IN DE WISTERIA

Wie zijn zij? Die kleine kabouters die in de blauwe regen huizen? Die de bloemen tevoorschijn toveren en de takken leiden?
Ze zijn onmetelijk klein en onzichtbaar maar blijven van in de lente tot in de late zomer bedrijvig hun werk doen, verspringen, verhuizen en weer, en zingen in koor bij het zachte ontluiken van al dat nieuwgroene, nieuwblauwe.

Wat niemand weet, is dat zij hun krachten gebruiken om goud te spinnen en het daarna te weven doorheen de lianen en takken.
Dat ze vanaf hun hoogte de onzichtbare gouden draden spannen naar andere planten, naar huizen, naar lucht en naar regenbogen.
Zij leiden de zonnestralen. Ze leiden het licht en de kleuren.
Ze zingen hun lied en laten planten en bomen ontluiken en groeien.
Ze weven miljoenen nieuwe takken en paden.

Krachtig zijn ze, die kleine kabouters. Dag en nacht wakker, werkend en wakend. Zich lavend aan zon, aan het zicht op de wereld, aan het groene en blauwe, aan de sappen en groeikracht van al de planten.
Ze leiden, ze springen, ze laten bloeien, ze nemen een gouddraad en nog een en nog en weven de pracht tot ginds, in het bos, en tot daar, aan het water, en tot in de toppen van de bomen, en hoger en verder.

NORMANDY

Ze zei Ik wil terug naar die kust, naar het spel van de golven met het zonlicht,
naar de kracht van de wind en de kleuren van de regenbogen in de opvliegende
druppels. Naar het gestage op en af en op en af van het water en van de wind.

Ze zei Ik mis de grootsheid, de energie, ik mis het kunnen zien van de pracht,
zelfs al kan ik het me met gesloten ogen voorstellen en volop voelen en horen.
Het blauwe, het diepe, het blauwe, het diepe, het verre, het echte.

Ze zei Het is enorm.
Ze zei Het water op de keien en de weelde van zon, zee, wind. Van de kleuren.

Ze zei Ja ik weet het dat luttele kilometers verderop de duizenden soldaten
begraven liggen. Hun kruisen. Ik weet het, ik weet het. Het witte. De bomen.
De pleinen. Het gras.

Maar daar? Die toren? Reikend naar wolken. Baken voor schepen en mensen.

Zijn oude vuur. Zijn licht in de nachten. Het wijze, de wijzer. In die krachtige
golven, in zonlicht en stormen en wind. Met zicht op oneindig, op zeeën en
velden, op tuinen en huizen. Op mensen.

GOUDEN LEEUWEN

‘Twintig.’
‘Oei. Ja, dat is veel. Had je het geld?’
‘Nee. Ik heb zeventien moeten lenen.’
‘En je hebt die lening gekregen?’
‘Ja. Ik was daar al klant en de lening werd vanzelf goedgekeurd.’
‘Welk bedrag per maand?’
‘Te veel.’
‘En wat zei Annie?’
‘Die was niet blij. Ik heb hem gekocht zonder er haar iets over te vertellen.’
‘En? Rijd je al?’
‘Nee, ik moet wachten op de verzekering en op de nummerplaat.’
‘O.’
‘Ik heb een gepersonaliseerde nummerplaat gevraagd.’
‘Oei. Dat is toch duur?’
‘Ja. En ik laat nog een special painting aanbrengen. Een gouden leeuw op de tank.’
‘Huh? Serieus?’
‘Ik heb ook alle bijhorende kleding gekocht. Helm, laarzen, broek, vest, handschoenen.’
‘Amai. Mooi, zeker?’
‘Ja. Met emblemen. Gouden leeuwen. Ook special paint op de achterkant van de helm.’
‘En dat allemaal voor twintigduizend?’
‘Heu nee. De twintig was enkel voor de Harley.’
‘Ai. Ja. Annie?’
‘Geen klank. Amper beeld.’
‘Tja, wat wil je.’
‘Het betert wel weer.’
‘Denk je?’
‘Ja, ze draait wel bij. Ja ik denk wel dat ze zal bijdraaien. Hoop ik.’

DIEP, DIEP ONDER DE HUID

‘En, hoe gaat het?’ vraag ik.
‘Och, ça va,’ zegt ze. Ze kijkt me niet aan.
‘Ja, maar hoe gaat het met jou?’ vraag ik.
‘Ik ben oké,’ antwoordt ze. Ze kijkt me nog altijd niet aan.
‘Zullen we eens ’ Ik wil haar uitnodigen maar ze laat me mijn vraag niet afmaken.
‘Ik heb geen tijd, ik moet voortdoen,’ zegt ze.

NIJHOFF IN DE WOLKEN

Praten? Nee ik wil niet praten, ik wil alleen maar iets zeggen, iets vertellen misschien, maar praten wil ik niet.
Over Nijhoff, Martinus Nijhoff, ik kwam hem gisteren tegen, ‘ergens tussen de wolken’, meer uitleg hoeft daar niet bij.
Ja, Nijhoff, en hij zweefde.
Er waren nog andere namen, tussen die wolken, enkele ‘belangrijke’ namen zelfs, maar ‘belangrijk’ doet er niet toe, en aan het droppen van namen probeer ik me zo weinig mogelijk schuldig te maken.
Maar voor Nijhoff mag dat wel.
Ik zou trouwens eens moeten checken of hij op mijn honderd-lijst staat.
Bij deze.
Aangepast.

Er was ook het water.
Misschien moet ik de Schelde ook maar op mijn honderd-lijst zetten. De Schelde en de Oosterschelde. Die verdienen daar ook hun plaats.
Gedaan.
Er waren dus de wolken en de Schelde. Veel van het Scheldewater heb ik niet gezien, het was geen mooi weer en het begon zelfs te gieten. We dronken iets en hoorden enkel een RIB.
‘Amai, die mensen zullen nat worden,’ zei ik.
‘Ja, bonk, bonk,’ zei hij, doelend op de snelheid van de RIB, en op het gestage bonken ervan op het water.
Het stopte met regenen, het terras liep leeg want de mensen die er zaten moesten hun boot halen, die van halfzes, zegden ze, en dat ze wisten dat het tegen halfzes wel zou stoppen met regenen.

Nu, iets meer dan 12 uur later, kwamen de wolken, Nijhoff en de Schelde terug.
Ik zet ze hier.
Ze mogen hier staan.

Martinus Nijhoff, De wolken
(Via DBNL)
Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag
Lang-uit met moeder in de warme hei,
De wolken schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag.

En ik riep: Scandinavië, en: eenden,
Daar gaat een dame, schapen met een herder –
De wond’ren werden woord en dreven verder,
Maar ‘k zag dat moeder met een glimlach weende.

Toen kwam de tijd dat ‘k niet naar boven keek,
Ofschoon de hemel vol van wolken hing,
Ik greep niet naar de vlucht van ’t vreemde ding
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.

– Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
En wijst me wat hij in de wolken ziet,
Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken waarom moeder schreide –

VOORZICHTIG

‘Wat doe je?’
Ik ben voorzichtig.
‘Ja, maar, wat DOE je?’
Ik ben gewoon voorzichtig.
‘Ja, maar waarom?’
Goh. Ik zal je iets vertellen. Mijn nachtelijke droom in het kort.
‘Tja, ik hou niet van andermans dromen.’
Wees gerust. Ik ook niet. Heel kort. In deze droom werd alles plots donker. Ik bedoel pikkedonker. Pikzwart. Nergens een spoor van licht. Na een kwartier of zo zag ik ineens een paar flitsen geel, lichtgroen, donkerblauw. Een vrouw in de zaal slaakte een gil. De kleuren waren direct weer weg en ze kwamen niet meer terug. Dus vanaf nu ben ik voorzichtig.
‘Tja. Geeuw. Maf. En wat dan?’
Niks. Ik ben voorzichtig. Behoedzaam. Ik hoop. Ik wacht, ik kijk, ik hoop.

TIEN, IK WACHT

Tien, ik wacht.

Elf, ik wacht.

Twaalf, ik wacht.

Dertien, ik wacht.

Veertien, ik wacht.

‘Wat doe je?’

Ik wacht.

‘Ja, dat had ik al door. Maar waarop?’

Op niets.

‘Dat kan niet. Je wacht op een vriend, of op de autobus, of op iets anders, maar op niets? Dat kan niet.’

Vijftien, ik wacht.

Zestien, ik wacht.

‘Zeg, tel eens in stilte.’

Zeventien, ik wacht.

‘En het kan niet. Je kunt niet op niets wachten. Of zal er iets gebeuren?’

Achttien, ik wacht.

Negentien, ik wacht.

‘Hallo, hoor je me?’

Ja, ik hoor je. Twintig, ik wacht.

‘Negeer je me?’

Nee. Eenentwintig, ik wacht.

Tweeëntwintig, ik wacht.

Drieëntwintig, ik wacht.

‘Hallooo.’

Vierentwintig, ik wacht.

Een, ik wacht.

Twee, ik wacht.

‘Je bent gek. Ik ga slapen.’

Drie, ik wacht.

Vier, ik wacht.

‘Komaan zeg.’

Vijf, ik wacht.

Zes, ik wacht.

‘Dit klopt niet. Je bent echt gek.’

Zeven, ik wacht.

Ik ben niet gek. Ik wil gewoon wachten. Ik wil beter doen.

‘Beter dan wie of wat?’

Beter. Acht, ik wacht.

Negen, ik wacht.

Tien, ik wacht.

Elf, ik wacht.

LANG, LANG

Hij zegt Ik blijf hier wel even wachten en ik zwaai even met mijn Knack Ik ben een slimme mens hé mevrouw V en ik zal me hier in het zeteltje zetten.

Ik zeg Buiten staat een bankje Dat is misschien beter Veel mensen vinden het daar goed om zitten Het dient er speciaal voor.

Hij zegt Ha ja dat is een goed idee en seg Hoe zit het nu met die keuring?

Ik zucht en zeg Die verhalen zijn veel te lang hé meneer Daar kan ik nu echt niet op ingaan Het is à la Belge dus het duurt en het duurt.

Hij vraagt Dan zal ik maar op dat bankje Dan zal ik u met rust laten en

Ik zeg Ja meneer Dank u Dat is een heel goed idee

BUSSELS PETERSELIE

Oké oké mijnheer Macharis, ik laat de chaos de chaos en ik kijk alleen nog naar het bos en naar de bomen. Ook daar echter: chaos, want de eigenaar laat zijn kleine bos verkommeren, het ligt vol omgewaaide bomen, oude paletten, lege blikjes van de loonwerkers die op het veld ernaast maandenlang peterselie plukten – misschien ligt er van die mannen ook nog een stapel kleren verstopt achter een van de eerste bomen. Gezien vanaf het wegje, is dat.

De peterselie is ondertussen nagenoeg helemaal verdwenen.
Maan-den-lang konden die mannen plukken. Met de hand en continu gehurkt. Jaa, ze zijn jong, maar toch. Hun rug!
Een keer zag ik een van de jonge mannen na het plukwerk opgepoetst en opgeblonken uit het bos komen, helemaal klaar om op stap te gaan. Volgens mij had hij achter die ene boom een halve badkamer verstopt, want hij was tot in de punten van zijn schoenen verzorgd en duidelijk blij dat hij een date of whatever had. Of een sollicitatie, misschien? Of toch een afspraak met een of andere jonge dame (M/V/X)?
Ik heb het hem niet gevraagd.
Zoals wel vaker zag hij dat ik hem zag en hij wuifde. Ik wuifde terug.
Weken later zat hij alleen of op sommige dagen met een of met twee kompanen nog altijd op het veld. Peterselie blijft ontzettend lang groeien en de jonge mannen bleven plukken en plukken en busselen en busselen en vervolgens hun oogst in plastic bakken gooien tot er genoeg bakken waren om ze in te laden en te transporteren naar ik weet niet waar. Tot in de late herfst en in die laatste weken durfden ze het aan om een vuurtje te maken en zich regelmatig wat te warmen – dood en droog hout genoeg in het bos. Maar nu is het al wekenlang te koud, de laatste peterselie is bijna volledig vergaan en de jonge mannen komen al lang niet meer. Misschien liggen die kleren en die halve badkamer er nog?

OF DE OCEAAN – ANNO 2050 (OF EERDER)

‘Weet je nog? Vroeger kon dat.’

‘Ja.’

‘Overal, waar we maar wilden. Vaak ook in het geniep in de vaart in Kapelle. Maar toen waren ze nog niet zo streng.’

‘Yep. Die ene zomer….’

‘Yes. Bloedheet, en we waren alleen.’

‘Goh. Ik mag daar niet aan terugdenken. Nu kan dat niet meer.’

‘Nee. Te vies. Overal. Of te weinig. Of helemaal niks mee’r. Of te zout. Of te proper. Of te weinig.’

‘Ja. Volledig bacterievrij, heet dat nu.’

‘Ja, en goed bewaakt. Honderden camera’s, overal.’

‘Yep. Of zouden we?’

‘Nee. Nergens. Het lukt gewoonweg nergens meer. Het is echt te vies of whatever.’

‘Heel jammer.’

‘Ja. En dan die tellingen. Een liter per hoofd per dag. Premies bij minder verbruik. Torenhoge boetes bij wat ze noemen overdrijving.’

‘Ja, alsof we dat zouden kunnen. Overdrijven. Wat een woord.’

‘Ja.’

‘Misschien in het oosten.’

‘Vergeet het.’

‘De oceaan?’

‘Vergeet het, zei ik. Continue patrouilles. Gevangenisstraffen.’

‘Oei. Oké.’

‘Kijken.’

‘Wat, kijken? ‘

‘Dat is het enige wat nog kan.’