WOOLF

Drie woorden volstaan, soms. Bij wijze van spreken.

‘Pointz Hall liet zich in het licht van een vroege zomermorgen kennen als een middelgroot huis.’

‘ …, snoepgoed rolden en … ‘

‘De kleine jongen was achterop geraakt en graaide in het gras.’

‘Wroetend op zijn knieën bezag hij de bloem in haar volheid.’
‘Toen ik opkeek, was de wereld vies, mevrouw Swithin.’

(Uit : Virginia Woolf, ‘Tussen de Bedrijven’ in de vertaling van Erwin Mortier, blz. 26 – 29 – 30 – 30 – 84)

Advertenties

KOFFIEBOON

Daar is Mark weer.
Hij zegt: “Mijn naam is Koffieboon,” “Maar dat is een billenkletser,” zegt hij, en niemand lacht en Mark herhaalt: “Mijn naam is Koffieboon,” en nog eens, en nog en hij verheft zijn stem en zegt hij heeft een rivier, een rivier vol koffiebonen, zegt hij, en hij kletst zich alweer op de billen.
Mark zegt, Mark groet en ja, hij groet de paarden en de borderbloemen, hij groet de luchten, hij neemt een potlood en tekent een olifant in de wolken, twee, drie, en een leeuw en een vlinder en een arend en hij stijgt nog hoger: tot daar waar water in de lucht ijs wordt, Mark zegt dat de ijskristallen soms net boven de aardkorst zweven en ze zijn bijzonder zeldzaam en zo klein dat je ze niet, of bijna niet kunt zien, en toch, toch bedekken ze het mos en aaargh, we zijn in het Amazonegebied, en dan bij de watervallen, en dan bij de grootste bomen, en dan tussen de apen, en holala, “Mijn naam is Koffieboon,” herhaalt Mark, en niemand lacht en hij herhaalt en vraagt of hij dan de enige is zonder astma, hij zuigt zijn longen vol, zijn longen worden blauw van het vele, en van de hoogste lucht, en van de fracties beeld van de platanen, gesnoeid! werden ze, zodat het licht!” zegt Mark.
stevenson
Afb via Biblioklept: Robert Louis Stevenson, To Any Reader.

MARK ZEGT HET IS HIER NOG ECHT

“In dat ene boek – het verhaalt over een toekomst – was alles grijs en bestond de schoonheid van de wereld niet meer. Ter compensatie kon je jezelf er op een verblijf in een kamer trakteren, gedurende een uur of zo, je kon je in een stoel installeren, het licht ging uit, je was alleen in de kamer en op een groot scherm werd een natuurfilm geprojecteerd. Groene en blauwe beelden, doorspekt met koeien, leeuwen, vogels, spelende kinderen, bergen, oceanen, bomen, meren, Middellandse Zeegebieden – paradijzen op onze oude aarde die volgens dat boek niet meer bestonden – en Bach op de achtergrond, of andere muziek, naar keuze. Gelukkig maar dat het hier, in onze echte wereld, zo ver nog niet is gekomen en dat we onze Achtertuin maar hoeven in te lopen, om de schoonheid van de natuur te kunnen aanschouwen. Eiken, esdoorns, platanen, paddenstoelen en eekhoorns, paarden en schapen.”
(Mark)

THE SKY IS THE LIMIT, ISN’T IT.

Het was een klein trekje met de linker neusvleugel, niks anders. Heeft iemand dat ooit bij hem gezien, denk je? Dat kleine trekje? De neusvleugel bewoog amper, zou hij het zelf ooit gevoeld hebben?

Ondertussen? Ondertussen keek Jef naar de stapstenen en naar het asfalt van de straat. Hij zag het begin van een mierenkolonie. Nikki vroeg wat hij deed en Jef zei: “Ik kijk.”

Ondertussen? Ondertussen staat de andere man op een hoek van een kruispunt. Hij draait in het rond en neemt alles wat hij ziet in zich op. The Lady in Red, een half zebrapad, een barst in een gevel, een nieuwe laag verf op een oude voordeur, een jong koppel, een auto met een lekke band, een vuilniswagen, een rokende vuilnisman, azalea’s, een lege visbokaal bij het afval, een file in een straat, een andere, lege straat, zes, nee zeven wegwijzers, een postbode op een scooter, de openstaande deur van een slagerij, een vrouw met een boodschappentas.

Ondertussen? Ondertussen staat de maan nog vol aan de heldere hemel. Het is een zeldzaam iets, is het niet?

Ondertussen? Ondertussen droomt zij van de watervallen van Iguassu. Ze herinnert zich het pad met de papegaaien alsof het niks was. Met de helikopter wou ze niet, zei ze. Het was veel te duur, natuurlijk, maar het uitzicht was ook zo al overweldigend, waarom moest het dan nog verbeterd worden? Kon het wel verbeterd worden?

Ondertussen? Ondertussen ergens een man op een fiets. Hij rijdt naar de lagere school. Hij moet zijn zoontje ophalen.

De neusvleugel bewoog amper.

Ondertussen een bron die flessenwater wordt. Het merk wordt geëxploiteerd, geëxporteerd, vermenigvuldigd, verbeterd, nog verbeterd, voort gecommercialiseerd voor de wereldwijde markt, men verandert het etiket, men vertaalt, men berekent de kosten en de winsten, de aandeelhouders, het management.

Ondertussen? Een kleine man, zo noemen ze hem, hij is vier, hij heeft een verfborstel en gebruikt bij voorkeur blauw en wit en op die leeftijd heeft hij al weet van de ijskristallen, hij houdt het hoofd schuin en schildert, even later stopt hij en zet hij het volume van de radio luider, hij luistert naar het weerbericht, het hoofd nu schuin in de andere richting.

Ondertussen? Ondertussen werd de mierenkolonie beter zichtbaar, ergens bouwen ze maar niemand weet waar.

Het was een klein trekje met de linker neusvleugel, niks anders. Heeft iemand dat kleine trekje ooit gezien, denk je?

normandy
Normandië, de verandering van het licht. oude foto van mezelf (herh.)

DEZE TELEVISIE IS DE BESTE

Stad 1, verkoper 1: “Deze televisie is de beste.”
Stad 1, verkoper 2: “Deze televisie is de beste.”
Stad 1, verkoper 3: “Deze televisie is de beste.”
Stad 1, verkoper 4: “Deze televisie is de beste.”
Stad 2, verkoper 5: “Deze televisie is de beste.”
Stad 2, verkoper 6: “Deze televisie is de beste.”
Stad 2, verkoper 7: “Deze televisie is de beste.”
Stad 2, verkoper 8: “Deze televisie is de beste.”
Stad 2, verkoper 9: “Deze televisie is de beste.”
Stad 2, verkoper 10: “Deze televisie is de beste.”
Stad 3, verkoper 11: “Deze televisie is de beste.”
Stad 3, verkoper 12: “Deze televisie is de beste.”
Stad 3, verkoper 13: “Deze televisie is de beste.”
Stad 4, verkoper 14: “Deze televisie is de beste.”
Stad 4, verkoper 15: “Deze televisie is de beste.”

Maar er zijn nog altijd verschillen: de ene verkoper draagt een jeans en een wit hemd met het logo van de winkel. De andere verkoper draagt een net pak met een naamkaartje met het logo van de winkel. De ene verkoper is ongeveer vijfenveertig, de andere verkoper is ongeveer vijfentwintig. De ene heeft een snor, de andere niet. De ene heeft een vriendin, de andere niet. De ene is klein, de andere groot. De ene is graatmager, de andere heeft een buikje. De ene heeft kort haar, de andere is kaalgeschoren. De ene heeft blauwe ogen, de andere bruine. Er zijn dus, nog altijd, verschillen.

TERESA

‘Is Vic there?’, maar er is niemand. Jef neuriet de song. Waar was hij ook weer toen hij die de laatste keer hoorde?
‘Is Vic there, is Vic there’ neuriet Jef nog, maar verder geraakt hij niet. Hij ziet Nikki voorbijlopen, zou ze op bezoek komen?

Jef roffelt met zijn vingers op het tafelblad. Vic is not there en Nikki ook niet. Jef neemt zijn tabak en zijn pijp, loopt de keuken in en zoekt net zoals gisteren de lucifers, keert terug naar de sofa en duwt op de knop van de afstandsbediening. Hij kent de omroepster niet, ze is nieuw. ‘Teresa’, zegt het scherm.
“Dag Teresa,” zegt Jef.

GROOT EN LEEG

“En ik heb altijd hard gewerkt. Het was een grote ronde en ik had veel klanten. Ik laadde om zes uur ’s morgens en ik loste om acht uur ’s avonds. Ik was nooit voor negen uur thuis.

Zij?

Zij leek tevreden. Hield zich bezig. Poetste, ging winkelen, sprak af met haar moeder of met vriendinnen. Ze was altijd goedgezind als ik thuiskwam. Tot op een dag… het hele huis was leeg. Ze had een tafel, een stoel en een oude eenpersoonsmatras achtergelaten, meer niet. Het huis was groot en er was niemand. Groot en kaal. Groot en leeg. Koud.”