VIRIEL

“Viriel.”
“Wat, Jef?”
“Ik zei ‘viriel’.”
“Ja, Jef, en waarom?”
“Niet waarom, Nikki. Wie.”
“Wie wat viriel, Jef?”
“De jonge man die hier net voorbij liep, Nikki.”
“O ja, Jef? Ik heb hem niet gezien.”
“Hij is een viriele jonge man, Nikki.”

Advertenties

MODERNE DRUIVEN

“Ze hebben de pitten er uit gekweekt.”
“Wat, Jef?”
“Ze hebben de pitten er uit gekweekt, zeg ik.”
“Ja maar Jef, uit wat?”
“Uit de druiven.”
“Ja, Jef, dat is toch goed?”
“Vind je? Druiven zonder pitten zijn niet echt.”
“Ik vind het makkelijk.”
“Ik niet. Net of ze komen uit een laboratorium. Misschien zijn ze zelfs van plastiek.”
“Jef, ze zijn niet van plastiek.”
“Ja, dat zeg jij.”
“Nee, dat weet ik.”
“Ik moet ze niet.”
“Jef, het is makkelijk.”
“Toch moet ik ze niet, Nikki.”

TIERLANTIJNEN

“Voor mij hoeft dat niet.”
“Wat, Jef?”
“Al die tierlantijnen.”
“Welke tierlantijnen, Jef?”
“Dat geribbeld papier. Of die gelaagde opdruk. Of die vele kleuren. Dat kost alleen maar geld.”
“Ja, Jef. Maar het is toch mooi?”
“Ja, mooi, ja. Wat heb ik aan mooi? Het moet goed zijn, ja, of eetbaar. Maar mooi?”

PEKING

Eén stem, zo luid, en honderdduizend zachte zoemers op de achtergrond.

De stem, zij zegt: ‘Hun zoemen is niet echt, het is ontstaan uit kunststof en haar resultaat is eeuwigdurend, als een laag op onze aarde. Kijk, daar liggen zij, de zoemers, zij bedekken zelfs het zonlicht, kijk maar eens naar Peking.’

De stem praat voort, zij blijft zo luid, zij laat zich niet zo maar tot niets herleiden.

En de mensen horen haar en zeggen dat de stem erg gek is, dat zij de waanzin zelve is, dat zij het Noorden niet meer weet, dat zij moet opgenomen worden in een instelling met witte kamers en met veel dokters en verplegers.

Maar die éne stem, zij blijft, zo luid, ze kunnen haar tot zwijgen niet verplichten en die éne stem, zij zegt: ‘De zwarte waas van Peking maakt de mensen ziek. Zij zoemt, die waas, zij palmt de aarde in en mensen zeggen dat de evolutie van fabrieken en bedrijven: dat die goed is.’

Die éne stem: zij mept en slaat met beide vuisten, hard. De mensen weten nu met zekerheid dat zij haar moeten vastbinden en dat zij doeken in de mond moet krijgen – tot de stem geen stem meer is en zwijgen zal

ze zit daar dan

in een verlaten witte kamer.
Ze krijgt een pil en straks een prik en af en toe bezoek en mensen zeggen: ‘Zij was ronduit  waanzinnig!’

en de zoemers palmen Peking ondertussen helemaal in, in, en in, en nogmaals in. Véél méér dan erg is dat, en erger nog, want gans het land, de hele wereld zelfs, zal volgen
en de zoemers leggen grote, dikke wazen van fijn stof en stank

en alle ademlucht wordt opgeslokt en al het groen verdwijnt of zal verdwijnen, nu, of over vijf minuten, al.

peking
Foto: http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/buitenland/1.1536689

IS ER DAN NOG WATER?

“Ach Nikki, ik hoor niet thuis in deze tijden. Als ‘tijd’ een metselwerk is, kan ik dan in de voegen kruipen, en aan de andere kant van dat metselwerk terug naar buiten komen? Misschien kom ik zo in de negentiende eeuw? Sta ik dan tussen de arbeiders, aan de poort van een van de grijze fabrieken? Of misschien in de ijstijd? Is mijn ik dan levensvatbaar, Nikki, in die ijstijd? Of misschien kruip ik via de voegen naar de toekomst, die van 2552, bestaat onze aarde nog in het jaar 2552? Is er dan nog water, goede lucht, heeft de mens een oplossing gevonden voor de vervuiling? Hoe ziet onze planeet er uit in die verre toekomst, Nikki? Koel, koud? Gereinigd? Steriel? Bestaat ze dan nog, denk je?”
“Jef, je moet daar niet over nadenken. Tijd is geen metselwerk en je kunt niet langs de voegen reizen.”
“Weet je dat zeker, Nikki?”

Ik wist niet wat zeggen. Jef zweeg ook en dook achter de beschutting van zijn pijp. Hij vulde ze, liet ze in zijn hand op zijn schoot rusten en bleef naar haar kijken. Ik stond op maar Jef deed alsof hij dat niet merkte.

“Tot later, Jef,” zei ik, maar dat was zinloos. Jef was niet meer bij mij in de kamer.

EscherOmhoogOmlaag
Escher. ‘Omhoog, omlaag.’

HET JONGETJE EN DE KNIKKER

Ladder to the moon, georgia o'keeffe

Het jongetje zegt ik wil de knikkers.
Het jongetje zegt ik wil mijn twee of drie vrienden.
Het jongetje leunt met zijn voorhoofd tegen het koele glas van het raam, het voelt koud, hij heft het hoofd twee of drie centimeter om de koude niet meer te voelen en hij houdt de straat in de gaten.
Het jongetje vraagt waar zijn mijn vrienden?

Hij zegt nog eens hij wil de knikkers en hij haalt ze alvast uit de kast en hij speelt, alleen. De vrienden zijn er niet, ze zijn op school, het jongetje loopt nog eens tot vlakbij het raam, kijkt en kijkt. Hij heeft drie knikkers in de linkerhand. Knikker 1 valt, knikker 2 valt, knikker 3 is speciaal. Knikker 3 is helemaal wit, met een ragfijne gouden draad, onvoelbaar, onzichtbaar – bijna.

Het jongetje bewaakt de ene knikker. Hij geeft hem nooit af, ’s nachts ligt de knikker onder zijn hoofdkussen, overdag zit hij in zijn linker broekzak.
Het jongetje kijkt, door het raam, naar de straat.
De school is nog altijd niet uit.
Hij neemt de witte knikker met de ragfijne gouden draad en legt hem in de palm van zijn hand. Hij strekt de hand. De knikker beweegt, een millimeter naar rechts, een millimeter naar links. De knikker blijft, de gouden draad blijft, zo fijn.
Nu is de school bijna uit.
Het jongetje neemt de mooiste knikker, steekt hem terug in zijn linker broekzak maar omknelt hem. Het jongetje voelt, en ziet nog steeds het fijne ragfijne, de ielgouden draad, op het wit.

(sic, natuurlijk)

Afbeelding:Ladder to the Moon, Georgia O’Keeffe, via http://biblioklept.org/2014/02/12/ladder-to-the-moon-georgia-okeeffe/