EN DE TEMPERATUUR BLIJFT STABIEL

Ja ik loop op de rand en of dat veilig is weet ik niet zeker maar ik ben er gerust in. Links zie ik de donder en de bliksem en de hagelinslag en rechts zie ik het groene en het blauwe en daar ben ik Alice in Wonderland. Het is nu eenmaal zo en er komen soms wat beren en hagedissen aan te pas maar van vampiers is al een tijd geen sprake meer, die heb ik kunnen wegjagen en blijkbaar voorgoed.

De rand, jaja, maar geen enkele afgrond. Hier en daar een veilige grot, ik hou me bezig met muurtekeningen. Ik heb enkele hardstalen nagels meegebracht en ik kras en kras, een beitel zou ook handig zijn, dat moet ik onthouden. En een andere ketting en tandwielen van verschillende steek, dan kan ik de snelheden van de tijd en van het licht en het donker aanpassen.

Advertenties

GEEN DONKER

De feiten:
Appartement 1 : Ik opende de deur van de bibliotheek en keerde ieder boek binnenstebuiten. Ik staakte mijn zoektocht toen ik een van de walvissen van Herman Melville tegenkwam.

Appartement 2: Ik begon in de badkamer, in de stapel kleren, ik vond een rode jeans, ik vond een bruine trui. Ik zag de schimmels in de hoge kasten en in de voegen van de tegels van de douche. Ik vond een bad-eend!

Appartement 3: Op de deur hing een briefje; of we de stilte wilden bewaren.
‘We’?
Ik was alleen. Ik zeulde mijn een meter vijfennegentig door een van de lage deuren van het appartement. Wie woonde hier? Een kleine oude vrouw? Een kind? Ik vond drie kleurboeken en ik vond een kantkloskussen. Ik vond een houtbewerkingsmachine – klein formaat. Ik vond maar liefst vier vergrootglazen.

Appartement 4: Water. De man of vrouw die hier woonde verzamelde water van alle merken. Spa, Evian, witte en blauwe producten in grote en kleine flessen. Ik stootte op een kast met talloze flesjes met opschriften: ‘Cherbourg,’ ‘New York’, ‘San Francisco’, ‘Oostende’, ‘Maas’, ‘Rupel’.

Appartement 5: Ongezien. Drieëndertig mensen, alle drieëndertig even groot, even breed, dezelfde ogen, dezelfde haren. Idem voor hun jeans, hun hemd, hun schoenen. Idem voor de bewegingen van hun handen, voor de woorden die ze spraken en voor de papieren die ze in hun handen hielden. Ze declameerden. Ze declameerden. Ze declameerden.

Appartement 6: Dat van de olifant en de mier, dat klopt niet. Het ging namelijk over een olifant en drie mieren.

Appartement 7: De donkere kamer. Licht floept en licht floept niet. Chemische producten. Een waslijn met wasknijpers, alsof in een film. Iemand heeft als hobby, dubbele punt, ‘landschappen’ en ik zag glooiingen, stranden en bossen.

Appartement 8: Niets is zeker. Alice in Wonderland en haar deur. Een konijn, een egel, een kabouter, een sprookje en een vertelling uit andere tijden. Drie vrouwen met hoofddoek, drie vrouwen zonder, een bos met paddenstoelen aan de voeten van de stammen van al de bomen, een andere deur, en, opnieuw: Alice.

Appartement 9: Leeg. Helemaal niks. Geen gordijnen, geen tafel, geen stoelen, geen portretten. Geen behangpapier met motieven, geen spikkels in de tegels van de vloeren. Geen licht en geen donker. Leeg.

Appartement 10: Een hamster met duizend blikken sardines. Ik keek de hamster in de ogen en vroeg waarom hij dat deed, maar de hamster kon niet praten.

hopper williamsburg bridge
Edward Hopper, From Williamsburg Bridge, 1928