O E U V R E (1/3)

Hij bekeek de drie kleine stippen.
‘Ik zou dat anders doen,’ dacht hij.
Met een dikke zwarte viltstift maakte hij de stippen tien keer groter, en dan weer tien keer groter.
‘Dat is veel beter,’ vond hij.
Hij zocht een geschikte buitenmuur en stelde zijn werk tentoon.
Drie passanten bekeken de drie enorme stippen en zagen hem er trots bij staan. Hij klopte zich op de borst.
‘Ze zijn van mij!’ zei hij.
De voorbijgangers keken naar de stippen, naar hem, naar de stippen, naar hem, lazen wat commentaren op de social media en vielen in zwijm van bewondering.
‘Zie je wel?’ kirde hij. ‘Ik zal dadelijk nog wat van die kleine stippen zoeken.’

HUISNUMMER 3B

Op het oude rolluik van de kleine garage vlak bij haar voordeur stond het, in dikke, zwarte letters.

‘HEKS’.

Ze zag de letters en probeerde het woord te ontcijferen en te spellen maar ze kon er niks van maken, het was te lang geleden dat ze had leren lezen en ze was vergeten hoe het moest. Ze haalde de schouders op. Ze hield een zakje met wat afval in haar handen, draaide zich om en liep ermee naar de beek.

Toen ze terug naar binnen wou, versperden drie jongeren haar de weg.

Ze herkende hen en ze gromde.

‘Stomme heks, dikke trut,’ riep de ene.

‘Heb je je gewassen in de beek?’ riep de andere.

De derde stond er wat onnozel bij maar toen ze hem passeerde liet hij haar struikelen. Ze krabbelde recht, stak haar vuist op en gromde weer. De jongeren lachten luid en liepen door, richting de school in het centrum van het dorp, waar de leerkrachten hen goede manieren zouden leren.

Francine wreef over haar knieën, bekeek de schade, strekte been links, been rechts, stak haar vuist nog eens in de richting van de jeugd en ging naar binnen.

TWINTIG VIERKANTE CENTIMETER

Ze woelde in de naakte aarde. De mulle grond gleed door haar vingers, en opnieuw, en opnieuw
Dan legde ze zich languit in het gras, steunend op de ellebogen, de benen eerst gestrekt naast elkaar, dan het ene been over het andere, af en toe wisselend, en opnieuw, en opnieuw
Haar ogen volgden de groene glooiingen in de verte. Ze zuchtte langzaam, bleef kijken, en opnieuw, en opnieuw
Ze ademde traag en diep in en uit om zowel de lucht als het uitzicht in lijf en hoofd op te nemen en ze daar te laten blijven, voor altijd

SLIJM-IG

Hij opende de kast.
De volledige inhoud gleed over hem – glibberige, kronkelende maar toch levenloze slangen die vanzelf rond zijn armen, nek en rest van het lichaam slingerden en bleven hangen. Hij panikeerde, schudde, wreef de vieze substanties snel van zich af en rende naar huis.

‘Mario, van waar kom je? Wat heb je gedaan? Wat is er aan de hand?’ vroeg zijn moeder.
Hij antwoordde niet, haastte zich naar de badkamer en trok de douchedeur open. Met zijn short en T-shirt nog aan liet hij het water zo heet mogelijk over zich lopen. Zijn moeder kwam op de deur kloppen, hij reageerde niet, rukte de kleren nu haastig van zijn lijf en zeepte zich grondig in.

‘Mario, wat heb je gedaan?’
Maar hij kon geen woord uitbrengen.
‘Mario, was je in het grensbos? Je ging dat krot toch niet binnen? Wat is er gebeurd?’
Nee, hij zweeg, ging naar zijn kamer, deed de deur op slot en zette zijn koptelefoon op.

OF ZEBRA’S?

Ik dacht dat het een kwestie van tijd was, maar ik heb me vergist.
Er zit niks anders op dan me bij mijn vergissing neer te leggen.
Het doet wat zeer.
Ik vlei me onder het dikke donsdeken, probeer te slapen, dat lukt niet en ik tel schapen.
Driehonderdvijfendertig, driehonderdzesendertig, driehonderdzevenendertig,
Plots ben ik de tel kwijt. Ik begin opnieuw.
Tweehonderdzestien, tweehonderdzeventien,
Het dondert.
Mijn bed davert.
De schapen helpen helemaal niet, ik geef het op en luister naar de knallende donderslagen.
De kater, Maurice, miauwt aan de deur. Ik hoor hem springen – hij weet als geen ander dat de klink de deur open kan toveren. Maurice is net niet groot en sterk genoeg maar blijft proberen, hij is voldoende behendig om de klink telkens even te doen bewegen maar niet meer dan dat. Hij miauwt nog eens en geeft het op.
Ik tel weer schapen maar mijn gedachten drijven af.
Voor de honderdste keer besef ik dat ik me bij mijn vergissing moet neerleggen. Ik voel de krop. Schapen en katers, donder en bliksem, ze helpen niet. Koeien, misschien? Of olifanten? Ik voel de krop weer in mijn keel, probeer te slikken. Zwaluwen? Varkens? Jonge veulens? Bijen en vliegen, zonnebloemen, anemonen?

OF

Ze keek eens rond in de grote woonkamer en dacht ‘Waarom niet?’
Ze nam haar telefoon.

’s Avonds werd er gepraat en gelachen, zelfs wat gedanst.
Ze ging even naar buiten en ademde de koelte van de nacht.
‘Alles oké?’ vroeg een vriend.
‘Ja hoor,’ zei ze.
Hij ging terug naar binnen en zij ademde weer de koelte van de nacht.
Niet veel later nam ze afscheid van de anderen en zei ze dat ze konden blijven zolang ze wilden. Ze wenste hen nog veel plezier.
Badkamer, slaapkamer, bed, boek.
Ze knipte het licht uit, luisterde even naar het praten en lachen uit de woonkamer en viel in slaap.

EEN GLIMP VAN HET BLAUWE VAN DE HAREN VAN DE ZOON VAN DE ACHTERBUUR.

Ken ik jou? Dan ben jij hier, bij mij en sta je hier, zwart op wit, met varianten want de huid van jouw handen zal vandaag misschien groen zijn en morgen donkerrood of bruin. Je zult een halve meter groter of kleiner zijn, en je zult nu eens met deze maar dan toch weer met gene aan de toog van het café staan – wat nu niet meer toegelaten is, maar wat vroeg of laat zal terugkomen. Je haren zullen zwart, bruin, grijs of blond zijn, of zelfs blauw zoals de haren van de zoon van de achterbuur.

Ken ik jou niet? Dan ben jij hier, bij mij. Je fluistert of je roept, je leest de krant of je bent piloot. Je brengt je ouderwetse stelten mee, of de drie nieuwe T-shirts die je vorige week in de solden kocht. Ik zal zeggen dat ik jou niet ken en dat jij luid riep dat je mij en de mijnen graag ziet, maar ik zal ook zeggen dat ik je zag liggen, daar, in de gracht, met een gebroken been en twee blauwe ogen. Je zult bijna honderd zijn, of drieëndertig. Blind of helderziend, of allebei. Je huid zal de zachtste zijn, je handen de meest grove. De lijnen in jouw handen zullen een rijk leven voorspellen, met rode vogels op een blauwe achtergrond. Ze zullen de beste zijn, alles zal het beste zijn, het mooiste, het hoogste, het meest echte.

Zo zal het zijn, ja, zo zal zijn.

ALLES, TELKENS OP 75 VIERKANTE CENTIMETER.

Stroken afgeschraapte menselijke huid van 5 centimeter breed en 15 centimeter lang, iedere strook nauwgezet afgemeten.

Dikke, zwarte schapen. Of eerder donker, donkerbruin.

Drie mensen vragen waar de ganzen zijn.

Zonnebloemen van drie meter hoog.

Vijf gaten in de muur van de buren. Geen woord over de barsten.

Hij heeft zijn heup gebroken en revalideert.

Door al de stukjes en de verhalen heen: Oriana danst. Ze is bijna vijfenzestig maar niemand of niets houdt haar vrolijkheid tegen. Ze danst de ganse dag door, tot in Italië, tot bij haar ouders die in dat onooglijke dorpje wonen. De helft van de huizen staat leeg – de bewoners zijn aan de gevolgen van Covid overleden.

Ook Lynch danst, roepend. Vrolijk roepend, that is. Plots staat hij stil – rusttijd.

De muur rechtover mij is bruin, koffiemetveelmelkbruin. En ik zit hier. Ik hoor de auto’s razen, dan remmen, het kruispunt.

In een fotoboek van een IRL-vriend zag ik ‘Wachten op Godot’. Ik zie ‘Wachten op Godot’ echter helemaal anders. Ik kon het hem niet zeggen, hij was aan het praten, ik bladerde voort en keek naar de bomen, naar de schaduwen.

En weer: de afgeschraapte stukken huid. Met zo’n machientje. Waarom? Wie zal het zeggen?

Foto van PJ.
Vloesberg en omgeving. Het boek, 400 ex., €40. Meer beelden: https://www.notthecenteroftheworld.com/

OVER DE EVEREST (HIJ/ZIJ – ZIJ/HIJ)

Hij zei:
‘Ik hou ZO VEEL van je, ik hou ECHT HEEL VEEL van je, ik zal je alle dagen de mooiste WITTE ROZEN toegooien en je OP HANDEN DRAGEN, je schoonheid BEZINGEN, je VERWENNEN zoals je NOOIT EERDER meemaakte. Ik hou ZIELSVEEL van je, ik VERAFGOOD je, ik zal je iedere nacht IN SLAAP KUSSEN en dan zal ik bij je WAKEN zodat je je veilig voelt.’
‘Ik zal je zelfs IN MIJN ARMEN DRAGEN, over de RIVIEREN, over de HEUVELS, over alle BERGEN, over de OCEANEN, ook in onze DROMEN.’
‘En ik zal altijd O ZO LIEF voor je zijn, je MAG me ALLES VRAGEN, ik zal het DOEN, DOEN en TELKENS weer DOEN, alles wat je vraagt, je bent MIJN LIEFSTE, mijn ENIGE ECHTE WARE LIEFDE.’

Ze luisterde, probeerde te blijven luisteren, onderdrukte een geeuw en zei ‘JA, JA, ik hoor je.’

ONTELBAAR

Maar er waren veel seconden en zelfs minuten van licht en van schaduw, van hun schakeringen. Veel zonsopgangen, het te felle licht, ’s ochtends erg vroeg. Er waren ook veel donkerrode oleanderbloemen, de mooiste. Rozelaars die ik toch kon snoeien, drie minuten adem, en hun nieuwe knoppen en bloemen. Wit, wit, hagelwit, maar ook de grotere donkerrode, alweer dat diepe o zo mooie donkere. En de kleine vijgenboom die het plots, na jaren van ‘Kijk, hij leeft nog!’ verwonderlijk goed doet. Van de rododendron waarvan we niet weten of hij zijn verhuis wel zal overleven. Van uitdijende asters en de vraag wanneer ze zullen beginnen bloeien, en in welke kleur, want dat weet ik niet meer. Paars? Ja, het zal wel paars zijn. En hier en daar een dooie fuchsia vanwege meneer Max die, behalve rennen en apporteren, ook graag bloempotten en hun inhoud ontmantelt. Dag felroze fuchsia, dag zeldzame kamperfoeliestruik. We hadden jullie in de volle grond moeten planten, achter de afsluiting, onbereikbaar voor jonge honden en niet altijd zichtbaar voor onze ogen, we zullen moeten reiken naar die horizonten van bloemen, en er zijn voldoende andere, ontelbare bossen kleine viooltjes.