LIED TEGEN HET LICHT TE BEKIJKEN

HET BREIN
Het leest het ‘Lied tegen het Licht te bekijken’ van Een Dichter en er staat ‘Zo is hij eenzaam.’
Het brein denkt “Ik ben zelf niet eenzaam, ik ben het brein, ik ben bedrijvig en ik ken stilte noch eenzaamheid.”
Het denkt “Ik werk” en het voelt zijn draden en raders en het weet hoe het ene tandwiel het andere in gang zet, en hoe het zichzelf laat bewegen en in leven houdt.
“En ik weet het best,” denkt het.

Het rust zelden maar het beseft dat het zichzelf moet laten slapen. Het woelt, het radert nog na, het spant zijn draden, het bekijkt een voor een de tandwielen en de seconden van de voorbije dag, het weet dat het straks zijn ogen zal moeten sluiten en dat het, op de dromen na, leeg zal worden.
Het denkt aan de dromen.
Het is bang voor de nachtmerries.
“Maar ik ben het brein,” denkt het. “En dromen zijn dromen en ik ben de meester.”

Overdag leidt het de werkzaamheden van grote groepen arbeiders in goede banen. Het tekent ingenieuze plannen, het maakt ingewikkelde berekeningen en het controleert de resultaten twee keer, drie keer. Het denkt zelden aan iets anders en staat soms met de handen in het haar; zijn de berekeningen correct? Zullen de arbeiders geen fouten maken?

’s Avonds is het terug thuis.
Het lichaam zorgt voor voedsel en een vriend bezorgde hem het boek met de gedichten.
Het brein leest nog het ‘Lied tegen het Licht te bekijken’ van Een Dichter en er staat ‘Zo is hij eenzaam.’
“Ik ben zelf niet eenzaam,” denkt het brein weer.

Het gaat slapen, het lichaam sluit de ogen maar het brein dreunt nog de regels, dan drijft het terug naar de berekeningen van de dag, het woelt, het weet dat het lichaam de ogen gesloten moet houden en dat alles moet rusten, dat het moet rusten.

Advertenties

PLAT, PLATTER

DE BUIK.
Buik 1 is plat. Hij is nog jong en onervaren.
Ook buik 2 is plat. Hij is wat ouder maar oefent en loopt, beweegt al zijn spieren en houdt de schouders flink recht.
Buik 3 is rond. Hij heeft veel inhoud, schuddebuikt, steekt zichzelf trots vooruit en worstelt soms met de gespannen knopen van zijn hemd of vest. Hij werd onlangs gewaarschuwd door zijn dokter:
“U wordt te groot en te log,” zei die.

Buik 4 heeft honger. Hij is zo mager dat hij amper bestaat.
De andere buiken willen hem liever niet kennen, “Hij hoort niet bij ons,” zeggen ze en “Hij maakt geen deel uit van onze goeddoorvoede familie.”
Slechts een keer om de zoveel maanden, ten tijde van televisiecampagnes en –spots, worden ze te veel naar hun zin aan die magere buik nummer 4 herinnerd en schenken ze hem wat kleding of rijst, of een kleine som geld. Daarna eten ze zelf zo veel als ze willen en trekken ze makkelijk of moeilijk hun schouders flink recht – dat doet deugd.

LUCHTEN, HET WERKWOORD

DE MANTEL
Mijn naam is Mantel. Ik ben vijfentwintig en donkergrijs. Ik ben nog altijd warm en bied beschutting tegen regen en wind. Mijn ellebogen zijn niet meer wat ze geweest zijn, maar ik lever nog goede diensten. Mijn kleur is net niet vaal en op de tweedehandsmarkt zou ik goed scoren.

Ik hou ervan om rond een mens gewikkeld te worden; dichtgeknoopt, met mijn kraag naar boven geslagen, met mijn zakken gevuld door de handen.

Ik maak wat mee: ik zie diepe en ondiepe plassen op de straten, ik zie de verlichting, ik zie auto’s en vrachtwagens. Ik loop langs gevels van zowel plattelandswoningen als van flatgebouwen, ik ga naar het postkantoor en ik ga naar de bank. Ik hoor alle gesprekken, alle grappen en grollen, alle delicate kwesties. Ik loop langs de vijver of door het bos, ik kijk naar de vogels, de bomen, de lucht.
Wat ik het liefste voel is de frisheid van de ochtend, net voor de nevel helemaal verdwijnt, of net voor de zon op is, als je haar nog niet kan zien maar zij enkele seconden later verschijnt.
Dat is mijn liefste.
Maar ik hou er ook van om gelucht te worden, buiten, tijdens koude maar heldere nachten.

Ik ga niet graag op reis; daar ben ik te warm en te log voor. Ik word dan liever thuisgelaten, in de kast in de hall, rustend. Het huis is dan bijzonder stil, het wordt slechts gestoord door de buurvrouw die om de twee dagen de planten komt gieten.

Ook nu rust ik, en kan ik nog een tijd in de hallkast blijven: het is zomer en men heeft mij niet nodig. Ik kijk uit naar de herfst en naar de winter. Dan zie ik de mensen, de straten, de bomen, de lucht.

BIJ DE BEESTEN

2. ‘LINKS’ (IN KLOKWIJZERZIN).

DE BOERDERIJ
Man en vrouw eten aan de keukentafel. Ze zijn alleen. De kinderen studeerden, vonden werk en verlieten jaren geleden de boerderij. Ze komen regelmatig op bezoek en vragen een paar keer per jaar of het niet beter zou zijn om de boerderij te verkopen.
Vader klopt dan zijn pijp uit, steekt ze leeg in zijn mond, staat op en gaat naar de stallen.
“Hij is bij zijn beesten,” zegt moeder dan altijd.
De kinderen antwoorden telkens hetzelfde: dat ze dat weten.
“Het zou toch beter zijn om te verkopen, hé moeder?” vragen ze dan.
“Hij is bij zijn beesten,” blijft het antwoord.

EEN GRIJS PAK EN DAN EEN BLAUW

DE VREEMDE
Zij noemen hem ‘vreemd’ omdat zij hem niet verstaan, zelfs niet als hij ar-ti-cu-leert.

Nochtans, zijn a’s zijn a’s en zijn b’s zijn b’s en zijn woorden zijn identiek aan de woorden in hun woordenboek.
Maar ze verstaan hem niet, neenee en ze zeggen tegen hun kinderen dat ze uit zijn buurt moeten blijven omdat zijn huidskleur, of omdat het uitzicht van zijn woning, of omdat zijn auto of zijn kleren of de lengte van zijn haren, of, of.
Op een dag dachten zij dat hij toch op henzelf begon te lijken, omdat hij een grijs pak droeg, en op een andere keer een blauw
maar het waren slechts kleine punten van overeenkomst, en al bij al bleken die overeenkomsten niet te kloppen.
Misschien had de vreemde zich, voor die twee gelegenheden, willen voordoen als een van de anderen? Of was het een stunt, een carnavalsgrap?
Daarna was hij zoals tevoren zichzelf en wezen dezelfden hem met de vinger, en zegden zij tegen hun kinderen dat ze hem moesten mijden, want dat zijn taal, of zijn kleren, of de lengte van zijn haren of van zijn baard of van om het even wat niet paste, niet goed was, niet juist was, niet geschikt was, of zoiets.

TELKENS

VANDAAG IS HIJ TOERIST
Hij zit ergens in het midden van de autobus. Vlak voor hem zitten twee blonde dames. Ze kijken nieuwsgierig achterom en knikken hem toe. Daarna ziet hij dat ze zitten te  fluisteren.
”Misschien,” denkt de toerist, maar zijn gedachten worden afgeleid door de heren rechts, ze praten met luide stem en hij mengt zich even in hun gesprek. Dan staat hij op en loopt hij tot bij de reisbegeleider.
Hij vraagt hoeveel kilometers ze vandaag zullen rijden en blijft nog even praten.
Hij keert terug naar zijn plaats en knikt de dames hartelijk toe. Hij ziet de vriendelijke schijn in hun ogen en de kraaienpootjes.
Als iedereen uitstapt voor een bezoek aan dit of aan dat, staat de toerist telkens in de buurt van de dames, of zij in de zijne.

’s Avonds zijn ze terug in de gemeente. Iedereen stapt uit, de meesten blijven kort napraten, sommigen spreken af voor de volgende week.
De man kijkt in de richting van de aarzelende dames. Ze knikken hem toe.

TWEE

DE WANDELAAR
Iedere middag gaat hij op pad en doorkruist hij de stad. Hij heeft goede schoenen en een fototoestel. Sommige foto’s zet hij op het web.
Hij loopt over de brug van de zwerver.
Hij ziet de toeristen op de oever.
Hij ziet de afvalcontainers van de brouwerij en maakt twee foto’s.
Hij ziet een meisje in een knalrode mantel huppelend de straat oversteken. Ze loopt tot bij een jonge vrouw en ze stappen hand in hand. Hij kijkt hen na.
De wandelaar herinnert zich zijn hand in de hand met zijn vader.
Het meisje hinkelt, haar hand nog steeds in de hand van de vrouw, de vrouw hinkelt bijna mee.
De wandelaar glimlacht, kijkt rond en vergeet zijn herinnering aan het voelen van de hand in die andere, grote hand.
Hij neemt zijn fototoestel en maakt twee foto’s.