DE CAMERA BEWAAKT

Een oude vriend van me had enorm veel boeken. Telkens ik hem opzocht, overviel me de geur van al dat papier, zijn huis was er van doordrongen en ik vond het een fijne gewaarwording, plus het uitzicht op al die ruggen met miljoenen woorden achter zich, rijkdommen, verhalen, belevenissen.
Zelf las ik bijna nooit een boek en hij heeft een paar keer geprobeerd om me een leesgenoot te maken, maar dan antwoordde ik telkens dat ik veel liever naar de mensen keek, zij zijn duizenden verhalen op zich en die verhalen volstaan voor een eenvoudige man als ik. Daar moest hij dan mee lachen, en hij zei dat ik waarschijnlijk gelijk had, maar dat Dostojevski, bijvoorbeeld, mijn plezier alleen maar groter zou maken – de details van de beschrijvingen van de aard van de mens, zei hij.
Hij rookte de pijp, net als ik, maar hij deed dat nooit tussen zijn boeken, hij wou niet dat zijn boeken naar sigaren stonken, zei hij.
Hij overleed een jaar of tien geleden en ik heb geen idee wat er met zijn boeken of met zijn huis gebeurd is, hij had geen kinderen, was nooit getrouwd geweest tenzij met zijn boeken en met zijn werk – hij gaf les, ook bij hem thuis, ‘de jeugd met de literatuur laten kennismaken’, zei hij, ‘de kracht van de verhalen, de rijkdom van de beschrijvingen, het goud van de literatuur.’ Voor veel van zijn studenten maakte hij lijsten ‘op maat’, dat waren ‘te lezen lijsten’, met telkens een titel of twintig, de rest moesten ze dan maar zelf uitdokteren, zei hij, en ze moesten zelf beslissen of ze na het afwerken van hun lijst zouden blijven lezen, of niet. Hij hoopte om hen zo een duw in de goede richting te geven, om hen verschillende meningen en standpunten te doen begrijpen en, misschien vooral, om hen beter te leren kijken en open te staan voor alle kleuren die de mensen kunnen hebben; zwart, geel, zelfs oker en donkergroen, zei hij grinnikend, en hij sloeg dan met zijn vuist op tafel omdat hij vond dat hij moest benadrukken dat de mensen alle kleuren van veel meer dan de regenboog konden en mochten hebben.

Hij las me eens een stuk voor uit een van zijn Dostojevskiboeken. Hij zei dat ik goed naar de beschrijvingen moest luisteren, maar ik kon me niet concentreren, de stem van mijn vriend was geen goede voorleesstem en haperde hier en daar. Ik lette dan ook meer op het kraken van zijn stembanden dan op de tekst maar ik hoorde zijn lach doorklinken:
‘En wederom verstomde hij en klemde de handen in elkaar, en andermaal dook Doenetsjka’s gestalte voor hem op; hij zag, hoe zij na een eerste schot de revolver liet zakken, hem met een doodsbleek gezicht aankeek, zodat hij haar twee keer had kunnen beetpakken zonder dat ze gelegenheid zou hebben gehad haar hand op te heffen om hem af te weren, ’
Als mijn vriend merkte dat ik niet goed luisterde, berispte hij me, en zei hij dat ik veel miste door niet te luisteren, of door zelf niet te lezen, en ik herhaalde dan dat de mensen zelf voor mij de enige en echt te lezen boeken waren, en dat ik de bewegingen en de gesprekken zag en hoorde in hun lichaamstaal en in hun woorden, in levenden lijve, pochte ik. Ik vertelde dan over de voorbij fietsende kinderen, of dat ik had gezien dat ze de krantenwinkel overspoelden en een aan de jeugd voorbehouden plezier beleefden aan het kiezen van snoep, en dat ze onderling stonden te overleggen wat ze zouden kopen, terwijl de mevrouw van de winkel hen met 1 oog in de gaten hield want er zitten af en toe dieven tussen, beweerde ze. De vrouw had kanker en ook haar zoon was ziek, soms was de winkel wekenlang gesloten en bovendien hadden ze hem eens overvallen, op een zaterdag rond half zes ’s avonds, nu sloot ze altijd al om vijf uur, zo vroeg op de avond waren er nog geen overvallers op pad en dan zouden ze haar met rust laten, hoopte ze. Ze kreeg een camera van de gemeente, die hangt ook nu nog aan de overkant van de straat en bewaakt de winkeldeur.
Als ik zo aan het vertellen sloeg dan klapte mijn vriend zijn boek dicht en luisterde hij naar wat ik vertelde. “Je hebt geen ongelijk,” zei hij dan weer.

Citaat: Dostojevski, Schuld en Boete, deel II, zesde deel, [6]

BLOEM

Maar het is dat de ene Chinees de andere vertrappelt
en dat de wereld op z’n vuilnisbakkop staat
en dat de wereld de bloemen vergiet

so, hier en daar, on whatever new ground;
een lelie, een alpenroos, een madelief.

Maar het is dat de ene mens de andere
en dat de wereld de wereld

so, hier en daar, on whatever new ground;
een nieuwe lucht, een adem, een groenrode  halm.

220
Illustratie: Eva Vanderstappen, voor Merel en Mus.

DOSTOJEVSKI

‘Maar dat kan ik je onmogelijk verklaren. Zie je, jullie passen voortreffelijk bij elkaar. Ik heb al eerder aan jou gedacht. Je eindigt toch daarmee. Is het je nu niet totaal onverschillig of dit eerder dan wel later gebeurt? Kerel, hier heb je zo iets als een peluw-beginsel, maar niet alleen dat van de peluw: Je wordt hier naar toe getrokken; hier is het eind van de wereld, hier gooi je je anker uit, hier is een kalme haven, de navel van de aarde, de drievissige basis van de wereld, de essence van de pannenkoeken, van de vette vispasteitjes, van de avondsamowar, van de stille zuchten en de warme katsaweïka’s, van de verwarmde lejanki, in één woord het is alsof je gestorven bent en tegelijkertijd nog leeft; je geniet beide voordelen tegelijk.’
(F.M. Dostojevski, Schuld en Boete, Derde deel, [1])

dd 17/6/2013