MIJN NAAM IS NEO

10948790944_ff697d3e47_c
(foto : Donna Kuhn)

Jef zegt dat er in den beginne helemaal niks was, vooral geen Fukushima en dat hij nog nooit eerder iets over die stad gehoord had, laat staan over Tepco.
Jef zegt dat hij het allemaal niet begrijpt, van het splijten en van de containers en van de opslag en van het gevaar.
Maar, zegt hij, er is iets met de besmetting van het water en van de lucht en er is wat met kankers die we allemaal hebben en zullen –
Er waren al zo veel duizenden bommen en proeven en baf ontploffingen en we leven toch ook nog, zei een expert, zegt Jef.
(Een nuchter iemand, verstopt in de coulissen maar altijd aanwezig, zegt: ‘Ja, vandaar, we hebben allemaal kanker’) (herhaling)

Jef zegt dat er in den beginne helemaal niks was, geen drukte in de straten maar ook geen mannen met een M-manie om bommenwerpende ruzie te maken
– en vrouwen.
En dat er geen zelfontploffers

en geen duizenden tonnen vet in de riolen
en geen instortende sportstadia
en geen misrekende bruggen
en geen valse dokters
en geen euro’s en dollars

(een andere stem, ook uit de coulissen, zegt: ‘Maar alvorens ik u begin te vervelen’)

Er woedt een Kerstmissfeer.
Er woedt een nieuwe mode: de kerstbomen werden gehalveerd.
En nieuwe materialen – zijdezacht, en wee, van kleur.

Terwijl de solden van Rimbaud
en een wijnrank van Pavese
Terwijl de kracht van Whitman
en een tekening van Blake

– sta ik hier, Neo. Ik ben de Baas van de Stadions
er woedt het voetbal
en veel mensen

Ik ben vooral: de Baas van Vrede
en baad mijn handen, sprankel water over al die godverdomse hoofden

wijs hen op nog groter en nog meer gejoel, op deze aarde
maan hen, ‘rustig, rustig’
maan hen, in een poging

Advertenties

CUBERDONS

“Drie kilo.”
“Drie kilo? Maar Jef, dat is toch veel te veel?”
“Niks van. Ik wou drie kilo. Een kilo neuzen en een kilo muizen. De rest is drop in allerlei vormen en soorten, hard en zacht en zout en zoet.”
“Jef, dat is toch niet gezond?”
“Kan me niks schelen. Verse cuberdons. Die eerst.”

cuberdons

foto via http://www.grenswetenschap.nl/permalink.asp?i=4028

JEF ROOKT. ZIJN PIJP. (2/2)

Bovendien, zegt Jef, zijn mensen mieren geworden want hij zag op televisie dat in steden zoals New York of Londen en de voetpaden en de weerspiegelingen in de blinkende gevels van de gebouwen en in het glas
Jef rookt.
Zijn pijp.
Hij kijkt naar de blauwe lucht.
Straks de school.
De straat, het zebrapad.
De kinderen, de fietsen.
Vrolijk.
Jef rookt.
Zijn pijp.
Een fabel over een mier en drie olifanten en een glazen huis ten voordele van een nieuw goed doel en de media-aandacht en nog een mier en een zebra en 33 grote kikkers.
(en de mensen zeggen ‘Jef is een beetje zot’ en ze kennen hem zo en ze vertellen het zo voort bij de bakker en de slager en aan de telefoon met hun vriendin of hun moeder of whatever, ‘moet je weten’ en dan praten ze over iemand anders en ‘o je wist het al maar’ en zo voort maar nee hij is niet gevaarlijk alleen dat van die paarden)

JEF ROOKT. ZIJN PIJP. (1/2)

en Jef zegt nog altijd dat de paarden kunnen praten en een week later zegt hij dat alle dieren praten en hij gaat naar de dierentuin om eens te kijken en te luisteren en inderdaad, tot de slangen toe, lange gesprekken voert hij, zegt Jef, en dat hij beter fabels zou schrijven dan met de gewone mensen te praten en hij vindt ter plekke een kaketoe met een verhaal uit.

marika hackman

Afb: Marika Hackman – That Iron Taste. Link naar Soundcloud.
(1 moment)

OF SPELLETJES

“Jef?”
“Ja, Marie?”
“Wat is dat met de jeugd van vandaag?”
“Wat bedoel je, Marie?”
“Waar zijn ze?”
“De kinderen, Marie? Die zijn op school.”
“Nee, dat bedoel ik niet, Jef. ’s Avonds. In het weekend. In hun vrije tijd. Wat doen ze?”
“Dat weet ik niet. Misschien kijken ze televisie?”
“Of misschien maken ze hun huiswerk.”
“Maar straks is het vakantie.”
“Ja, vakantie. Wat doen ze dan?”
“Ik weet het niet. Misschien gaan ze op reis? Of op kamp met de scouts?”
“Ja. En wat is dat met hun computers?”
“Wat, met hun computers, Marie?”
“Ze hebben allemaal een computer.”
“Ja. En een telefoon.”
“Ja. Een GSM.”
“Ja. In Nederland zeggen ze ‘een mobieltje,’ denk ik.”
“Ha ha. Maar wat doen ze ermee?”
“Ik weet het niet, Marie. Ik ken er niks van. Ook niet van computers.”
“Ik ook niet. In onze tijd…”
“Ja, in onze tijd, maar onze tijd is voorbij.”
“Jaha. En hier staan we.”
“Ja. We praten over de jeugd.”
“Over wat ze doen.
“Studeren. Of niet. Computers. Feestjes. Brommers. Vrienden. Of spelletjes!”
“Ja, spelletjes, ook. Op hun telefoons.”
“Of op de televisie. Of op andere machientjes.”
“Hoe laat is het, Jef?”
“Bijna vijf uur.”
“Goed. Liliane komt dadelijk.”
“Ha, dan zie ik haar ook nog eens.”
“Ja. En mijn achterkleindochter.”
“Ja.”

VALLENDE MAN

“Ik heb gedroomd dat duizend mannen naar beneden vielen.”
“Mannen, Jef? Duizend?”
“Ja Nikki, enkel mannen, maar ik heb ze niet geteld, met ‘duizend’ bedoel ik gewoon ‘veel’.”
“En hoezo, ‘vallen’, Jef?”
“Ze vielen uit de lucht, baf, recht naar beneden, boenk in de wei, boenk, boenk, ik stond er naar te kijken.”
“Waren ze dood, Jef?”
“Nee, ze waren zelfs niet gewond. Het was een droom, dat zei ik.”
“En dan, Jef? Wat gebeurde er dan?”
“Niks. Ze stonden op en wandelden weg alsof er niks gebeurd was. Sommigen keken op hun uurwerk en liepen wat sneller dan de anderen, misschien moesten ze naar hun werk of naar een afspraak. Anderen bleven dan weer staan praten of telefoneren. Eentje ging zitten, midden in de wei, en haalde een mondharmonica boven.”
“Een mondharmonica, Jef?”
“Ja Nikki, dat zei ik toch. Hij speelde een deuntje. Ik hoor dat deuntje nog altijd, het zit in mijn hoofd.”

dylan_harmonica

Foto via The Strut

EN HET MANNETJE BLAAST DE BALLON

Jef zegt:
“Oei en ze zitten vast in hun rooster van negen tot vijf en daarna in het andere rooster van het eten en dan nog een van de televisieprogramma’s, het is tijd voor de soap.

Een klein mannetje struikelt over een van de draden van het rooster want zijn auto moet naar de garage maar het mannetje weet niet wat hij moet doen zonder die auto, hoe moet hij naar huis, hoe moet hij naar het werk, hoe moet hij het toiletpapier en het vlees voor vanavond – maar gelukkig bestaan er vervangwagens, hoe veel kost dat per dag en dan toch liever zonder maar hoe dan het werk?

En oei de soap valt weg wegens een voetbalmatch en oei de voetbalmatch valt weg wegens een overstroming en oei de overstroming valt weg wegens te veel sneeuw.

Het mannetje herademt.
Hij heeft zijn auto terug. Hij kan naar de frituur, hij kan naar de markt, hij kan naar de supermarkt en naar de dokter.

Oei en daar is dat andere rooster van koffiekoeken op zondag maar de bakker is gesloten en de betaalterminal is defect en de zondagskrant is er niet en ai, oei,

En het mannetje blaast de ballon tot de ballon groter is dan de parochiekerk en er komt een ander mannetje met een lange naald en de ballon zegt ‘plof’ en het eerste mannetje reageert geschokt en maakt zich zorgen over de kerk en over de koster en over de stoelen – die waren weliswaar aan restauratie toe  maar wat als?

En zo kabbelt het leven voort, langs auto’s en hun kerkhoven, langs voedsel en de kant en bijna klare maaltijden (er werd een nieuwe slogan uitgevonden!), langs om ter meest en om ter grootst en er worden kortingen gegeven maar het eerste mannetje maakt van diezelfde ballon nog altijd een olifant zo groot als de parochiekerk en hij denkt niet meer aan de stoelen, noch aan het altaar, noch aan de koster, noch aan de bloemen van de lokale mevrouwenkrans.

Hij denkt aan zijn auto die nu toch weer in de garage staat want de alternator, zie je, en het volledige laadsysteem en een nieuwe auto is veel te duur en hij wil geen nieuwe, hij wil zijn oude om naar het werk en naar de bakker en zo voort, maar de automensen hebben gezegd dat hij een tweede en een derde want de fabrikanten en de verzekeringsmaatschappijen moeten groot en groter en zij moeten hun geld in zichzelf en in hun banken – prop, prop, tot een ader dichtslibt en het hele systeem en zo voort en zo voort.

‘Ach,’ zegt het mannetje.
Hij is weer gestruikeld, hij heeft de voet in het gips, hij kan nu toch niet etc etc en hij leest in een boek over een woud en over een klein huis met een groentetuin en het mannetje denkt ‘Zou ik dan?’ maar hij blijft in zijn woonkamer en met zijn voet in het gips tot de voet oké en tot de auto oké en hij betaalt de rekeningen want hij moet terug naar het werk en de boodschappen en hij wil die kant en bijna klare maaltijden van de nieuwe slogan proberen, punt.”

sol lewitt 1
Afbeelding: Sol LeWitt in het Bonnefantenmuseum, Maastricht (foto van Peter Foolen)
Sol LeWitt: via MB, met dank.