HAK, HIEL

– Schat, ik heb het stof afgenomen. Schat, ik heb gestofzuigd. Schat, ik heb gedweild. Schat, ik heb de was en de afwas. Schat, straks nog de droogkast. Schat, ik heb die ene broek gestreken. En ik heb de boodschappen. En ik heb het vuilnis. En ik heb de hond.
Schat, ik heb ook de soep en het stoofvlees. En ik was de vijver bijna vergeten. En het laatste stuk van de haag.
Schat, het is een goed huis. Jij woont hier toch ook graag? En in de winter, de kachel. Schat, ik heb het hout alvast. Maar ik moet de bijl nog. Maar het terras is proper, schat. En ik heb de buitentafel.
– Hou op. Ik moet dat niet weten. Waar zijn mijn pantoffels? En ben je bij de schoenmaker geweest?
– Nnee schat, dat ben ik vergeten. Zal ik morgen?
– Morgen? Daar ben ik niks mee. Ik wil die nieuwe hakken. En je zei ‘broek’. En mijn kleedje? Waarom heb je dat niet gestreken?
– Schat, ik ben het vergeten. De bel ging.
– De bel? Jij hebt geen zaken met de bel. Jij moest mijn schoenen en jij moest mijn kleedje, verdorie.

Terwijl ze het woord ‘verdorie’ nog eens luid herhaalt neemt ze het touw uit de bovenste lade en spant ze het met haar handen om het te rekken, om het klaar te maken.

Hak, hiel.
hak 1 zn. ‘deel van een schoen, hiel’
Mnl. hacke ‘hiel’ [1444-50, kopie eind 16e eeuw; MNHWS], eyn hack an den voit ‘een hiel aan de voet’ [1477; Teuth.]; nnl. de hakken van uw schoenen [1784-85; WNT].
Een vanuit het oosten in de standaardtaal verspreid woord. Kiliaan (1599) noemt hak ‘hiel’ Fries, Saksisch en Brabants. Standaardtalig is het pas vanaf de 18e eeuw, maar dan alleen als aanduiding voor een deel van een schoen, namelijk dat deel dat zich onder de hiel bevindt. Als aanduiding van het lichaamsdeel hiel is het ook tegenwoordig nog vooral in Noord- en Oost-Nederland verbreid.
Mnd. hakke ‘hiel’; mhd. hacka ‘hiel’ (nhd. Hacke ‘hiel, hak’, maar in het zuiden onbekend, dus wrsch. verspreid vanuit het Nederduits; het gewone Duitse woord is Ferse, zie → verzen); nfri. hakke; < pgm. *hak(k)-.
Verdere etymologie onduidelijk, maar misschien een variant met geminatie van de groep substraatwoorden die onder → haak worden besproken.
en meer op : http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/hak3

NORAH – VULGAIR

“Het was ongelooflijk vulgair.”
“Norah, je dient toch een klacht in hoop ik?”
“Klacht indienen? Maar nee.”
“Norah, je moet.”
“Nee, ik moet niet. Weet je wat er gebeurt, als ik klacht indien? Dan spannen die mannen samen. Dan verdedigt de ene de andere. Dan vlieg ik buiten. Ze gaven me dagcontracten. Maghalie ook. Omer kneep in haar billen, Maghalie reageerde fel en zei dat hij zijn poten moest thuishouden. Vandaag deed hij het weer en Maghalie ging naar de ploegbaas om haar beklag te doen. Twee uur later lag ze buiten. Op staande voet. ‘Maakt da ge weg bent en ge moet ni meer terugkommen.’ Plat. Zo simpel is dat met die dagcontracten. Ze heeft pas gebouwd, Maghalie. Ze huilde. Vulgair of niet, ik doe niks. Ik zwijg. Ik heb dat werk nodig. 2015, moderne tijden? Mijn gat.”

NORAH – NET

Norah ligt languit op de grond, op haar buik. Ze kijkt televisie.
“Norah, je mag dat niet doen, dat is niet goed voor jouw rug.”
“Mijn rug kan daar tegen.”
“Ja maar, Norah, als je oud wordt. Artrose en zo.”
“Ik krijg geen artrose. En oud worden doe ik ook niet.”
“Ja maar, Norah, natuurlijk word jij oud.”
“Nee moeder. Ik wil geen veertig jaar tussen de augurken of de kartonnen dozen werken.”
“Maar Norah, dat hoeft toch niet?”
“Nee moeder, dat hoeft inderdaad niet. Ik word dus niet oud, want ik wil geen eeuwigheid aan een lopende band staan. En daarom lig ik op mijn buik. Ik sta al genoeg. De hele dag.”
“Norah, oké, blijf liggen, maar wil je dan van de touwtjes van mijn vloerkleed afblijven?”
“Wat zeg je, moeder?”
“Norah, Ik heb net die touwtjes allemaal goedgelegd, en jij maakt er een warboel van. Ze lagen zo netjes! Allemaal mooi recht en evenwijdig!”
“Oeps, moeder. Sorry. Daar heb ik niet aan gedacht. Kijk, ik leg ze terug goed voor jou.”
“Dank je, Norah. Die touwtjes van het vloerkleed zijn belangrijk, zie je.”

LIKE A RAINBOW

Het is dat wit wit is terwijl het toch beter rood of groen zou zijn.
Het is dat wit wit moet zijn maar anderzijds? Oranje?
Het is dat zwart dat alleen maar op zwart lijkt, terwijl het in feite geel is of terwijl ikzelf zou willen dat het wit en groen en blauw en oker en gespikkeld en vanalles tegelijkertijd is.
Het is dat rood rood, en dat rood toch ook weer geen rood, omdat ik het anders zou willen, als (o la la) pistache bijvoorbeeld!
Een blauw met groen ijsje!
Een rode hond!
Een knalgeel dak van een huis!
Een spierwitte hemel met groene waas!

Het is dat wit wit is terwijl het wit moet blijven of geef maar grijs met groene strepen.
Het is dat ik geen wit wil, maar wit wil wit laten blijven en zwart doen worden, in tussenstappen van honderd schakeringen oranje.
Het is dat ik liever groen gespikkeld.
Of roze met een zweem van lichtblauw.
Of donkerpaars met een fluo rand.
Het is dat zwart zwart is en pikzwart moet blijven maar er mag een venster in met dertig rode randen en een alu-bodem.
En dat mijn wit mijn wit en geen zwart maar toch zwart is of dat ik het wil kunnen kiezen, langs de ingelijste gele exemplaren.

Baf. Knalrood.
Baf. Okergeel.
Baf. Ontploffende regenbogen.
Baf. Stijgende rivieren, naar een appelblauwzeegroene lucht, verspreid over oost naar west en noord en zuid zonder onderbreking.
Baf. Dezelfde rivieren in alle kleuren en ze beginnen met wijnrood langs wijnwit en worden dan bananengeel en dan weer –groen of vice-versa, bij het ochtendgloren.
Baf. Zwartwit, witzwart, grijs over grijze strepen, rood over rode vlakken, geel over niks wit met het grote zwart en dan terug wit, dat beter rood of groen, of wat.

NORAH – NETJES

Norah staart niet langer naar bokalen en augurken, maar naar kartonnen dozen en boeken. Ze moet inpakken. Dit boek in een doos, dat boek in een andere doos, drie boeken in een volgende. Norah moet de facturen erbij steken en ze moet kijken of alle gegevens kloppen.
“Pff, ik kan toch niet weten of een adres juist is?” zucht ze.
“Misschien vond ik de augurken leuker dan de boeken,” zegt ze.
“Die collega’s waren veel liever,” zegt ze. “Die waren altijd goedgezind en maakten grapjes. Die gooiden af en toe eens met een augurk. De mensen van de boeken gooien met niks want er is geen tijd om met boeken te gooien en daarbij, de boeken zouden stuk gaan en er zouden te veel klachten komen. Iedereen is dus erg braaf en werkt aan zijn lopende band. Soms vallen er zweetdruppels op de boeken of op de plastiek folie en dan moeten we de druppels afvegen want ons zweet mag niet in de dozen. Onze haren ook niet. We moeten zo van die vieze mutsjes dragen, net zoals bij de augurken. Bah. Ze lijken op haarnetjes en dan voel ik me tachtig. Ik hou niet van die haarnetjes.”

NORAH

Norah staat aan de lopende band. Ze moet de etiketten op de bokalen controleren. Kleven ze recht?
Haar ogen doen pijn. Ze branden.
Na drie uur moet Norah aan een andere lopende band staan. Zitten er voldoende augurken in de bokalen?

Tijdens de pauze telefoneert ze naar het interimkantoor.
“Hebben jullie een andere job voor mij?”
“Waarom?”
“Mijn hoofd doet pijn, mijn ogen doen pijn.”
“Norah, je moet harder werken en beter je best doen.”
“Maar ik doe mijn best.”
“Toch moet je beter je best doen.”
“Hebben jullie echt niks anders?”
“We zullen het je laten weten.”
“Oké. Zo rap mogelijk.”
“We laten je iets weten, Norah.”

AURORE – MISSCHIEN

Dat was ook zo’n stad. Regen. De auto ik weet niet waar. De ringweg, onder de regen. Waar was die parking ook weer?
Ik werd bijna ondersteboven gereden. Had de chauffeur het zebrapad niet gezien? Het lag toch te glanzen in de donkere regen?
Uit een café klonk muziek. The Beatles.
Ik was doorweekt wou wel een kop koffie of nee, liever warme chocolademelk.
Ik vroeg of er iemand wist waar de parking was, want ik had ze nog altijd niet teruggevonden en nee, ik wist niet waar, noch hoe klein of hoe groot, noch of er bomen of ja, toch wel, drie grote, vier? Maar waar? In welk deel van de stad? Ik wist het niet.
Een man zei: “Kom, juffrouw, we gaan op zoek, rijd met me mee,” maar ik aarzelde. Hij zag mijn aarzeling en haalde bijna onzichtbaar zijn schouders op.
“Ik begrijp het hoor, ik kan een slechterik zijn” zei hij.
Ik bedacht me en antwoordde snel dat ik het aanbod toch aannam. Hij en ik, we stapten in zijn auto, doorkruisten de donkere, glanzende stad, op zoek naar de parking met mijn auto.
Hij was nieuwsgierig en stelde me allerlei vragen over mijn leven en ik, ja, ik was in feite ook nieuwsgierig en stelde dezelfde vragen. We lachten er om.
Eindelijk vond hij de parking met de drie bomen en met mijn auto, we praatten nog wat, we namen afscheid. Hij gaf me zijn nummer, morgen zal ik, misschien? Zou ik? Wat denk je?

O, VOORTVLUCHTIG

Was ik maar dees of gene
reiziger
ik zou de bergen rond Kathmandu
en de rivieren van de rode papegaaien
de trommels van het carnaval
de uitgestrekte vlaktes met de olifant.

Was ik maar een
lonesome cowboy
ik zou mijn lasso
en mijn sigaret
en ik zou de vrouwen!
ik zou mijn paarden!

Was ik maar
vijftien jaar minder
en een gouden haarlok
en een versiertoer rijker
en een dansavond
en een glas champagne naast haar!

Was ik maar dees of gene
echte toerist
ik zou de muntstukken in de fonteinen
en de ingang van het Louvre
of de dagboeken in het literatuurmuseum
of de paraplu’s van Cherbourg.

Maar hier ben ik, zit ik, loop ik, hang ik, sta ik. Ik moet mijn ogen gesloten houden want ze branden. Ik moet mijn lippen opeen knijpen want ze willen. Ik moet mijn tong.
Ik moet mijn handen en armen en voeten en benen. Ik moet mijn borst en mijn buik, mijn longen, mijn lever.

Maar daar ga ik, in een droom, langs die reizigerspaden, langs de prairies, langs de dagen van de jeugd en van het geluk
naar mijn eigen plein vol madelieven, naar mijn eigen o zo hemelsblauwe lucht.

KING – DE RUSH

“Wat is dat toch, ze staan zo vroeg op, en dat iedere dag. Zien ze niet dat het nog donker is? En dan al dadelijk beginnen werken, terwijl het veel beter is om nog even te rusten en om het daglicht af te wachten? Vanwaar die haast, vanwaar die rush om iedere ochtend absoluut auto’s, autobussen en vrachtwagens te willen starten? Om met een slaapkop (zien of merken ze dat zelf niet?) aan de dag te willen beginnen, in plaats van de stilte van het laatste van de maan, en van de opkomende zon? – ”

ANNICK – HEIDEPLANTJES

Mijn moeder zei dat ik mee naar het kerkhof moest. Ik wou niet.

“Ik ben er vorige week nog geweest. Je weet dat ik regelmatig ga.”
“Ja, maar toch moet je mee. Dan zien de mensen je.”
“Ma, de mensen moeten mij niet zien.”
“Jawel, want anders zullen ze zeggen dat”
Ik liet haar niet uitspreken.
“Ma, het kan me niet schelen. Ik ging vorige week naar het kerkhof. Het was er erg rustig en ik heb het liever zo. Ik stond lang aan het graf en ik heb met haar gepraat. Ik had bloemen mee, nee, geen bloemen, gewoon zo’n gekleurde heideplantjes. Ik vond dat mooi en zij ook. Nee ma, vandaag ga ik echt niet naar het kerkhof en morgen ook niet.”