TOT DE NACHT, DAN

’t Is een geluk dat ze geen regen voorspellen
Dan zullen de bloemen
De krokussen, de narcissen

’t Is een geluk dat de zon
Dan kunnen de oleanders
En de weidemargrieten

’t Is zelfs een geluk dat de wolken
In vreemde formaties
En kleuren

En de fluitende vogels
De zwaluwen in hun snelle vlucht
Tot de vleermuizen, laat op de avond
Tot de nacht, dan

Opgedragen aan Matti Brouns. Hij overleed op 11/12/2023. Hij was een vriend. Plots bleek hij sneller dan het licht. Hij zal altijd blijven.

Matti, aka Martin Pulaski van Hoochiekoochie, volgde mijn ANDEREWOORDEN-blog van in het begin. De pre-facebookjaren. De skynet-jaren. Zonder hem zouden mijn blog mijn blog en mijn woorden mijn woorden niet zijn.
Veel sterkte aan zijn echtgenote Agnes, zijn zoon Jesse en aan zijn familie en vrienden.

CARVER 2 – MET DE GROTE GLAZEN ASBAK

Hij zei Misschien moeten we het anders aanpakken. Eens gaan fietsen. Naar
Zij zei Ben je gek? Jij, fietsen? Jij en ik samen fietsen? Jij houdt dat niet eens een kilometer vol.
Hij zei Naar Bornem of misschien naar Temse. Binnendoor. Stoppen in Sint-Amands en langs de Schelde wandelen. Je kunt daar een bruiswater met pompel
Zij lachte Je meent het.
Hij zei niks.
Zij herhaalde Je meent het. Denk je nu echt dat ik na gisteren
Hij kuchte.
Zij zei Ik ga niet mee. En ik kom je niet redden als je tegen de vlakte
Hij zei Je moet mee. We kunnen praten.
Zij lachte nog luider Praten? Denk je dat ik nog met jou wil praten? En over wat? Over ons? Tssss. Wij zijn verzopen. Letterlijk. Wij liggen in de modderpoel. Jij spartelt nog wat omdat je het nog niet doorhebt.
Hij slikte Maar
Zij zei Je moet niks zeggen. Ik ben het zat. Spuugzat. Ik pak vandaag mijn valiezen. Ze komen me halen
Hij vroeg Wie?
Zij zei Om elf uur. Het zijn jouw zaken niet.
Hij vroeg Wie?
Zij zei Hou je mond.
Hij gooide.

CARVER

Hij zei Ik lees Carver want daar kan ik een en ander van jou in herkennen.
Zij zei Maar ik heb je de eerste Carver cadeau gedaan net omdat jij jezelf in die verhalen zou herkennen.
Hij zei Maar ik zie jou.
Zij zei Maar ik zie jou.
Hij zei Net zoals in dat bruinbeige boek ging jij ook ergens in een wildvreemd huis iets leveren en je ging op de sofa zitten en je dronk gezellig een kopje koffie met die man en zo voort, vooral En zo voort.
Zij zei En jij drinkt tot je erbij neervalt en je bent te koppig en je hebt al jarenlang ruzie met de buurman.
Hij zei Ja en jij doet alsof ik er niet ben.
Zij zei En jij hebt onze meubels vorige maand allemaal buitengezet en je verkocht onze mooie tafel voor tien euro!
Hij zei Het was jouw tafel!
Zij zei En nu zitten we zonder! Nu moeten we eten met ons bord op schoot! Het bestek klettert iedere dag op de grond. En jouw broeken zitten vol vetvlekken.
Hij zei Ja en over jouw stokstijve sokken zullen we maar zwijgen? En over de groezelige lakens?
Zij zei Zullen we het zo spelen? Wat lelijker? Zal ik ook
Hij Genoeg. Ik kruip terug in mijn Carver.
Zij Ik scheur hem in stukken.
Hij Ik heb hem van jou gekregen.
Zij Ja daar heb ik dik spijt van ik scheur hem straks echt in stukken en die andere twee ook.
Hij Ik sla je ermee op het hoofd.
Zij Dan bel ik de politie.
Hij Dan zal ik jouw persoonlijke vieze boekje eens helemaal opendoen.
Zij Bel dan ook maar dadelijk de ambulance.
Hij En zo voort. Trut. Ik zoek mijn Carver.
[Stilte. Zij gaat naar buiten. Komt terug binnen. Ze gooit.]

EEN GLIMP OF

terwijl. het grage. zien. niet meer of. niet. minder is. dan. een. lichtstraal. op een blad. of het rode avondlicht. op de bomen. van het bos van. Poe.
terwijl. het grage zien. eenvoudig is. zoals de glinsterende Oosterschelde. of zoals. het wiegen. van de weidemargrieten. op het ritme. van de zachtste wind.

zoals het grage zien. niet. meer of niet minder. is. dan het zwaluwpaar. dat de. jongen. leert vliegen. en het kwetteren van plezier. tijdens hun. vluchten.
of dan de hond. die zich gelukzalig. heen en weer kronkelt in de zon. en. dan plots rechtstaat. en de schaduw zoekt of. loom. naar zijn drinkbak. wandelt.

het kan ook. een hand. in een. hand zijn of. een opgeslagen. blik – de blauwe. of groene of. bruine. ogen. met in zich. de schakeringen van al, van het al.
of het zien. van de schittering van het. zonlicht. dat die ogen. even. verblindt. of. de hand. die zich lostrekt. en. een seconde. of een. uur of vele. dagen later. plots. terug is, en. zacht.

terwijl het grage. zien. niet meer. of niet. minder is dan. hier en daar. een glimp. op een. lach. of. een traan. of op een hand. op een. schouder, even nog. even.
zo kijkt hij. en zucht hij. onhoorbaar. en voelt hij. diep. binnenin. tot. helemaal. in. zijn. keel.
het grage zien. niet meer of. niet. minder. de hand. en. de. lach en. de. traan en. het leven. of de. stilte. het al. in het al. tot dieper. dan. diep. binnenin.

ZEVENENTWINTIG ZESENDERTIG

Ze kon niet slapen.
‘Ik moet en ik zal, het is morgen vroeg dag,’ dacht ze.
De ademhalingsoefeningen werkten niet. Ze bleef klaarwakker, vervloekte de nazinderende adrenaline. Misschien moest ze tellen?
‘Een, twee, een, twee, een, twee,’ maar ook dat hielp niks.
‘Ik moet. Ik heb mijn nachtrust nodig. Vermenigvuldigen, misschien? Moeilijker dan die van twee of van drie? Zodat ik me moet focussen? Die van zeven? Focus? Zeven, veertien, eenentwintig, achtentwintig, vijfendertig, tweeënveertig, negenenveertig, zesenvijftig, pfff. Die van acht dan maar? Acht, zestien, vierentwintig, tweeëndertig, veertig, achtenveertig, zesenvijftig, vierenzestig, tweeënzeventig. Of nee, die van negen dan maar, met eenentachtig en de verspringende cijfers, zevenentwintig, zesendertig, vierenvijftig, drieënzestig en twee plus zeven ‘

De volgende ochtend werd ze nog vroeger dan anders uit haar bed gehaald.
‘Ik wil eerst een kop koffie en een douche, maar dan kom ik,’ zei ze.
Even later startte ze de auto en dacht ze aan de vermenigvuldigingen.
‘Huh huh de tafels hebben geholpen,’ wist ze.
Het was niet ver. Alle parkeerplaatsen waren nog leeg.
Ze belde het nummer, een paar minuten later liet iemand haar binnen.
‘U mag hier wachten, mevrouw.’
Ze wachtte. Lang, langer.
‘Drie grote ficussen, amai. En hun potgrond ziet er nat uit, te nat misschien?’ dacht ze. Die andere plant kende ze niet. Ze nam een folder uit het rek en probeerde te lezen maar de letters en foto’s dansten. Ze hield de folder vast en ijsbeerde.
‘Het is hier fris, maar het is nog vroeg,’ zei ze.
Ook de stoelen voelden koud. Ze ging toch maar zitten, hield haar rug recht, zette de voeten netjes naast elkaar.
‘U wordt gefilmd,’ wist ze.
Het duurde echt te lang.
‘Vier, zes, acht, twaalf, zestien,’ ze telde de vloertegels in groepjes van vier, nog eens, begon opnieuw maar dan anders, helemaal links, en ze lette er op dat de volgende groep van vier tegels begon onder haar voeten. Vandaar naar rechts. Enkel volledige tegels mochten geteld worden.
‘Vier, zes, acht, twaalf, zestien, twintig, vierentwintig, achtentwintig, tweeëndertig’
Het licht achter de balie floepte aan.
‘Volgende keer doe ik de tafel van twaalf. Of die van dertien? Of veertien? Of van honderddrieëndertig?’ dacht ze nog.

ZWARE REGENBOGEN

Vroeger kon ze dat. Ze kon een ganse regenboog op haar hand dragen. Helemaal.

HELEMAAL, zei ze.

Regenbogen waren toen nog heel luchtig.

JA ERG LUCHTIG, zuchtte ze.

Maar nu? Nu hangt er altijd ikweetnietwatallemaal aan die regenbogen.

IKWEETNIETWATALLEMAALVANALLESENNOGWAT, zei ze.

Bommen en granaten.

GANSE OORLOGEN

Slogans van multinationals.

JAJA COCA-COLA EN CAMPINA EN BMW ENZOVOORT, riep ze.

In alle kleuren, kleuren feller dan die van de regenbogen.

JAJA EN FLUO. GEEL! ROZE!

Ook cijfers. Statistieken, resultaten, beursnoteringen van miljoenen bedrijven.

INDERDAAD, OVER AL HUN MILJARDEN, zei ze.

En schermen. Er hangen zo veel televisieschermen en tablets aan de regenbogen.

TSSSSS EN TELEFOONS EN FILMPJES

Bovendien: mensen. Ook zij hangen. Hun ego’s bungelen in blinkende kleding.

PFFF DE ALLERGROOTSTE EN ZE KLINGEN EN KLANGEN EN SCHITTEREN VOOR EEUWIG, DENKEN ZE

Het is verleden tijd.
Door al dat gewicht draagt ze niet langer regenbogen. Er is geen beginnen meer aan. Haar spieren…

HET IS DE LEEFTIJD, MISSCHIEN, HAHAHA

Haar spieren konden die enorme gewichten niet aan.

IK BEN SIMSON NIET HE ZEG, zei ze.

Ze legde zich erbij neer. Soms zag ze nog het ontstaan van een regenboog, maar sloot dan direct de ogen.

IK WIL HET NIET MEER ZIEN. IK WIL HET NIET MEER PROBEREN, fluisterde ze.

Tot een ochtend… Aan haar rechterzijde verscheen een mini-exemplaar van een regenboog. Ze was pas wakker en kon niet weerstaan. Ze bleef kijken en ze… yes.

Tot op vandaag staat hij op haar hand. Hij is piepklein en bijna onzichtbaar. Soms legt ze er een zakdoek over, zodat niemand hem zou opmerken.

IK MOET HEM BEWAKEN EN BEWAREN, zegt ze. HET IS DE MIJNE. NIKS OF NIEMAND ZAL ER AANHANGEN. IK ZET HEM ZO VAAK MOGELIJK BUITEN, HIER THUIS, IN MIJN TUIN. HIER OP MIJN HAND EN DAAR BUITEN IN MIJN TUIN, DAAR IS HIJ VEILIG.

DANCING QUEEN (3/3)

Waar had ik die lieslaarzen ook weer gezien? Gelukkig vond ik ze dadelijk, trok ze aan en ging terug.
Drek, drek en drek.
Letterlijk. Ik ploeterde me erdoor, de stank was niet te harden maar ik was al blij met de laarzen. Alhoewel, ‘blij’ is in deze context echt geen goed woord.
De viezigheid uit de riolen… Daar dreven er. En ginder ook nog. De vuiligheid kwam tot aan mijn dijen. Hoever zou ik zo nog moeten waden? Honderd meter? Een kilometer? Tot voorbij de grens van het dorp? Maar ik was vastberaden.
Uit een van de speakers klonk alweer een generaal-bericht. Dat we het foute nieuws niet moesten geloven. Dat zij gelijk hadden. Dat we de bewijzen overal konden zien.
Jaja! Ik barstte in lachen uit. Zie! De stront! Zie mij hier, in hun grootste bewijs!
Ik hield mijn handen veilig omhoog zodat ze niet vol met de drabbige vuiligheid kwamen te zitten.
De speakers dreunden voort. Dat het voor onze bestwil was, dat het leven duizend keer beter dan vroeger zou worden, dat de groene weiden en blauwe luchten
‘Jaja!’ dacht ik weer. Ik wou niet meer luisteren, vond deze vaalbruine expeditie een goeie training voor mijn beenspieren en mijn uithoudingsvermogen en begon luidkeels Dancing Queen van Abba te zingen.

IN DE GEDROCHTEN (2/3)

Hier lig ik.
Honger heb ik, en dorst.
Ik ben uitgemergeld.
Ik zie niks, hoor amper, voel niks, weet niks.
De betekenis van het woord ‘lachen’ is me ondertussen vreemd.
Spieren heb ik niet meer, mijn haren zijn lang en broos, mijn huid breekbaar droog.
Zolang ik nog tanden heb bijt ik mijn vingernagels kort.
Mijn teennagels brokkelen af.
Ver boven mij hoor ik het geraas van de auto’s, het gedaver van de metro en het gorgelen van het enorme rioolnetwerk.
Deze geluiden bonken in koor, of  wisselen af.
Meer dan dat hoor ik niet.
Geen stem, geen zang, geen radio, geen mens.
De grote afwezige is licht. Wat is dat, licht?
Waar is het blauwe van de lucht, het groene van het gras?
Waar?
Maar.
Mogelijk zijn mijn haren niet grijs, noch mijn huid.
En mogelijk ben ik nog mooi. Of niet.
Maar ben ik nog?
Wat?
Wie?

OF EEN PISTOOL (1/3)

Ik zeg het u, slagen en verwondingen, ik heb twee dagen in het ziekenhuis gelegen, ik zal klacht indienen tegen onbekenden, hopelijk heeft de camera van de elektrozaak iets geregistreerd en kunnen de flikken de gezichten herkennen.
Want nu zit ik hier, met mijn gebroken pols en mijn gebroken kaak en al die kneuzingen, ik kan zelf niks doen, weggaan doe ik voorlopig ook niet, mijn ribben doen veel te zeer en mijn beide ogen zien blauwgeelgroen van die knotsen van vuisten.
En ik zweer u, ik zal niet meer buitenkomen zonder boksbeugel in mijn zakken, ik zal die beugel altijd bijhebben en stevig aanhouden als ik door gelijk welke straat loop.
Ik vertrouw niks of niemand meer.
Zie mij hier, nu.
En nee, het waren geen vreemdelingen om het met uw woorden te zeggen, het waren jonge gasten uit de gemeente, ze spraken hetzelfde dialect als gij en ik maar ik ken ze niet, ik hou de jeugd zo niet in het oog maar ik zweer u dat ik dat vanaf nu wel zal doen, misschien herken ik hen en dan zal ik rap de flikken bellen, begot.
Want mijn pols en mijn kaak en mijn blauwe ogen en ook nog eens mijn portefeuille en telefoon en bril en horloge gepikt.
Een mens zou voor minder.
Opgejut waren ze. Drugs, ja. Geld nodig, ja. Zie mij hier, nu.

DE JONGEN MET DE RODE BALLON

Een jongen loopt met zijn rode ballon voorbij een school.
Hij kijkt naar binnen en ziet kinderen ijverig luisteren, ijverig schrijven, ijverig luisteren, ijverig schrijven.
Behalve een.
Die heeft een kleine stok met een elastiek, spant het elastiek, laat het schieten. Een witte prop vliegt door het klaslokaal.
Behalve de jongen met de rode ballon heeft niemand dat gezien.

De jongen met de rode ballon loopt voort en botst tegen een mevrouw met een bontmantel.
‘Wel, jongen, kun je niet beter uitkijken? En moet jij niet naar school?’
De jongen antwoordt niet, loopt voort, ziet in de verte een bakker.
In het uitstalraam ziet hij snoepgoed en gebak.
Op een van de taarten ligt, als versiering, een kleine ballon, ook een rode, dezelfde als die van hem, maar dan in mini-uitvoering.
De jongen met de rode ballon leunt met voorhoofd en neus tegen het uitstalraam, om beter te kunnen zien.

Hij loopt en loopt, komt aan de rand van de stad, loopt door, is nu in een dorp.
Op het plein achter de kerk staat een grote schommel.
De jongen met de rode ballon knelt het touw van zijn ballon goed in de hand en schommelt, hoger en hoger, dan weer wat lager, dan weer hoger.
Vijf minuten, vijftien minuten, een half uur. Tot hij er genoeg van heeft.

Hij kijkt rond in het dorp.
Nog een bakker.
Geen kleine rode ballon op de taarten, maar wel een gele en O ja, ginds in de hoek een oranje.
‘Misschien is het feest,’ denkt de jongen met de rode ballon. ‘Maar ik zie geen mensen en ik hoor geen muziek.’
‘Misschien moet ik even te rusten,’ denkt hij.
Hij loopt terug naar de schommel, maar schommelt niet.

Plots vliegt er iets tegen zijn bovenlip. De jongen raapt het op.
Het is de papieren prop van hierboven.
De jongen met de rode ballon knelt het touw van de ballon goed in de hand en frommelt de prop open. Er staat iets op, in potlood geschreven.
De jongen leest, glimlacht, kijkt naar de ballon en zegt ‘Kom, we vertrekken.’