EN VOOR DE LIEFDE HE

Jef, we moeten shoppen.
Ha ja, Nikki?
Ja Jef. Zo zegt de reclame. Ik hoor de spots al dagen op de radio.
Tja, Nikki, dan moet je dat doen.
Jij niet, Jef? Een nieuwe televisie? Een nieuwe trui?
Nee Nikki, ik heb niks nodig, ik heb genoeg.

Jef?
Ja, Nikki?
Mijn vriend zegt dat hij voor mij een gouden armband wil kopen.
Aha.
Hij zegt dat hij met die armband zijn liefde zal bewijzen. Het zal een erg mooie armband zijn, zegt hij. Van witgoud.
Amai Nikki, witgoud, dat is mooi.
Dat is duur hé Jef.
Ja Nikki. Maar zo ben je zeker. Het zal een mooi geschenk zijn.

Jef?
Ja, Nikki?
Hij verwacht dat ik voor hem ook een juweel koop.
Een gouden armband, Nikki?
Of iets anders, Jef. Ik moet toch ook iets kopen hé Jef? En het mag wat kosten.
Ja, Nikki. Een gouden armband. Met een gouden slotje.
Ja, Jef. Zoiets.
Je moet immers shoppen hé Nikki?
Ja, Jef. Zo zegt de reclame. En voor de liefde hé Jef.

ANNICK – ONTPLOFFEN

Die ene collega die hetzelfde moet doen als ik, hij is een onmens. De ruit van zijn reachtruck is stuk (zijn eigen stomme schuld) en hij pikte de mijne. Ik moest met die van hem rijden. Vanavond, net voor ik naar huis ging, dieje gast was al weg, heb ik de sleutels van mijn reach getrokken en verstopt. Ik wil niet dat hij met mijn reach rijdt. Hij kan morgen zelf in de kou zitten en ontploffen.

DOORBOORD

Vandaag, mijn vriend, zijn ze er in geslaagd, mijn vriend, om meer dan honderd kinderen de dood in te jagen. Vandaag, mijn vriend, tonen en zeggen de moordenaars dat ze onverdraagzaam zijn en zullen blijven, en dat er nog meer doden zullen vallen.

Ondertussen, op een ander deel van onze planeet, kloppen minstens vijf bedrijfsleiders zich op de borst en roepen zij dat zij de beste zijn, dat zij de prijs voor de beste ondernemer verdienen. Wij, op dit verre deel van de planeet, wij hebben geen tijd voor de nieuwsberichten over de doden. Enkel dat ene journaal over onszelf, de groten, de vijf bedrijfsleiders, is belangrijk.

Vandaag, mijn vriend, kleurt de aarde voor de zoveelste keer donkerrood. Het is het donkerste rood van bloed, met in zich de meest schuldige voetstappen, mijn vriend.

Op een ander deel van onze planeet wordt er om nog meer prijzen gevochten. Prijzen van beste reportages en liedjes, prijzen van bestverkopende boeken, prijzen van duurste medicijnen, prijzen van mooiste dassen en mooiste outfits op weer een volgende prijsuitreiking. We trekken ons van de doden en van het donkerste rood van het bloed helemaal niks aan, we willen enkel checken of onze dassen rechtzitten en of onze haren in de juiste plooi liggen, want een andere plooi zou wel eens verkeerd geïnterpreteerd kunnen worden.

Vandaag, mijn vriend, huilen en schreeuwen de harten van diegenen die de dode kinderen zagen.

Op een ander deel van de planeet is er een enorme overvloed aan eten. We gooien per dag tonnen en tonnen voedsel in de vuilnisbak. We zeggen dat dat normaal is, en bedekken het afval met een of andere politieke vlag en met onze oprechte excuses.
We trekken de context uiteen en zeggen dat we het beter doen en weten dan onze collega’s, en we sleuren hen eens goed door het slijk, alsof we niks anders te doen hebben.
Misschien hebben we inderdaad niks beters te doen. Misschien moeten we terug wat normaler wezen, en in onze tuin zitten, en het onkruid wieden, en naar onze kinderen kijken.

Vandaag, mijn vriend, stierven ze. Hun lichamen werden doorboord, mijn vriend. Hun lichamen werden doorboord, mijn vriend. Hun lichamen werden doorboord.

Op een ander deel van onze planeet bekvechten wat parlementariërs en politici. Over het al dan niet nemen of uitstellen van duizendste beslissingen, over hun namen in de kranten (‘Hoe groot en vet was jouw lettertype?’) Over het al dan niet rijden met kleine of grote auto’s, met fietsen, met gratis of betalende bussen en treinen. Over een postje links of rechts. Over ongeacht, maar dan ook ongeacht wat.

Vandaag, mijn vriend, breken onze harten. Vandaag worden we weer eens wakker. Vandaag, mijn vriend, denken we weer eens iets meer dan anders aan de zoveelste tientallen doden.

Op een ander deel van de planeet stroomt de slagroom over de roltrappen van de winkelcentra. Lego-speelgoed springt er door de uitstalramen. De geuren van honderdduizenden soorten parfum vullen er de wandelgangen. We weten dat al die parfums op ons wachten. Zelf kunnen we niet langer wachten, we springen in onze auto en rijden er naartoe. We moeten en zullen ze kopen.

HET SPROOKJE VAN DE GROTTENMAN

kieslowski
Still uit Dekalog 1, Kieslowski

Maar het ene sprookje is het andere niet en de schrijver van dat andere zegt dat de huid van de ijsbeer een halve eeuw bleef liggen en dan in goud veranderde. Het kind vond het goud en leerde hoe het van het goud kon eten en drinken en zo kon het overleven – helemaal alleen in een hoge grot.
Het kind groeide en groeide, at en dronk van het goud zonder dat de hoeveelheid verminderde.
Als het kind volwassen was, nam het een deel van het goud en verliet het de grot. Hij liep de wereld in, trotseerde de ijsvlaktes, overwon de hoogste bergen en zwom naar het vasteland. Daar leerde hij de mensen kennen. Mannen, vrouwen, kinderen. Hij ontdekte de huizen waar ze in leefden, hij ontdekte hun fabrieken en scholen, hun sportzalen, kantoren en auto’s, hun bezigheden.
Hij begreep het niet.
Hij begreep het nog minder toen hij zag dat iemand een deel van zijn goud wegnam.
“Wil je wat goud?” vroeg hij. “Hier,” zei hij.
De dief nam het goud in ontvangst en maakte zich uit de voeten.
De grottenman keek hem na.
“Wat is dat toch met de mensen?” vroeg hij zich af.
Hij haalde de schouders op en keek naar de hoge huizen.
“Ik woon liever in mijn grot,” dacht hij.
Hij maakte enkele vrienden. Ze vonden zijn goud erg bijzonder.
Een van die vrienden nodigde de grottenman uit in zijn appartementje in de Modelwijk, vooraan in Brussel.
“Breng gerust wat van dat goud mee,” had de vriend gezegd.
De grottenman keek zich de ogen uit. Al die appartementsblokken! Al die deuren! Al die gangen! En dan de kamertjes, waar de mensen in leefden!
Een week later keerde grottenman terug naar zijn grot. Hij liet het goud bij zijn vrienden. Die probeerden hem te volgen maar moesten hun poging staken toen grottenman de zee in dook. Hij trotseerde ook nu weer de hoogste bergen en de ijsvlaktes. Hij leefde nog lang en gelukkig in zijn grot, at en dronk van het goud zonder dat de hoeveelheid verminderde. Hij keerde nooit meer terug naar de wereld maar dacht er nog vaak aan.
“Mensen zijn vreemde wezens,” vond hij.

ANNICK – DAG ZESTIEN

Ik lees geen kranten meer. ’s Avonds ben ik te moe en na het eten val ik dadelijk in slaap. Mijn huis is een mesthoop, ik moet kuisen maar ik heb geen energie. Morgen moet ik al om vier uur vertrekken, er is te veel werk en ze vonden nog altijd geen derde reachtruckchauffeur. Vier uur is erg vroeg, ik kan het niet, ik zal nooit een vroege vogel worden.

NOG KLEUREN

LeWitt05
“Een mens zou er vrolijk van worden. “
“Van wat, Jef?”
“Van al die kleuren.”
“Ja maar, Jef, je begreep het toch niet?”
“Nee, Nikki, nog altijd niet.”
“En wat zei je, Jef? Dat je er vrolijk van wordt?”
“Ha ja hé Nikki!”
“Dat is dan goed hé Jef?”
“Ja hoor Nikki. Vrolijkdronken ben ik, Nikki.”
“Heb je gedronken, Jef?”
“Ja, Nikki. Hahaha! Water! Ik heb veel water gedronken!”

Afbeelding: Sol Lewitt, Wall Drawing 958, Splat, detail from Mass MoCA, November 2000, Acrylic paint, LeWitt Collection, Chester, Connecticut.
Bron: http://arttattler.com/archivesollewitt.html

KLEUREN

sol lewitt whirls and twirls

“Helaba!
Helaba, zeg ik!
Niemand reageert.
Waarom luisteren ze niet? Nu ja. Ik zal dan nog maar wat naar die prent kijken. Die prent, ja. Ik zal nog eens goed kijken. Ik begrijp haar niet. Is dat een kunstwerk? Maar dat is toch een muur? Een kunstwerk op een muur? Maar waarom? En hoe moet die verhuisd worden? Kunstwerken moeten toch naar een ander museum kunnen? Ze moeten die toch kunnen opheffen? Maar dit? Op een muur? Ik snap er niks van. Maar de kleuren vind ik tof, dat wel. Mooi, ook. Kleurrijk, in ieder geval. Ik zou er zelf door beginnen kleuren, als ik het zou kunnen!
Ha nee, ik kan niet kleuren. Ik heb zelfs geen kleurpotloden, en daarbij, ik zou niet weten waarom! Ik ben een volwassen mens! Nee nee, ik kleur niet.”

Afbeelding : Sol LeWitt, Wall Drawing 1152, Whirls and twirls (Met), detail, April 2005, Acrylic paint, LeWitt Collection, Chester, Connecticut.
http://arttattler.com/archivesollewitt.html

JE LIJKT WEL EEN KIKKER

luc dewaele huis
(Foto van Luc Dewaele, via Manu)

De vader is overleden.
– ik ben de oudste, zegt de ene broer.
– en ik zag hem liever, zegt de andere,
– ja maar, hij mij!
– dat had je gedroomd!
– het huis moet zo rap mogelijk weg.
– niks van, we gaan dat op ons gemak leegmaken.
– de kast in de woonkamer is voor mij.
– ja ge moogt die hebben en de tafel is dan voor mij.
– nee die hoort bij de kast.
– we zullen wel zien.
– eerst de notaris. We nemen x.
– nee we nemen y.
– niks van.
– o jawel.
– je lijkt wel een kikker.
– en jij een dommerik. Die notaris van jou is ook zo’n dommerik.
– hou op. Het huis moet wel zo rap mogelijk weg hé.
– van mij niet.
– hoeveel denk je?
– dat kan me niet schelen. Je bent een geldwolf.
– ja maar hoeveel dénk je?
– je bent een geldwolf.
– ja seg, ik heb de centen nodig.
– de centen kunnen wachten.
– liever vandaag dan morgen.
– overmorgen is ook goed.
– ik bel naar de notaris.
– je moet wachten.
– nee nu.
– je moet wachten.
– nee nu, godverdomme.

(De zin ‘Je lijkt wel een kikker’ is niet van mij maar van Luc De Vos, uit de song ‘Hollywood’ van Gorki (toen nog Gorky). De tekst hierboven heeft natuurlijk helemaal niets met Gorki of met Luc De Vos of met de song ‘Hollywood’ te maken. Het horen van de zin was een mooi toeval en ik heb hem zonder twijfelen geleend om hem hier in deze tekst in te passen. Met dank aan Luc De Vos. Hij was van hetzelfde jaar als ik, een goed jaar zou ik zeggen.)

OGEN

HORDE DANIEL RICHTER

“Ze staren me aan.”
“Wie, Jef?”
“Die mensen. Ik ken hen niet. Ze staren me aan en ik weet niet waarom.”
“Ja maar, Jef, nu toch niet?”
“Jawel.”
“Maar hier zijn geen mensen, Jef. Alleen jij en ik.”
“Jawel, ze achtervolgen me.”
“Jef, wat mankeert er?”
“Niks. Alleen maar die mensen. Ze staarden me aan, daarna volgden ze me en ze bleven me aanstaren, ook nu nog.”
“Jef, wees gerust, hier is niemand.”
“Dat weet ik. Maar ik voel hun ogen. Ze branden. Ze branden op mij. Het is net of ze zijn hier in mijn kamer en ze staren me aan en misschien blijf ik dat nu voor altijd voelen en denken.”

JEF OVER DE KILO’S BOEKEN

“Tja, de dikke boeken. Staat daar de waarheid in, denk je? Waarschijnlijk wel, ergens. Waar? Nee, dat weet ik niet.
Ik? Ik kijk liever naar de bomen of naar de lucht. Of naar de straat en de mensen en de auto’s. Naar het gras van de overburen. Groen gras hebben zij, maar ikzelf ook hoor.
Nee, die boeken zijn niks voor mij. Laat anderen maar al die kilo’s lezen en wijs zijn. Wijs, wijzer, nog wijzer, allerwijst. Of hoe moet ik dat zeggen?
Ja, de professor. Die las een paar kilo per dag. Hij was een goede vriend, ik mis hem. Hij grapte er soms over, over hoeveel pond of kilo hij gelezen had. En dat hij zich kon begraven in boeken, dat zei hij.”