OF ZIJ, OF HIJ

Hij was de ganse dag bij zijn broer.

Zij was alleen thuis. Ze genoot. Tokkelde wat op haar telefoon, vulde een kruiswoordpuzzel in, las de weekendkrant, zat in de tuin en keek naar het groene, naar de lucht, naar de overvliegende vogels en vliegtuigen. Na de middag werd het echt warm, ze dook het zwembad in en bleef dan lekker lui in de zon liggen.

Rond vijf uur stuurde ze hem een bericht, om te vragen hoe het ging. Geen antwoord. Ze wachtte een uur, stuurde een tweede bericht met drie uitroeptekens. Geen antwoord. Rond halfacht probeerde ze hem te telefoneren maar kreeg de voicemail. Ze sprak in dat ze zat te wachten, dat ze niet kon verdragen dat hij niet antwoordde, dat ze zich zorgen maakte, dat ze een hekel had aan alleen zijn. Hij belde niet terug. Ze wachtte. Ze wachtte.

OF ANDEREKLEUREN

FNAC zegt dat ik een nieuwe telefoon nodig heb en ik zeg ja.
Ik vind dat die in de vijver past en ik neem een lange lat.
De telefoon zegt dat de vijver bezet is en maakt rechtsomkeer.
‘De hoge bomen,’ declameert hij, en de vinken, en dat hij het zal bekijken.
Hij twijfelt, zet zich off, roert zich in zijn slaap, wordt wakker.
‘Het kan me niet schelen,’ roept hij en hij wordt wit, rood, oranje, voetbalpaars.
‘Nergens, nergens,’ zegt hij.
‘Nergens! Nergens!’ roept hij, tot het nacht wordt en de uilen hem tonen hoe het moet; het roepen, het draaien, het zich naar de maan keren en naar de sterren, de nacht.
‘Ach, och,’ zucht de telefoon. Hij oefent en woelt met de kleuren, snelt terug naar de vijver.
‘Ach, ach,’ zucht hij en ‘Jaja, bezet, ik ben het beu om te wachten!’ dreunt hij en maakt voor de zoveelste keer rechtsomkeer.
‘Het deert me niet, nee, nee, echt niet!’ zegt hij en wordt nu rood, blauw, zwart en – baf! – verpulvert, automatisch.

GEREDUCEERD TOT EEN DIKKE RODE VILTSTIFT – DEEL 3/3

Vanaf nu moet u nu ook voor volgende activiteiten schriftelijk toelating vragen. De normale procedures en termijnen voor binnen- en buitenactiviteiten zijn van toepassing.

Binnen:

Het lezen van tijdschriften die niet op de huidige lijst staan.

Het lezen van boeken die niet op de huidige lijst staan.

Telefoongesprekken binnen uw zone.

Emails van vreemden beantwoorden (ttz van mensen die niet op de door u gegeven contactpersonenlijst staan)

Emails aan vreemden versturen (idem)

Alle nachtelijke activiteiten, zonder uitzondering, zelfs toiletbezoeken.

Een andere soort zeep gebruiken.

De hond borstelen.

Buiten:

Madelieven tellen.

Een verrekijker gebruiken.

Langer dan vijf minuten langs een vijver wandelen.

Telefoneren, tenzij in levensbedreigende situaties.

Beachvolleybal.

Nieuwe goudvissen uitzetten.

De hond borstelen.

De volledige lijsten vindt u op www.fgov.be

GEREDUCEERD TOT EEN DIKKE RODE VILTSTIFT – DEEL 2/3

Alles is verboden, ook de combinaties.
Idem voor de getallen.
Volledige lijst op www.fgov.be :
A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
AA
AB
AC
AD
AE
AF
AG
AH
AI
AJ
AK
AL
AM
AN
AO
AP
AQ
AR
AS
AT
AU
AV
AW
AX
AY
AZ
AAA
AAB
etc.

GEREDUCEERD TOT EEN DIKKE RODE VILTSTIFT- DEEL 1/3

Het is wat het is. Maar dat dachten we vroeger ook, en we dachten dat wat toen was, zou blijven. Het bleef niet. Wat was is niet meer, het is, letterlijk, wat was gebleven. We hopen dat wat nu is zal blijven maar we zijn niet
(er zijn nieuwe verbodsregels)
zeker. We houden ons vast aan wat is, maar voor de week om is is wat is wat was geworden. Het is niet
(er zijn alweer nieuwe verbodsregels)
anders. We weten het niet meer. Wat is was niet gisteren. Wat is is nieuw. Zal wat is morgen nog
(de nieuwe verbodsregels die vandaag werden gestemd zijn vanaf middernacht van toepassing)
wat is zijn? Of is het dan weer wat was geworden? En wat met
(de nieuwe verbodsregels werden weer aangepast)
overmorgen, volgende week, volgend jaar, over vijf
(u vindt ieder woord van de nieuwe verbodsregels op de grote uithangborden aan de voorgevels van de gemeentehuizen)
of over tien jaar? Zal wat was ooit terug wat is worden? Wat moeten we doen? Want het is toch wat
(u moet zich aan de nieuwe verbodsregels houden of lijfstraffen worden toegepast)
het is? Dat zou toch zo blijven? Of is wat was altijd beter? Wat is het nu? Ik weet het niet. Is het echt wat het is? Definitief?

VAN OOGBOL TOT PUS

Beste,

Gisteren strooide u zand in de ogen. Vandaag doet het pijn en schuurt het. Morgen zweert en ettert het. Overmorgen zijn de mensen hun ogen kwijt.
Wij bevelen u dan ook om, uiterlijk vanavond, de zandkorrels een voor een en met de nodige voorzichtigheid te verwijderen.

EDB
Hoofd van de Commissie ter Bestrijding van het Eeuwige Zand in de Ogen.

SOME SUBMARINE

Hij streelde haar wang, haar haren, zij schuifelde zacht met de voeten, friemelde met de vingers, keek hem aan, glimlachte verlegen. Hij nam haar gezicht in zijn beide handen, keek haar recht in de ogen, bleef kijken, zij keek terug, nog steeds met dezelfde glimlach. Plots schalde muziek. Ze schrokken allebei, hij sprong op, riep verrast ‘The Beatles!’ en liep naar het raam, wat gebeurde daar? Zij stond ook op, wachtte een minuut, nam haar handtas van de tafel en liep zacht naar de deur. Hij merkte niet dat ze er niet meer was, klapte in de handen en zong vrolijk mee.

KORTE LINK NAAR ROOD

‘Ik hou het kort. Het zijn lange dagen. Er zit een spin in het bad. Ik sproei. Er zit geen spin in het bad. Het is koud buiten, kouder dan verwacht. Waar is mijn trui? Daar, een vliegtuig. Daar, een duif. Twee. Drie. Daar, een kwikstaartje. Twee. Drie. Vier. De hond wil er mee spelen. Het is geen hond. Het is een mini-beer. De buurvrouw roept. Iets over de aardappelen. Zes stuks zegt ze. Huh zeg ik. Ze is al terug naar binnen. Wuift nog. Een camionette. Wat doet dat verkeersbord daar? De gracht. De boeren. De jonge met de spade. De oude met de orders. Een kraan. Waar is de gracht zeggen ze. Nog een buurman. Ook over de aardappelen. Huh. Over de bieten. Over de maïs. Hij wordt geroepen. Drie vliegtuigen. Een voorbijrijdende auto. Stipt. Het is halfzeven. Altijd om halfzeven. Een groet. Een koude en blauwe lucht. Jonge boeren. Oude boeren. Rood in het oosten. Rood in het oosten. Rood in het oosten.’

VAN DE HAK OP DE TRAP OP DE TAK. AKA DE SCHITTERING VAN DE DAGEN.

‘Er is een gemis, een verlangen naar, een verlangen naar verlangen, dat ook,’ zei ze, ‘maar wat blijft is de bodem van de kast, de kast zelf, de laden, de deuren en ze zal jaren blijven staan als houvast, als symbool, als stabiel baken, onveranderlijk, onverwoestbaar. De dekens passen er allemaal in, zo ook de kookpotten, de volledige voorraad droge voeding, zelfs het tuingereedschap, de lange hark, de grasmaaier, de kruiwagen,’ zei ze, ‘en de lelies, en de blauwe bodembedekkers, en de groene, en de witte van de buren, maar ik verkies de zeldzame blauwe met het grote donkergroene blad en de hortensia’s die nu klaarstaan, nog beschermd door hun groene knoppen, Freudiaans groen, ik bedoel de kunstenaar, de enige van vandaag,’ zei ze, en dat het zeer deed aan de ogen.

En ze herhaalde, bleef herhalen, ‘het is wat het is, het is niet anders, het kan niet, maar langszij, een kleinood, een A4, een vreemde naam linksonder, een tussen de handen mogen houden.’

Er kwamen drie, nee vier konijnen uit de kast gehuppeld maar de grootste verrassing was, dat die konijnen konden praten. Ze hadden het over het weer van de laatste dagen, over de regen, de storm, de donder en bliksem en daarna over de regenbogen en nog wat later over de blauwe lucht. Plots dacht het grootste konijn aan die ene tuin, en het zei tegen de andere konijnen dat de mensen van het hoekhuis, jeweetwel, dat huis met de grote moestuin, dat die met vakantie waren en dat de moestuin!
‘Hoera!’ riep het kleinste konijn, en ze maakten een plan, overdag, nee, dat was geen goed idee, maar ’s ochtends vroeg!

ELFENDERTIG

Elf. Elf colli’s in de nachtbox en vandaag moet ik die jammer genoeg zelf uithalen. Dat wordt zeulen, stapelen, snijden, paklijsten vissen. Dan het vaste werk; overlopen, inboeken, etiketten printen, uitpakken, kleven, sorteren, wegleggen of -zetten.
En dan al het andere. Ik kreun.
‘Kafka,’ zeg ik tegen PJ. PJ lacht.
‘Herlees Kafka,’ zegt hij.
Zou het helpen?

Boven mijn hoofd, door de koepel, hoor ik het kabaal van de duiven. Het stoort, maar het zijn maar duiven. ‘Er is niks aan de hand,’ zeggen die. ‘Het is al licht en er is het vooruitzicht van de lente, morgen, overmorgen. ‘Het is licht, LICHT,’ roepen ze. Ik draai mijn hoofd naar links en ik zie het.