NUMMER TACHTIG

Reflectie van reflectie van reflectie van reflectie van
de zon, de zee, de lucht, de zon, de zee, de lucht.
Een bloemenveld, het waait, naar oost, naar west,
naar oost, naar west, naar oost, naar west

en dan, het spelen van de wind, een tekening
van lucht in bloemen en in velden, weer een
spelen van de wind en dan

reflectie van reflectie van reflectie van reflectie van de
zonnen, manen, zonnen, manen, zonnen, sterren en
reflectie van reflectie van de dagen en de nachten en
de dagen en de nachten en dan, erg duidelijk,

een maan, een zon, een sterrenfirmament.
Reflectie van reflectie en een spel met bladeren in
bomen door de wind, van links naar rechts
van rechts naar links en aargh

het spelen van de wind en nog en nog, een zucht
van lucht en dan weer spelen en reflectie van het
licht en van de wind, een bloemenveld, de zonnen en
de manen, nog een zucht, een zon, het spel weer,

weer, en telkens, telkens van de wind en van het licht.

ZELFS DE GARNALEN

‘De oceanen zijn leeg,’ zei hij.
‘Wat bazel je nu?’ vroegen zij.
‘Dat er niets meer in onze oceanen zit,’ zei hij.
‘Je bent niet goed snik, we kochten net nog garnalen en kabeljauw,’ zegden zij.
‘Toch zijn ze leeg,’ hield hij vol.
‘Jij weet van niks,’ zegden zij.
Hij zuchtte en zweeg. Hij slikte en keek naar de grond.
‘O jawel. En erger nog, ze zijn dood,’ fluisterde hij.

(een oud geschenk dat vanochtend door mijn hoofd zoemde en bleef zoemen. ik moest even denken en zoeken maar dat duurde niet lang. bedankt, M)

WAAR WIT WIT WAS

Waar wit wit was, staan nu
een letter, een woord, een zin,
een gans alfabet, begot,
en een streep, en een punt,
enzovoort. Wit is er niet meer,
meer

nog, wit is echt zwart daar waar
wit geen wit meer kan zijn, enkel die
letters en zinnen en zingeving,
zogenaamd, begot, en ja, samengevat,
wit was wit en werd zwart, met
een punt, hier en daar, tot het eind.

HOP, HOP

Ja, ik ben springlevend.
Ik liep net nog door de supermarkt.
Ik reed met de auto.
Ik speelde met de hond.
Ik at zelf-geïmporteerde oesters.

Daarna begon het tellen. Tien, twintig, dertig, veertig, vijftig, zestig, zeventig, tachtig, negentig, honderd. Honderd minuten.
Meer dan anderhalf uur duurde het.
Het was een kijken.
Vijf zwaluwen, een zonsondergang, een plant die rode blaadjes moet krijgen, een rozelaar die gesnoeid mag worden, een jonge vlinderboom, een, een, een

Ik herbegon.
Tien, twintig, dertig, veertig
Ik voelde mijn keel, ze werd dichtgeknepen
Mijn ogen bewogen niet meer en mijn keel, mijn keel.

Ja, ik ben springlevend.
Ik liep net nog door de supermarkt.
Ik reed met de auto.
Ik at een stuk fruit en nog een.
Ik praatte met iemand.
Jaja, springlevend.

LICHT

Maar ik zou naar binnen moeten gaan, naar boven, naar mijn kamer, en ik zou moeten schrijven en schrijven maar ik doe het niet. Ik blijf hier zitten en kijk naar het licht van de zon in de bomen. Het is een mooi schouwspel, als een golvende zee met veranderende tinten, groen in de plaats van blauw, en ze bewegen en rollen, het is een van de mooiere beelden en ik blijf waar ik ben, beter nog, ik sta op, recht mijn rug en stap een paar meter vooruit, kijk indringend naar dat schitterende schouwspel van dit licht en de duizenden soorten groen, ruisend, bewegend.

NOORDWAARTS

Maar dat van die snee in mijn wenkbrauw is oud. De wonde is al lang genezen en het litteken is amper zichtbaar. Soms valt de flinterdunne lijn in mijn wenkbrauw me op en dan denk ik eraan dat niemand weet wat me echt overkwam. Een mens is gehaast, snelt door het leven en valt, baf!
Maar dat is niet belangrijk. Zulke dingen zijn nooit belangrijk. Zonnebloemen en zwaluwen, ja, zij wel. En de Noordpool en Siberië die branden. En de grote fabrikanten die eindeloze, zinloze en vooral verwoestende plastiek in plastiek in plastiek in plastiek verpakken. Dat dat anno 2019 nog altijd kàn en al te vaak zonder commentaar geslikt wordt, is een schande.

ZEER

Mijn rechter wenkbrauw. Het was een lelijke, diepe snee en ze bloedde erg. Ze moest zorgvuldig ontsmet en genaaid worden en de dokter zei dat ik er een klein litteken zou aan overhouden.
Nu zit ik hier, een beetje verdwaasd. Soms betast ik de wonde en dan slik ik eens. Ja, het doet nog zeer.

STRIKT VERTROUWELIJK

(Zie Titel IV, Hoofdstuk VII, artikels 9-11, 11bis, 13-14, 14bis, 14ter van de Gecoördineerde Richtlijnen)

 Art. 8-11, 11bis, 12-14, 14bis, 15-22, 22bis, 23-32. TITEL III. – DE MACHTEN. Art. 33-39, 39bis, 39ter, 40-41

Vanaf 1 juli moeten de HH. artsen, verplegers en verzorgers de verdoving van iedere reguliere patiënt met 15% verhogen. Ook die van de kinderen.

De HH. Artsen, verplegers en verzorgers worden bovendien verzocht om ons, per kerende, een lijst te bezorgen van individuen die gedurende de voorbije zes maanden niet op consultatie kwamen. De Hoge Raad zal deze individuen zelf benaderen en behandelen of, indien nodig, de verdoving onder dwang toedienen.

Geen enkel individu mag aan de verdoving ontsnappen.

Het toezicht wordt verhoogd.

Alle weerspannigheid dient ons binnen het uur gemeld te worden en de sancties vermeld in de bijlage zijn onmiddellijk van toepassing.

Hoogachtend,

De Hoge Raad van Toezicht op de Gezondheid en het Welbevinden van de Individuen van de Gewone  Bevolking.

ZIJ LIEGEN NIET

– ‘Maar’
– ‘Wat, maar?’
– ‘Misschien liegen ze?’
– ‘Nee, zij liegen niet. Zij liegen nooit.’
– ‘Ja maar’
– ‘Niks van. Zij spreken altijd de waarheid. Ze liegen nooit, echt nooit.’
– ‘Maar ik dacht’
– ‘Jij hoeft niet te denken. Zij denken. Zij spreken. En het is altijd waar, en het is altijd juist.’
– ‘Maar het voelt’
– ‘Je hoeft ook niet te voelen. Wat zij zeggen is het enige juiste. Zij zouden nooit nooit liegen.’
– ‘Maar toch’
– ‘Hou ermee op. Pas je aan. Stop met denken en met voelen. Geloof. Geloof hen nu maar. Geloof het! Geloof gewoonweg alles wat zij zeggen. Het is altijd juist. Ze liegen niet. Hun waarheid is de enige. Zij liegen echt niet, nooit.’