ANABEL: ‘MAAR LIEFDE DE LIEFDE’

Haar hart daverde maar ze wist:
dat bomen de bomen
en gras het gras
‘Maar liefde de liefde?’ vroeg ze, want ze twijfelde.
Hoe, waar, wanneer, wie, nu, straks, gisteren, morgen, hoe lang, hoe diep, hoe groot?

‘Mijn lieve liefste,’ zuchtte ze,
‘Mijn hart, mijn schat, mijn alles, mijn licht. Mijn grootste, mijn knapste, mijn adem, mijn lucht, mijn leven, mijn goud, mijn zilver, mijn duizend.’

Ze huilde.
‘De liefde de liefde?’ vroeg ze, want ze twijfelde.
Hoe, waar, wanneer, hoe lang, hoe groot?
Want ze wist, ze wist niet, ze wist niets, noch nu, noch morgen, noch wat, noch hoe.

Ze huilde niet meer.
Want ‘De liefde de liefde?’ wist ze.
Ze plukte een madelief, ze plukte een roos, ze plukte een bos.
Ze zuchtte, ze lachte, want ‘De liefde de liefde?’ wist ze
en ze plukte nog meer en ze vlijde zich neer en wist dat het hart en de lucht en het goud en het diepste en grootste

in bloemen, veel meer.

madelief leen
Illustratie : Leen Verlinden.

UIT DE MIERENKOLONIE

en met de juiste ingesteldheid kan een mier makkelijk een olifant worden;

Een mier wandelt weg uit haar kolonie, zeg maar dat ze plots beseft dat ze een ‘ik’ is, en niet langer (of niet alleen) een onderdeel van die grote kolonie.
Bon.
De mier gaat dus op wandel, ontmoet een aap, een hond, een papegaai. De mier ontmoet ook een stoel (inderdaad), vindt de stoel interessant en begint aan een klimtocht, langs de poten van de stoel, helemaal tot boven. Daar heeft ze een goed uitzicht. Ze ziet een speelweide, een bos en drie olifanten.
‘Wauw, die beesten zijn groot,’ zegt de mier. ‘Zo groot wil ik ook worden!’
En de mier eet en eet (bananen, bosbessen, 1 koteletje per dag) en beweegt zo veel mogelijk om haar lichaamsgroei te bevorderen: ze loopt iedere dag drie kilometer, ze vertrekt voor drie weken op skiverlof en met regelmaat van de klok doet ze haar yoga-oefeningen.

En zo groeit ze, en zo wordt ze een olifant en kan ze op wandel met die drie andere olifanten.
De mier heeft nu een grote stal in de Zoo van Antwerpen en ze krijgt alle dagen veel bezoek. Ze bezorgt de Zoo van Antwerpen extra publiciteit en vooral subsidies. Een Mier Die Olifant Werd En Nu In De Zoo Van Antwerpen Verblijft, dat is immers niet niks.

DAY

 

Ik heb het haar willen vertellen maar ik heb mijn mond gehouden.
Ik denk dat er vandaag de dag genoeg te doen is rond vrouwenemancipatie. Rond de onderdanigheid. Rond het vermijden, daarvan.
Je moet alleen maar goed kijken.
Je moet ook willen kijken.
Je kunt ook oogkleppen ophebben, of willen. Misschien zijn ze veilig? Misschien zijn ze niet veilig?

Het komt er, misschien, op neer, om zelf de keuze te (kunnen/mogen/willen) maken.
‘Zelf’ zou benadrukt moeten worden. Uitgelicht. Belicht.

Het is hier goed vertoeven – het is twintig over zeven, tweeëntwintig, de zon laat zich nog niet zien maar ze kleurt de hemel. Ik kan kiezen voor Bach, of voor Lou Reed. Ik kan hen laten schallen, ik kan hen zacht op de achtergrond laten.
Minstens 1 gans vliegt over en wekt, daardoor, minstens een van de buren, misschien.

Misschien heeft geluk alles te maken met het zien van de zon die de hemel nu nog niet opeist, maar straks wel.
Misschien heeft geluk alles te maken met het horen van de ganzen, en met het zich kunnen inbeelden van buurmannen of –vrouwen die geeuwen en zich uitrekken en nog even voort slapen, of niet.
Misschien heeft geluk alles te maken met het kunnen horen van die overvliegende gans, of ganzen.

Een auto rijdt voorbij. Wie vertrekt er op reis, of wie rijdt er naar de bakker?

Minstens vier vliegtuigen vlogen reeds over. Ik zie hun sporen. Eerder dan nu keek ik niet – niet steil omhoog, ik keek enkel naar de omgeving van de zon, die nog niet was, maar nu wel, en die dwingend, mag ik zeggen, de hemel opeist.

BLAUW

blauw
(foto: panorama-foto van Manu Schotte)

“ ‘Blauw, blauw’, hoe gaat dat liedje weer, Nikki?”
“Iets met ‘vrouw’ en ‘keer ik terug naar jou’, Jef.”
“Ja, dat is het. Maar ik had geen vrouw in mijn gedachten.”
“Wat dan wel, Jef?”
“De lucht, Nikki, alleen maar de lucht. Helderblauw, keiblauw, watervallenblauw, regenblauw.”
“Je hebt het met blauw vandaag hé, Jef?”
“Ja, Nikki. Allesblauw.”

VIRIEL

“Viriel.”
“Wat, Jef?”
“Ik zei ‘viriel’.”
“Ja, Jef, en waarom?”
“Niet waarom, Nikki. Wie.”
“Wie wat viriel, Jef?”
“De jonge man die hier net voorbij liep, Nikki.”
“O ja, Jef? Ik heb hem niet gezien.”
“Hij is een viriele jonge man, Nikki.”

MODERNE DRUIVEN

“Ze hebben de pitten er uit gekweekt.”
“Wat, Jef?”
“Ze hebben de pitten er uit gekweekt, zeg ik.”
“Ja maar Jef, uit wat?”
“Uit de druiven.”
“Ja, Jef, dat is toch goed?”
“Vind je? Druiven zonder pitten zijn niet echt.”
“Ik vind het makkelijk.”
“Ik niet. Net of ze komen uit een laboratorium. Misschien zijn ze zelfs van plastiek.”
“Jef, ze zijn niet van plastiek.”
“Ja, dat zeg jij.”
“Nee, dat weet ik.”
“Ik moet ze niet.”
“Jef, het is makkelijk.”
“Toch moet ik ze niet, Nikki.”

TIERLANTIJNEN

“Voor mij hoeft dat niet.”
“Wat, Jef?”
“Al die tierlantijnen.”
“Welke tierlantijnen, Jef?”
“Dat geribbeld papier. Of die gelaagde opdruk. Of die vele kleuren. Dat kost alleen maar geld.”
“Ja, Jef. Maar het is toch mooi?”
“Ja, mooi, ja. Wat heb ik aan mooi? Het moet goed zijn, ja, of eetbaar. Maar mooi?”

PEKING

Eén stem, zo luid, en honderdduizend zachte zoemers op de achtergrond.

De stem, zij zegt: ‘Hun zoemen is niet echt, het is ontstaan uit kunststof en haar resultaat is eeuwigdurend, als een laag op onze aarde. Kijk, daar liggen zij, de zoemers, zij bedekken zelfs het zonlicht, kijk maar eens naar Peking.’

De stem praat voort, zij blijft zo luid, zij laat zich niet zo maar tot niets herleiden.

En de mensen horen haar en zeggen dat de stem erg gek is, dat zij de waanzin zelve is, dat zij het Noorden niet meer weet, dat zij moet opgenomen worden in een instelling met witte kamers en met veel dokters en verplegers.

Maar die éne stem, zij blijft, zo luid, ze kunnen haar tot zwijgen niet verplichten en die éne stem, zij zegt: ‘De zwarte waas van Peking maakt de mensen ziek. Zij zoemt, die waas, zij palmt de aarde in en mensen zeggen dat de evolutie van fabrieken en bedrijven: dat die goed is.’

Die éne stem: zij mept en slaat met beide vuisten, hard. De mensen weten nu met zekerheid dat zij haar moeten vastbinden en dat zij doeken in de mond moet krijgen – tot de stem geen stem meer is en zwijgen zal

ze zit daar dan

in een verlaten witte kamer.
Ze krijgt een pil en straks een prik en af en toe bezoek en mensen zeggen: ‘Zij was ronduit  waanzinnig!’

en de zoemers palmen Peking ondertussen helemaal in, in, en in, en nogmaals in. Véél méér dan erg is dat, en erger nog, want gans het land, de hele wereld zelfs, zal volgen
en de zoemers leggen grote, dikke wazen van fijn stof en stank

en alle ademlucht wordt opgeslokt en al het groen verdwijnt of zal verdwijnen, nu, of over vijf minuten, al.

peking
Foto: http://www.deredactie.be/cm/vrtnieuws/buitenland/1.1536689

EN DE LIEFDE

“En de liefde, Jef?”
“Later, Nikki.”

aloe-400x300
Afbeelding : Aloe Vera, via http://www.gardeningknowhow.com/houseplants/aloe-vera/aloe-vera-plant-care.htm

IS ER DAN NOG WATER?

“Ach Nikki, ik hoor niet thuis in deze tijden. Als ‘tijd’ een metselwerk is, kan ik dan in de voegen kruipen, en aan de andere kant van dat metselwerk terug naar buiten komen? Misschien kom ik zo in de negentiende eeuw? Sta ik dan tussen de arbeiders, aan de poort van een van de grijze fabrieken? Of misschien in de ijstijd? Is mijn ik dan levensvatbaar, Nikki, in die ijstijd? Of misschien kruip ik via de voegen naar de toekomst, die van 2552, bestaat onze aarde nog in het jaar 2552? Is er dan nog water, goede lucht, heeft de mens een oplossing gevonden voor de vervuiling? Hoe ziet onze planeet er uit in die verre toekomst, Nikki? Koel, koud? Gereinigd? Steriel? Bestaat ze dan nog, denk je?”
“Jef, je moet daar niet over nadenken. Tijd is geen metselwerk en je kunt niet langs de voegen reizen.”
“Weet je dat zeker, Nikki?”

Ik wist niet wat zeggen. Jef zweeg ook en dook achter de beschutting van zijn pijp. Hij vulde ze, liet ze in zijn hand op zijn schoot rusten en bleef naar haar kijken. Ik stond op maar Jef deed alsof hij dat niet merkte.

“Tot later, Jef,” zei ik, maar dat was zinloos. Jef was niet meer bij mij in de kamer.

EscherOmhoogOmlaag
Escher. ‘Omhoog, omlaag.’