Hij raast, hij cirkelt over straten en voetpaden, scheert rakelings over de daken, rust hier of daar,
een seconde.
En opnieuw, en opnieuw.
Hij ziet kinderen en denkt: “Ik stop even,” en
rust.
Hij zal de graspleinen en de stranden ontzien, zal ze met niet meer dan een zachte bries raken.
“Ik zal ook de kinderen sparen,” zegt de wind.
Wat later zweeft hij over de duinen.
Hij ziet een gele boot, ziet een kleine man, ziet een kleine vrouw. Samen zitten ze liefde-
vol naast elkaar.
De wind zegt: “Ik wil hen niet raken,” en maakt een omweg.
Hij cirkelt over straten en voetpaden, scheert rakelings over de daken, rust een seconde, raast voort over de continenten, de oceanen, tot de polen.
Is hij plots boos? Laat hij zich gelden?
en
woedt hij voort? Cirkelt hij over straten en voetpaden? Neemt hij mee: strobalen, loszittende granen, sjaals van de vrouwen?
of
roept hij tegen de vogels “Kom, zweef met mij, vlieg met mij, vlieg mee op mijn adem”?