Ze is niet meer te houden, ontplooit al haar stralen, hoog, hoger.
OF ZAL ZE
Ze is niet meer te houden, ontplooit al haar stralen, hoog, hoger.
En ze zei dat ze ook dit jaar veel te veel tomaten en dat ze niet wist wat ze ermee moest, tientallen kilo’s en kilo’s.
En dat haar man nog steeds de planten en de bloemen, heel veel, ja, ja, de overvloed, de rijkdom.
En ook dat ze heel de tijd thuis waren gebleven.
‘Niemand, niemand, we waren streng, erg streng,’ zei ze.
Maar ze hebben een grote tuin en een grote serre, en de kleinkinderen mochten in het zwembad en dan bleven zij binnen en keken ze, keken ze, en hun hart smolt en telkens wat tranen, ha ja, iedere keer, natuurlijk, wat wil je, die grote afstand, te groot, het niet mogen, het niet durven. Maar toch ook een glimlach, en blijdschap, want de luxe, de overdaad, het mooie weer, de lachende gezichten, het geluk, zo ver, maar toch zo dichtbij, ja, ook, ik kon dat goed voelen, zei ze.
en mep me geen gedicht rond mijn oren
of gooi niet met tulpen of rozen
of lieve woorden.
Val niet op je knieën
en vertel me geen dromen, geen wensen
vertel me gewoonweg niks.
Hou je zachte gemurmel
hou je mooiste, je zoetste glimlach
hou je allerliefste, allerbeste, meest welgemeende groet
ik hoef hem niet
ik hoef niks.
Ik wil vooral en alleen de zon en de wolken
en de helderste maan
en de strafste sterren
en een zeldzaam vliegtuig met onbekenden
en een sporadisch bewegen van iets anoniems
of een auto, een moto, een fiets met de ene of andere, verre,
iemand.
Laat me hier
bij mijn groen en mijn blauw
bij mijn veelsoortige vogels – een zwaluw, een fazant, een koppel eenden verstopt in het hoge, malse gras van de beek, een witte kwikstaart, tien, honderd
laat me alleen
bij mijn bomen – de wilgen, de beuken
bij mijn wit met zachtpaarse anemonen – bijna, als de lente de lente is
bij mijn witte en rode rozen – bijna, als de lente
bij mijn pioenen en mijn ranonkels – bijna, als de lente
weer lente is, een lente, als ze mag, als ze mag.
We willen WE WILLEN NIET
We zullen WE ZULLEN NIET
We mogen WE MOGEN NIET
We kunnen WE KUNNEN NIET
We dansen WE DANSEN NIET
We lopen WE LOPEN NIET
We fietsen WE FIETSEN NIET
We zingen WE ZINGEN NIET
We lachen WE LACHEN NIET
We hopen WE HOPEN NIET
We dromen WE DROMEN NIET
We leven WE LEVEN NIET
Londerzeel, Pasen 2020
en ik zou je willen aanraken, maar dat mag niet. Niks mag. Ik wil je handen vastnemen, ik wil een arm, een schouder aanraken, maar het kan niet. Ik mag zelfs niet reiken. Ik sta ver van je, maar het moet nog verder. Nog verder. Nog! Nog twee meter verder! Achter die dikke vette zwarte lijn moet ik blijven. Ik moet. Het moet. Ik mag niet. We mogen niet, niemand mag. We moeten, allemaal, we doen niet anders, we blijven achter die dikke vette zwarte lijnen.
Ze hadden een droom maar kregen een halve, of geen
Ze wilden een huis maar kregen een half, of
Ze wilden een tuin maar kregen een halve,
Ze wilden een kind maar kregen een
Ze wilden een job maar kregen
Ze wilden veel plezier maar
Ze wilden hun dromen
Ze wilden zo
Ze wilden
Ze
.