HET LIED VAN SASKIA

morning-in-ro

Maar het was zij, echt, die het lied van Saskia zong.
‘Saskia heette Saskia en ze liep door de ochtenddauw en ze voelde de kracht van het leven en neuriede, neuriede want de woorden wist ze niet meer. En met haar geneurie bezong ze het leven, de dag en de nacht en de lente en zomer en keek om zich heen en ze neuriede voort. De boer van wat verder zat net op zijn tractor en zag haar en riep maar ze hoorde hem niet. Hij startte de tractor en reed in haar richting en wuifde en riep, en zij wuifde terug. ‘Dag Saskia,’ zei hij, ‘Dag grote boer Jan,’ was haar antwoord. ‘Bekijk je de ochtend?’ zo vroeg hij en zij zei van ‘Ja’. Boer Jan vond echt dat het was alsof Saskia de ochtend omarmde en hij zei het, hardop.
‘Dat doe ik, dat doe ik,’ antwoordde zij en ze gebaarde met hoofd en met armen en toonde de grootte, de kracht van de ochtend en wees hem het Oosten en zei dat het daagde.
Boer Jan moest nu voort en groette haar lachend en Saskia stapte en liep door de dauw, en neuriede weer en keek naar het Oosten, naar de komende zon, naar het licht dat daar daagde.’

DEEL 2 (‘DE VERVOEGING’)

Wij zullen zeggen: ‘We gaan naar huis.’

badk

 

#A (bath)room with a View

DEEL 1 (‘DE VERVOEGING’)

Ik zal zeggen: ‘Ik ga naar huis.’

deel-1

(foto van februari)

PLOP

we-will-slam-them-with-our-wings

‘Maar ik ben te moe om pap te kunnen zeggen,’ zei ik.
‘Zeg het dan niet,’ zei hij.
‘Nee,’ zei ik, ‘ik zeg het niet.’
‘Zeg dan iets anders,’ zei hij.
‘Wat dan?’ vroeg ik. ‘Ik kan het echt niet meer. Ik kan helemaal niks, minder dan niks.’
‘Zeg dan lucht,’ zei hij.
‘Adem,’ antwoordde ik.
‘Nee, nee. Lucht,’ herhaalde hij.
‘Ik wou dat ik adem was,’ vond ik.
‘Nee, je bent geen adem, je bent jij,’ zei hij.
‘Jaja, maar wie ben ik?’ vroeg ik.
‘Jij bent de eerste rode appel in de grote nieuwe boomgaard,’ zei hij.

Ik glimlachte.
‘Ja, kabouter Plop,’ zei ik.
‘Ik ben jouw Plop niet,’ zei hij.
‘Plop, plap, plep, plek, plet, retteketet,’ zei ik.
‘Jij bent diegene die geen pap meer kan zeggen,’ zei hij.
‘Rijst,’ zei ik.
‘Griesmeel,’ zei hij.
‘Die is van Kristel, Plop,’ zei ik.
‘Ik ken geen Kristel,’ zei hij.
‘Ze is lief,’ zei ik.
‘En ze heeft pap?’ vroeg hij.
‘Ja, griesmeelpap, Plop. Echte, echte griesmeelpap.’
‘Moet ik haar kennen, jouw Kristel?’ vroeg hij.
‘Ja, dat zou je wel willen, Plop.’
‘Ik ben ik en ik ben Plop niet en Plop kent die Kristel niet.’
‘Nee. Maar soms ben jij Plop en ik ken Plop wel.’
‘Ja, maar ik zeg het nu nog eens: Plop kent Kristel niet. Plop wil haar kennen, Plop wil het Kristelraadsel ontrafeld.’
‘Kri Kri Kristelgeheim, ze is o zo mooi, ze is o zo lief, ze is liever dan licht.’
‘Is licht dan zo lief?’
‘Dit licht wel, het streelt, het schijnt, het werpt in overvloed alle lichter dan licht.’
‘Maar je kon niet eens pap.’
‘En nog altijd niet, Plop.’

 

Afb. Henry Darger, Untitled (‘We will slam them with our wings’)

FLIPPERTJE, FLAPPERTJE, REUTEMETEUT

jackson-pollock-number-5

Want IK ben het BELANG en IK ben de ENIGE van TEL en als de anderen MIJ niet volgen dan zijn ze DOMMER DAN DOM.
Want IK weet ALLES en IK weet hoe de vork in de steel zit en als IK zeg dat het zo moet dan heb IK ALTIJD GELIJK.
En de anderen moeten MIJ volgen want IK BEN DE BELANGRIJKSTE EN DE BESTE EN DE ENIGE DIE WEET WAAROVER HIJ PRAAT.
En IK heb al een groot gevolg maar IK WIL HET NOG GROTER EN GROTER, GROTER DAN GROOTS, IK wil de HELE gemeente, de stad en het land VOLLEDIG en ECHT en PAL ACHTER MIJ.
ZWIJG DUS, SHUT UP, LUISTER NAAR MIJ, DRAAG MIJ OP HANDEN want IK BEN DE BESTE, DE BAAS EN DE LEIDER EN IK WEET HET BETER DAN AL DE REST.

Afb.: Jackson Pollock, number 5, 1948.

Bewaren

BEITELEN (TUSSEN HEMEL EN AARDE)

hopper-night-windows-1928

Je bent mooi.
Dank je.
Wacht.
Wat?
Ik haal een paar spullen.
Wat?
Hier ben ik.
Een hamer en een beitel?
Ja.
Waarom?
Ik werk je wat bij.
Hoezo?
Hier een stukje, daar een hoekje.
Wat bedoel je?
Zo maar.
Wat met de hamel en de beitel?
Zit stil.
Nee.
Het moet.
Niks moet.
Jawel, dat hoekje.
Maar ik wil het niet.
Ik wel.
Jij hebt er niks over te zeggen.
Jawel.
Nee, het is van mij.
Ook van mij.
Niet.
Welles.
Ik ga weg.
Blijf.
Laat me met rust.
Nee, de hamer, de beitel.
Laat me met rust. [Gaat weg en komt niet meer terug]

 

(afb.: Edward Hopper, Night Window, 1928)

TERUG NAAR HET PAD (TUSSEN HEMEL EN AARDE)

leon-spilliaert-landschap

De straat, geen maan, toch licht, wat verder weer donker, een auto, terug donker, twee auto’s, terug donker, een zijweg, een blinkende streep modder, het donkere gras, het silhouet van een paard, nog een paard, geen maan, het geritsel, is het een paard?
Het pad, nog modder, nog donker gras, nog steeds geen maan, donker, wat lichter, te smal, waar is het pad?
Terug licht, terug de straat, een auto, terug donker, twee auto’s, drie, tien, dan niks meer, terug donker, geen maan, terug naar het pad, waar is de maan, waar is het licht van de nacht?

(Afb. Leon Spilliaert, Landschap)

BRIEF 4

TheTrial1962

 

Dag mijnheer Macharis,

Nee, ik heb het nog niet besteld. Het is niet dringend. Maar ik zal het niet vergeten. Ik heb me trouwens vergist van titel. Mijn wangen kleurden knalrood van schaamte! Ik bedoelde namelijk ‘Drie Vertellingen’ en niet ‘L’Education Sentimentale’. Dat laatste boek heb ik niet eens gelezen! Was mijn geheugen het noorden kwijt?

Die stapel van tien boeken is niet letterlijk hé mijnheer Macharis! Het kunnen er acht zijn, maar ook vijftien of twintig. Veel meer zullen het er nooit worden. Al mijn andere boeken zal ik weggeven!

Een leesclub, schrijft u? Maar dat zei u vorige keer toch ook al! Waarom probeert u me naar een leesclub te sturen? En wat moet ik doen in een leesclub? Luisteren, naar een analyse? Of wordt er voorgelezen? Worden er commentaren gegeven? Maar ik wil de commentaren van anderen niet horen! Of ik Kafka lees of niet wil ik zelf kiezen en wat Kafka bij me oproept is mijn zaak. Of Borges. Of Vonnegut. Of Lieze Spit. Of is het Lise? Is de spelling van een naam belangrijk? Is het belangrijk om een boek met iemand anders te bespreken? Ik las het boek van Spit trouwens nog niet. Zou dat op de lijst van de leesclub staan? Of lezen zij Joyce? Hahaha. Ja, naar een bespreking van het werk van Joyce zou ik wel eens willen luisteren. Ik zou me er zelfs op verheugen. De Bespreking Van Het Werk Van James Joyce Door Ons Oudste Lid De Heer Jambers, In Het Zakelijke Leven Gewaardeerd Marketing Director Van Het Bedrijf ‘XX Marktleider’.
Nee, dank u. Ik lees wie en wat ik wil.

Maar ik heb niet veel tijd om te lezen. Eerst die verdomde tabellen. Cijfers links, cijfers rechts, cijfers overal en ik moet die in goede banen leiden. In feite is het: Lijden. Iedere dag lijden onder de verse aanvoer! Iedere dag Kafka!

Iets anders.
Weet u, ik heb bezoek. Dit bezoek verrast me sinds vorige week iedere dag. Het is de kater van de buurvrouw en hij glipt door het open slaapkamerraam naar binnen. Het is een mooie, goudzwart gestreepte kater. En ik hou niet van katten, maar hij is goed gezelschap. Hij legt zich netjes op de mat, tegen de verwarming, en houdt me in de gaten. Omstreeks vier uur verdwijnt hij via dezelfde weg, terug naar de buurvrouw.

Hartelijke groeten!

E.

Nummer 4 van 66 brieven
afb: still uit The Trial van Orson Welles (herh.)

NIEUWE REEKS: TUSSEN HEMEL EN AARDE – DE VERTAALOEFENING

saul-leiter-train

Dit is een oefening.
Vertaal:
‘De trein raast voorbij.’
Vertaal:
‘De trein raast eeuwig voorbij.’
En:
‘De trein raast onophoudelijk voorbij.’
Rust even.
Vertaal nu, heel eenvoudig:
‘De trein.’

Heb je de achtertuinen gezien? En de mensen die aan de spoorwegovergangen staan te wachten? Te voet, naast hun fiets of in hun auto? Of op hun moto of scooter?
Heb je de weiden gezien?
De koeien, de paarden? De bomen en hagen?
De elektriciteitspalen? De hekken, de straten?
De fietser die de trein probeerde in te halen?
De huizen, de veranda’s? Het begin van de stad, de drukte? De flatgebouwen, de graffiti? De trams, de autobussen?
Morgen opnieuw?
De vertaaloefening?
Het beeld van de trein?

(afb.: Saul Leiter, Train)
Link: Graffiti op wikipedia

 

BLAUWE

vaas-met-vijftien-zonnebloemen-van-gogh

‘Mijn brood verdienen. Huisje, tuintje, keukentje.’

‘Luxe? In beperkte mate. Een goed fornuis, een degelijke auto. Een warme trui in de winter. Een tuin met een badmintonnet.’

‘Mijn drie zonen goed en veilig zien opgroeien. Dat zij goede mensen worden. Dat zij gelukkig zijn.’

‘Neen. Rustig oud worden. Iedere dag met de hond gaan wandelen. Mijn zonen helpen als er bomen gesnoeid of gekapt moeten worden. Nog met de bijl kunnen werken.’

‘Los. Op de grootste weide van Londerzeel. De beek loopt erachter. Zeker vijfhonderd meter. Een enorm groen terrein. Daarnaast de restanten van de aardappelen. Nu toch. Het is het seizoen.’

‘Nee. Met kettingzaag en bijl. Zagen, klieven. Het gras maaien mag ook. Het hout stapelen. Een bloemenweide. Hortensia’s in de voortuin.’

‘Blauwe.’

‘Lezen. Een boek per week. Of twee. In een Stressless. Luxe, dus toch. Met warme sokken aan. Of in augustus, op het terras. Vijfentwintig graden en een goede tuinstoel. Of ik zeul de Stressless naar buiten, hahaha!’

‘Nee, geen wijn. Doe maar gewoon water. Levenssap, dat water.’

‘Dank je.’

‘Ja, de zonnebloemen van Van Gogh. Ja.’

‘Doe ik.’

Afb. : Vincent van Gogh, Vaas met vijftien zonnebloemen (Arles, augustus 1888)

Bewaren