IN DE RICHTING VAN HET HART VAN DE STAD

Francis Bacon, Self Portrait 1969

Zijn neus: hoog.
Zijn ogen: priemend.
De man wou me niet te woord staan. Ik moest naar hem opkijken; Hij was bijna dubbel zo lang als ik, tenminste, zo leek hij zich te voelen. Hij hield zijn rug kaarsrecht en het was alsof hij recht door me heen keek, maar na enkele seconden draaide hij zijn ogen van me weg. Ik wou met hem praten en versperde hem de weg.
“U snijdt me de pas af,” zei hij.
“Met veel plezier,” antwoordde ik rustig, maar zijn blik had me kwaad gekregen en ik zou deze man niet zo maar laten gaan. Ik moest en zou met hem praten.
“Bent u groot, meneer, of lijkt dat alleen maar zo?”
Zijn ogen priemden alweer en ik voelde dat hun naalden dwars door mijn wangen, voorhoofd en ogen gingen en dat ze mijn hersenen probeerden te raken, maar ik schudde die idee snel van me af en herhaalde mijn vraag.
“Bent u groot, meneer, of lijkt dat alleen maar zo?”
Hij bewoog zijn rechterarm en gebruikte zijn gehandschoende hand (ik meen het – het was 20 graden en hij droeg dunne lederen handschoenen van een onbestemde vuilbruine kleur) om me opzij te duwen. Ik zette me schrap en beeldde me in dat ik zijn elleboog vastgreep en er mijn tanden inzette.  Het bot kraakte, ik herpositioneerde en beet een hap vlees uit zijn bovenarm. Hij gilde.

Het veranderde niks.
Hij riep me beschuldigende woorden toe. Wie ik dacht dat ik was? Dat hij het me betaald zou zetten! Dat hij veel connecties had en die onmiddellijk zou gebruiken om mij in staat van beschuldiging te stellen en om me in de gevangenis te gooien!
Het bloed gulpte uit zijn rechterarm en met zijn linker bleef hij me aanwijzen. De wijsvinger raakte bijna mijn hoofd maar ik zette een stap achteruit zodat hij me niet kon aanraken. Zijn ogen priemden nu vlammend, de gloeiende naalden probeerden zich weer door mijn voorhoofd en ogen te dringen maar ik schoot in een lach.
“U bent de grappigste man die ik hier ooit tegenkwam,” hikte ik. Ik hield mijn hand voor mijn mond om het lachen wat tegen te houden, maar dat lukte niet. Ik proestte het uit.

“Mag ik nog eens?” lachte ik luid.

Het maakte hem alleen maar kwader. Furieus. Ondertussen stroomde zijn bloed over het voetpad, dat vond ik vies en ik zei dat hij het voetpad bevuilde.
Met zijn linkerhand wurmde hij zijn telefoon uit zijn rechter zak. Ik zag hem knoeien om een nummer in te tikken, daarna hoorde ik hem luid met de politie bellen, dat hij klacht wou indienen en dat ze een ziekenwagen moesten sturen.
Ik huppelde weg.
De man probeerde me achterna te komen, maakte wilde bewegingen met zijn nog gezonde linkerarm.
Ik liep vrolijk voort, versnelde mijn pas en verdween naar beneden, richting het hart van de stad.

De Dialogen, 5.

Afbeelding: Francis Bacon, Self Portrait 1969

Advertenties

33

Study for a Self-Portrait ,Triptych, 1985-86, Francis Bacon

“Drieëndertig.”
“Pardon?”
“Drieëndertig. Vandaag ben ik drieëndertig geworden.”
Ik had net een man aangesproken en het eerste dat hij me vertelde was zijn leeftijd.
“Ik vind dat een scharnierleeftijd,” zei hij.
“Een scharnierleeftijd?”
“Ja. Vanaf deze leeftijd wordt mijn leven anders.”
“Zo maar? Vanzelf?”
“Ja.”
“En jij weet dat?”
“Ja, ik weet dat.”
Hij leek ouder dan drieëndertig. Ik keek naar zijn gegroefde gelaat. Zonnebruin, stoppelbaard, onverzorgde haren. Warrig, vond ik hem, maar hij straalde bijzonder veel energie uit.
“Je mag vertellen,” zei ik.
“Natuurlijk niet,” antwoordde hij. Zijn ogen liepen rustig over de omgeving. Ik zag dat ze terugkeerden naar de onderste trap die naar de Bibliotheek leidde.
“Ga je binnen?” vroeg ik.
“Nee, vandaag niet. Morgen misschien.”
“Wil je iets opzoeken?”
Ik kreeg geen antwoord en probeerde iets anders.
“Woon je hier?”
Hij bleef stil.
Zijn blik was ondertussen de trap opgelopen en had daar een rustpunt gevonden.
Hij zei nog altijd niets.
Hij wreef eens in zijn linkeroog.
“Ik wil iets drinken,” zei hij. “Ga je mee? Ik trakteer, het is immers mijn verjaardag. Dat wordt dan mijn verjaardagsfeestje.”
“Graag,” zei ik. Ik moest die dag niet meer terug naar het werk en had tijd.
“Een van de terrassen vlakbij de Grote Markt?” vroeg hij. “Ik zit graag in de zon.”
Voor mij was dat goed. Ik zou hem overal gevolgd zijn; alles voor een pint van een drieëndertigjarige, vreemde en zwijgzame man.
We liepen het hellende voetpad af. In de winter zou dat een kunstentoer geweest zijn, maar nu was het hoogzomer en liepen sommige toeristen zelfs op blote voeten. Niemand dacht nog aan de veel te lang durende koude van de voorbije winter.
“Zomer in de stad,” zei hij. Misschien dacht de man hetzelfde als ik?

Het terras waar hij op af stevende was maar halfvol. We hadden zicht op de toeristen en op de eeuwig blijvende kraampjes op het plein.
“Ze verkopen altijd hetzelfde,” zei hij. “Volgens mij legt de stad hun de aard van de koopwaar op.”
Ik bekeek hem. Hij had echt veel te diepe groeven voor zijn leeftijd.
“Voor mij een Duvel,” zei hij. Hij speelde met een bierkaart, nam nog enkele kaarten en bouwde een huisje. Een oefening in kartonnen evenwicht op een wankele aluminium tafel.
“Voor mij een gewone pint,” zei ik.

De Dialogen, 4.

Afbeelding: Study for a Self-Portrait Triptych, 1985-1986, Francis Bacon.

MAGDA

“Zoals Magda die niet buiten mocht omdat haar man dacht dat ze hem bedroog, wat helemaal niet waar was, die gedachte was slechts vergif in zijn hoofd, een vergif dat iedere keer dat zij toch eens op stap wou groter werd, zo groot dat het alle ruimte in zijn hoofd innam zodat hij telkens meer en meer zijn klauwen uitsloeg om haar bij zich te houden, het maakte haar ongelukkig, ze wou alleen maar naar de stad met haar dochter of met een vriendin, ze wou shoppen, zei ze, met shoppen is toch niks verkeerd? Maar haar man zat nu eenmaal met dat grote vergif in zijn hoofd en hij zei dat ze thuis moest blijven en zij kon niet anders dan hem te gehoorzamen want anders zou de thuissituatie alleen maar slechter en zieker worden en wie weet wat hij dan allemaal zou doen, dus Magda nodigde haar dochter en haar vriendinnen thuis uit en ze ging niet shoppen, behalve met hemzelf en hij troonde dan naast haar, jij bent mijn koningin zei hij en dan mocht ze alles kopen wat haar hartje begeerde, zolang het maar niet te duur was natuurlijk, en niet te uitdagend want het moest toch zedig blijven?”

“Jef, wat vertel je nu allemaal, hoe weet je dat? Wie is die Magda?”
“Magda woonde hier in de straat.”
“Waar is ze nu, Jef?”
“Dat weet ik niet, vorig jaar verhuisde ze en ik zag haar niet meer.”

room in New York 1932 Edward Hopper
Afbeelding: Room in New York, 1932, Edward Hopper.

dd. 22/07/2013

HET BOEK

bibliothèque sainte genevieve

Op een dag was er iemand die mij aansprak, in plaats van ik hem. Het was een oudere man en hij had me al vaker zien rondhangen in de buurt van de trappen van de Bibliotheek, zei hij. Hij had ook gezien dat ik regelmatig iemand aanklampte, en vroeg me waarom ik dat deed.
“Ik neem interviews af,” zei ik.
“Maar je noteert niets?” vroeg hij.
“Nee,” antwoordde ik.
“Heb je een recorder?”
“Nee.”
“Je onthoudt alles?”
“Ongeveer. Ik hoef wat de mensen zeggen niet letterlijk weer te geven.”
“Nee? Waarom niet?”
“Omdat dat niet moet.”
“Ik begrijp er niks van. Doe je die interviews voor je job?”
“Nee.”
“Een hobby?”
“Hahaha! Ja, zo kunt u het noemen.”
Op mijn beurt vroeg ik hem wat hij las. Hij droeg immers een boek onder zijn arm, en zoals altijd was ik nieuwsgierig naar de lectuur van anderen.
“O, niets bijzonders.”
Het leek alsof hij het boek nog steviger onder zijn arm knelde.
“Is het een roman?”
“Ja.”
“Van wie?” Ik probeerde door het dunne zijdepapier heen de titel en de auteur te lezen.
Hij negeerde mijn vraag.
“Wat doet een jonge man als jij bijna dagelijks in het centrum van de stad?” vroeg hij. “Moet jij niet werken?”
“Ik lanterfant en praat met de mensen,” antwoordde ik lachend. “En ja, ik werk. Maar nooit in het midden van de dag. Dan ben ik hier.”
“En wat voor job doe jij dan?”
“Ik zit aan een tafel, rangschik papieren, telefoneer en af en toe loop ik wat rond of doe ik een boodschap.”
“Ben jij een klerk?”
“Als u het zo wilt noemen dan mag dat.”
“En vanwaar jouw interesse in de mensen?”
“Ze zijn fijn. Ze zijn vooral erg verschillend en veelzijdig. Ze zijn meestal vriendelijk. En ze spreken duizend talen.”
“Mmmm,” zei hij.
“Wat?”
“Zou je mij aangeklampt hebben?”
“Dat weet ik niet. U was me niet opgevallen.”
“Maar jij mij wel.”
“Ja.”
“Hier zijn we dan. Moet je me geen vragen stellen? Een interview?”
“Nee,” zei ik.
“En wat doe je met dit gesprek?” vroeg hij.
“Onthouden,” zei ik. “En blijven gissen naar wat u leest.”
Hij knelde het boek weer stevig vast maar haalde het plots toch onder zijn arm vandaan en gaf het aan mij.
“Wat nu?” vroeg ik.
“Het boek is voor jou. Een geschenk.”
“Dank u.”
“Graag gedaan.”

De Dialogen, 2.
Afbeelding: Wikipedia, Bibliothèque Sainte-Geneviève, Paris.

dd. 7/8/2013

 

EEN BEETJE

la trahison des images René Magritte

“Die Jef is een beetje gek, hij vertelt vreemde dingen over paarden en vlinders en hij staat daar meestal gewoon maar te staan, met zijn pijp in zijn hand. Een man die zo volhoudt dat paarden kunnen praten, daar moet wel een hoek af zijn, ik denk dat er van zijn hersenen inderdaad een groot stuk ontbreekt, misschien werden zij opgegeten door de ouderdom of is hij altijd zo geweest? Ooit was hij melkboer, dus hij zal zelf toch wel goed kunnen rekenen hebben, niet? En nu zegt hij dat hij niks gelooft van wat ze op de televisie verkondigen, ook niet dat de mens al op de maan geweest is en dan begint hij plots te vertellen over de supermaan van enkele weken geleden en hij zegt dat ze vanaf hier op aarde echt aangeraakt kon worden, alleen al door het licht, dat dat licht een straat was langs waar je zelf naar de maan kon en dat daar geen raketten en televisies voor nodig waren.
Hij kocht een polaroidtoestel, Jef, omdat hij geen digitale foto’s wilt, hij kent niks van digitaal en van computers zegt hij, hij wil een beeld dat nu is, een foto zegt hij, en hij wil die foto zo snel mogelijk vasthouden en voelen, in zijn handen, en op de kast zetten – hij toont me een foto van een kerktoren met vier duiven en van de begrafenisstoet van Lena van grote Marcel van Over De Beek, zij heeft haar man maar een jaar overleefd maar dat laatste jaar was voor Lena beter dan alle voorgaande jaren want sinds ze weduwe was ging Lena iedere dinsdag te voet naar de markt en in Den Groten Hert dronk ze dan telkens eerst een koffie of twee koffies en dan een Westmalle, ze zag er goed uit Lena en plots was ze dan toch dood, Jef wou een foto van haar laatste reis door de straten van de gemeente, richting het kerkhof en hij fotografeerde de begrafenisstoet, de wielen van de auto staan er niet op maar dat geeft niet, zegt Jef, want de de corbillard volgende levenden staan er wel op en daar gaat het tenslotte om hé Nikki? en ik moet zeggen dat hij gelijk had.”

Reeks ‘Jef’, zonder nummer.
Afbeelding; René Magritte, La trahison des images, ‘Ceci n’est pas une pipe’, afbeelding via LACMA, http://collections.lacma.org/node/239578

dd. 30/7/2013

MIJN NAAM IS MATTHIAS

“Matthias Toby,” zei ik.
Het gebeurde zelden dat een van de mensen die ik aanklampte mijn naam vroeg. Deze jonge dame deed dat, en ik antwoordde.
“ ‘Matthias’ is een mooie naam,” zei ze.
“Dank je!”
“Vanwaar ben je afkomstig?”
“Uit Tillier.”
“Tillier? Dat ken ik niet. Waar is dat?”
“In Wallonië. Het is een klein dorpje. Het is er erg mooi.”
“En nu woon je in de stad, Matthias?”
“Ja, in de groene rand. Ik zou niet anders kunnen.”
“En je komt iedere dag naar het centrum?”
“Ja.”
“Om met mensen te praten?”
“Ja. Ook om te werken, maar het fijnste zijn die gesprekken, natuurlijk.”
“En je spreekt iedereen zo maar aan, zoals je met mij deed?”
“Inderdaad.”
“Waarom? En hoe maak je je keuze? Wie wel, en wie niet?”
“Ik wil de stemmen van de mensen horen. Maar ik wil ook hun handbewegingen en hun oogopslag zien. En na het afscheid nemen wil ik zien hoe ze stappen. Ik kies hen lukraak. Jong, oud, dik, dun. Ik weet niet waarom ik iemand al dan niet kies, het is eerder een eenvoudig er naar toe lopen, zo maar.”
Ik zweeg even. Ik stond nooit eerder stil bij het waarom van mijn bijna dagelijkse bezigheid.

De jonge vrouw heette Michèle, was jong en mooi en slank. Ze droeg een jeans met een felgroen topje. Goede maar versleten sneakers aan haar voeten en ze had kortgeknipte maar speelse blonde haren. Gouden lokken. Het zonlicht speelde ermee, het was zo’n mooie dag.
Michèle had vlekken op haar vingers.
“Schilder jij?” vroeg ik. Ik gaf het gesprek een wending; niet ‘ik, Matthias,’ maar ‘zij, Michèle’, was immers het doel van mijn uitstap.
“Ja, het valt op, niet?” lachte ze. Ik had nog nooit zo’n mooie glimlach gezien.
“Wat schilder je?”
“Vanalles. Vanochtend begon ik aan het schilderen van een dansende vrouw. Ze is mooi, groot, ze draagt een lange zwarte jurk maar heeft ontblote schouders. Sensueel.”
Michèle pauzeerde even.
“Ze danst op moderne muziek en je ziet haar beweeglijke schouders. De schouders zouden de dans zelfs zonder de rest van het lichaam kunnen uitvoeren. Haar bovenlichaam praat door de bewegingen. Ik wil de muziek en de dansende schouders van de danseres in mijn werk leggen. Ik wil dat iemand die het werk ziet, de muziek kan horen en het ritme kan voelen. Dit schilderij van de dansende vrouw is nog lang niet af. Ik probeer wat uit, herbegin, schets, herbegin nog eens, tot ik het beeld en de bewegingen die in mijn hoofd zitten goed kan weergeven.”
“Mag ik haar zien?”
“Heu, ja, maar nu nog niet.”
“Wat doe je met je schilderijen?”
“Niks.”
“Helemaal niks?”
“Ja, toch wel. Ik toon ze aan vrienden.”
“Dat is alles?”
“Ja, dat is alles.”

pina vollmond

De Dialogen, 3.
Foto: still uit Pina Bausch, Vollmond :
http://youtu.be/wOmUCPjHJao



dd. 25/7/2013