! En ik zal ontploffen, ja, maar eerst wil ik twee hoge torens!’

LACHEN, OVERAL

Ik kwam niet meer bij van het lachen. Een man deed alsof hij zat te vissen en zijn televisiescherm was de visvijver. Hilarisch. Een andere man, veel te dik, die ons buiten adem een paar yoga-oefeningen voordeed. Nog een andere man die, met zijn hond in de armen en zijn vrouw en dochter in het kielzog, een dansje rond de tafel deed, zingend, wuivend, dat we de zon in ons hart moesten laten, vrolijk, vrolijk, zonnen, harten, dansen, honden, mensen, lachen, lachen, lachen met tranen, tot we echt huilden, huilden, huilden.