Ze kon niet slapen.
‘Ik moet en ik zal, het is morgen vroeg dag,’ dacht ze.
De ademhalingsoefeningen werkten niet. Ze bleef klaarwakker, vervloekte de nazinderende adrenaline. Misschien moest ze tellen?
‘Een, twee, een, twee, een, twee,’ maar ook dat hielp niks.
‘Ik moet. Ik heb mijn nachtrust nodig. Vermenigvuldigen, misschien? Moeilijker dan die van twee of van drie? Zodat ik me moet focussen? Die van zeven? Focus? Zeven, veertien, eenentwintig, achtentwintig, vijfendertig, tweeënveertig, negenenveertig, zesenvijftig, pfff. Die van acht dan maar? Acht, zestien, vierentwintig, tweeëndertig, veertig, achtenveertig, zesenvijftig, vierenzestig, tweeënzeventig. Of nee, die van negen dan maar, met eenentachtig en de verspringende cijfers, zevenentwintig, zesendertig, vierenvijftig, drieënzestig en twee plus zeven ‘
De volgende ochtend werd ze nog vroeger dan anders uit haar bed gehaald.
‘Ik wil eerst een kop koffie en een douche, maar dan kom ik,’ zei ze.
Even later startte ze de auto en dacht ze aan de vermenigvuldigingen.
‘Huh huh de tafels hebben geholpen,’ wist ze.
Het was niet ver. Alle parkeerplaatsen waren nog leeg.
Ze belde het nummer, een paar minuten later liet iemand haar binnen.
‘U mag hier wachten, mevrouw.’
Ze wachtte. Lang, langer.
‘Drie grote ficussen, amai. En hun potgrond ziet er nat uit, te nat misschien?’ dacht ze. Die andere plant kende ze niet. Ze nam een folder uit het rek en probeerde te lezen maar de letters en foto’s dansten. Ze hield de folder vast en ijsbeerde.
‘Het is hier fris, maar het is nog vroeg,’ zei ze.
Ook de stoelen voelden koud. Ze ging toch maar zitten, hield haar rug recht, zette de voeten netjes naast elkaar.
‘U wordt gefilmd,’ wist ze.
Het duurde echt te lang.
‘Vier, zes, acht, twaalf, zestien,’ ze telde de vloertegels in groepjes van vier, nog eens, begon opnieuw maar dan anders, helemaal links, en ze lette er op dat de volgende groep van vier tegels begon onder haar voeten. Vandaar naar rechts. Enkel volledige tegels mochten geteld worden.
‘Vier, zes, acht, twaalf, zestien, twintig, vierentwintig, achtentwintig, tweeëndertig’
Het licht achter de balie floepte aan.
‘Volgende keer doe ik de tafel van twaalf. Of die van dertien? Of veertien? Of van honderddrieëndertig?’ dacht ze nog.
Categorie: Uncategorized
ZWARE REGENBOGEN
Vroeger kon ze dat. Ze kon een ganse regenboog op haar hand dragen. Helemaal.
HELEMAAL, zei ze.
Regenbogen waren toen nog heel luchtig.
JA ERG LUCHTIG, zuchtte ze.
Maar nu? Nu hangt er altijd ikweetnietwatallemaal aan die regenbogen.
IKWEETNIETWATALLEMAALVANALLESENNOGWAT, zei ze.
Bommen en granaten.
GANSE OORLOGEN
Slogans van multinationals.
JAJA COCA-COLA EN CAMPINA EN BMW ENZOVOORT, riep ze.
In alle kleuren, kleuren feller dan die van de regenbogen.
JAJA EN FLUO. GEEL! ROZE!
Ook cijfers. Statistieken, resultaten, beursnoteringen van miljoenen bedrijven.
INDERDAAD, OVER AL HUN MILJARDEN, zei ze.
En schermen. Er hangen zo veel televisieschermen en tablets aan de regenbogen.
TSSSSS EN TELEFOONS EN FILMPJES
Bovendien: mensen. Ook zij hangen. Hun ego’s bungelen in blinkende kleding.
PFFF DE ALLERGROOTSTE EN ZE KLINGEN EN KLANGEN EN SCHITTEREN VOOR EEUWIG, DENKEN ZE
Het is verleden tijd.
Door al dat gewicht draagt ze niet langer regenbogen. Er is geen beginnen meer aan. Haar spieren…
HET IS DE LEEFTIJD, MISSCHIEN, HAHAHA
Haar spieren konden die enorme gewichten niet aan.
IK BEN SIMSON NIET HE ZEG, zei ze.
Ze legde zich erbij neer. Soms zag ze nog het ontstaan van een regenboog, maar sloot dan direct de ogen.
IK WIL HET NIET MEER ZIEN. IK WIL HET NIET MEER PROBEREN, fluisterde ze.
Tot een ochtend… Aan haar rechterzijde verscheen een mini-exemplaar van een regenboog. Ze was pas wakker en kon niet weerstaan. Ze bleef kijken en ze… yes.
Tot op vandaag staat hij op haar hand. Hij is piepklein en bijna onzichtbaar. Soms legt ze er een zakdoek over, zodat niemand hem zou opmerken.
IK MOET HEM BEWAKEN EN BEWAREN, zegt ze. HET IS DE MIJNE. NIKS OF NIEMAND ZAL ER AANHANGEN. IK ZET HEM ZO VAAK MOGELIJK BUITEN, HIER THUIS, IN MIJN TUIN. HIER OP MIJN HAND EN DAAR BUITEN IN MIJN TUIN, DAAR IS HIJ VEILIG.
DANCING QUEEN (3/3)
Waar had ik die lieslaarzen ook weer gezien? Gelukkig vond ik ze dadelijk, trok ze aan en ging terug.
Drek, drek en drek.
Letterlijk. Ik ploeterde me erdoor, de stank was niet te harden maar ik was al blij met de laarzen. Alhoewel, ‘blij’ is in deze context echt geen goed woord.
De viezigheid uit de riolen… Daar dreven er. En ginder ook nog. De vuiligheid kwam tot aan mijn dijen. Hoever zou ik zo nog moeten waden? Honderd meter? Een kilometer? Tot voorbij de grens van het dorp? Maar ik was vastberaden.
Uit een van de speakers klonk alweer een generaal-bericht. Dat we het foute nieuws niet moesten geloven. Dat zij gelijk hadden. Dat we de bewijzen overal konden zien.
Jaja! Ik barstte in lachen uit. Zie! De stront! Zie mij hier, in hun grootste bewijs!
Ik hield mijn handen veilig omhoog zodat ze niet vol met de drabbige vuiligheid kwamen te zitten.
De speakers dreunden voort. Dat het voor onze bestwil was, dat het leven duizend keer beter dan vroeger zou worden, dat de groene weiden en blauwe luchten
‘Jaja!’ dacht ik weer. Ik wou niet meer luisteren, vond deze vaalbruine expeditie een goeie training voor mijn beenspieren en mijn uithoudingsvermogen en begon luidkeels Dancing Queen van Abba te zingen.
IN DE GEDROCHTEN (2/3)
Hier lig ik.
Honger heb ik, en dorst.
Ik ben uitgemergeld.
Ik zie niks, hoor amper, voel niks, weet niks.
De betekenis van het woord ‘lachen’ is me ondertussen vreemd.
Spieren heb ik niet meer, mijn haren zijn lang en broos, mijn huid breekbaar droog.
Zolang ik nog tanden heb bijt ik mijn vingernagels kort.
Mijn teennagels brokkelen af.
Ver boven mij hoor ik het geraas van de auto’s, het gedaver van de metro en het gorgelen van het enorme rioolnetwerk.
Deze geluiden bonken in koor, of wisselen af.
Meer dan dat hoor ik niet.
Geen stem, geen zang, geen radio, geen mens.
De grote afwezige is licht. Wat is dat, licht?
Waar is het blauwe van de lucht, het groene van het gras?
Waar?
Maar.
Mogelijk zijn mijn haren niet grijs, noch mijn huid.
En mogelijk ben ik nog mooi. Of niet.
Maar ben ik nog?
Wat?
Wie?
OF EEN PISTOOL (1/3)
Ik zeg het u, slagen en verwondingen, ik heb twee dagen in het ziekenhuis gelegen, ik zal klacht indienen tegen onbekenden, hopelijk heeft de camera van de elektrozaak iets geregistreerd en kunnen de flikken de gezichten herkennen.
Want nu zit ik hier, met mijn gebroken pols en mijn gebroken kaak en al die kneuzingen, ik kan zelf niks doen, weggaan doe ik voorlopig ook niet, mijn ribben doen veel te zeer en mijn beide ogen zien blauwgeelgroen van die knotsen van vuisten.
En ik zweer u, ik zal niet meer buitenkomen zonder boksbeugel in mijn zakken, ik zal die beugel altijd bijhebben en stevig aanhouden als ik door gelijk welke straat loop.
Ik vertrouw niks of niemand meer.
Zie mij hier, nu.
En nee, het waren geen vreemdelingen om het met uw woorden te zeggen, het waren jonge gasten uit de gemeente, ze spraken hetzelfde dialect als gij en ik maar ik ken ze niet, ik hou de jeugd zo niet in het oog maar ik zweer u dat ik dat vanaf nu wel zal doen, misschien herken ik hen en dan zal ik rap de flikken bellen, begot.
Want mijn pols en mijn kaak en mijn blauwe ogen en ook nog eens mijn portefeuille en telefoon en bril en horloge gepikt.
Een mens zou voor minder.
Opgejut waren ze. Drugs, ja. Geld nodig, ja. Zie mij hier, nu.
DE JONGEN MET DE RODE BALLON
Een jongen loopt met zijn rode ballon voorbij een school.
Hij kijkt naar binnen en ziet kinderen ijverig luisteren, ijverig schrijven, ijverig luisteren, ijverig schrijven.
Behalve een.
Die heeft een kleine stok met een elastiek, spant het elastiek, laat het schieten. Een witte prop vliegt door het klaslokaal.
Behalve de jongen met de rode ballon heeft niemand dat gezien.
De jongen met de rode ballon loopt voort en botst tegen een mevrouw met een bontmantel.
‘Wel, jongen, kun je niet beter uitkijken? En moet jij niet naar school?’
De jongen antwoordt niet, loopt voort, ziet in de verte een bakker.
In het uitstalraam ziet hij snoepgoed en gebak.
Op een van de taarten ligt, als versiering, een kleine ballon, ook een rode, dezelfde als die van hem, maar dan in mini-uitvoering.
De jongen met de rode ballon leunt met voorhoofd en neus tegen het uitstalraam, om beter te kunnen zien.
Hij loopt en loopt, komt aan de rand van de stad, loopt door, is nu in een dorp.
Op het plein achter de kerk staat een grote schommel.
De jongen met de rode ballon knelt het touw van zijn ballon goed in de hand en schommelt, hoger en hoger, dan weer wat lager, dan weer hoger.
Vijf minuten, vijftien minuten, een half uur. Tot hij er genoeg van heeft.
Hij kijkt rond in het dorp.
Nog een bakker.
Geen kleine rode ballon op de taarten, maar wel een gele en O ja, ginds in de hoek een oranje.
‘Misschien is het feest,’ denkt de jongen met de rode ballon. ‘Maar ik zie geen mensen en ik hoor geen muziek.’
‘Misschien moet ik even te rusten,’ denkt hij.
Hij loopt terug naar de schommel, maar schommelt niet.
Plots vliegt er iets tegen zijn bovenlip. De jongen raapt het op.
Het is de papieren prop van hierboven.
De jongen met de rode ballon knelt het touw van de ballon goed in de hand en frommelt de prop open. Er staat iets op, in potlood geschreven.
De jongen leest, glimlacht, kijkt naar de ballon en zegt ‘Kom, we vertrekken.’
IN DE WISTERIA
Wie zijn zij? Die kleine kabouters die in de blauwe regen huizen? Die de bloemen tevoorschijn toveren en de takken leiden?
Ze zijn onmetelijk klein en onzichtbaar maar blijven van in de lente tot in de late zomer bedrijvig hun werk doen, verspringen, verhuizen en weer, en zingen in koor bij het zachte ontluiken van al dat nieuwgroene, nieuwblauwe.
Wat niemand weet, is dat zij hun krachten gebruiken om goud te spinnen en het daarna te weven doorheen de lianen en takken.
Dat ze vanaf hun hoogte de onzichtbare gouden draden spannen naar andere planten, naar huizen, naar lucht en naar regenbogen.
Zij leiden de zonnestralen. Ze leiden het licht en de kleuren.
Ze zingen hun lied en laten planten en bomen ontluiken en groeien.
Ze weven miljoenen nieuwe takken en paden.
Krachtig zijn ze, die kleine kabouters. Dag en nacht wakker, werkend en wakend. Zich lavend aan zon, aan het zicht op de wereld, aan het groene en blauwe, aan de sappen en groeikracht van al de planten.
Ze leiden, ze springen, ze laten bloeien, ze nemen een gouddraad en nog een en nog en weven de pracht tot ginds, in het bos, en tot daar, aan het water, en tot in de toppen van de bomen, en hoger en verder.
NORMANDY
Ze zei Ik wil terug naar die kust, naar het spel van de golven met het zonlicht,
naar de kracht van de wind en de kleuren van de regenbogen in de opvliegende
druppels. Naar het gestage op en af en op en af van het water en van de wind.
Ze zei Ik mis de grootsheid, de energie, ik mis het kunnen zien van de pracht,
zelfs al kan ik het me met gesloten ogen voorstellen en volop voelen en horen.
Het blauwe, het diepe, het blauwe, het diepe, het verre, het echte.
Ze zei Het is enorm.
Ze zei Het water op de keien en de weelde van zon, zee, wind. Van de kleuren.
Ze zei Ja ik weet het dat luttele kilometers verderop de duizenden soldaten
begraven liggen. Hun kruisen. Ik weet het, ik weet het. Het witte. De bomen.
De pleinen. Het gras.
Maar daar? Die toren? Reikend naar wolken. Baken voor schepen en mensen.
Zijn oude vuur. Zijn licht in de nachten. Het wijze, de wijzer. In die krachtige
golven, in zonlicht en stormen en wind. Met zicht op oneindig, op zeeën en
velden, op tuinen en huizen. Op mensen.
GOUDEN LEEUWEN
‘Twintig.’
‘Oei. Ja, dat is veel. Had je het geld?’
‘Nee. Ik heb zeventien moeten lenen.’
‘En je hebt die lening gekregen?’
‘Ja. Ik was daar al klant en de lening werd vanzelf goedgekeurd.’
‘Welk bedrag per maand?’
‘Te veel.’
‘En wat zei Annie?’
‘Die was niet blij. Ik heb hem gekocht zonder er haar iets over te vertellen.’
‘En? Rijd je al?’
‘Nee, ik moet wachten op de verzekering en op de nummerplaat.’
‘O.’
‘Ik heb een gepersonaliseerde nummerplaat gevraagd.’
‘Oei. Dat is toch duur?’
‘Ja. En ik laat nog een special painting aanbrengen. Een gouden leeuw op de tank.’
‘Huh? Serieus?’
‘Ik heb ook alle bijhorende kleding gekocht. Helm, laarzen, broek, vest, handschoenen.’
‘Amai. Mooi, zeker?’
‘Ja. Met emblemen. Gouden leeuwen. Ook special paint op de achterkant van de helm.’
‘En dat allemaal voor twintigduizend?’
‘Heu nee. De twintig was enkel voor de Harley.’
‘Ai. Ja. Annie?’
‘Geen klank. Amper beeld.’
‘Tja, wat wil je.’
‘Het betert wel weer.’
‘Denk je?’
‘Ja, ze draait wel bij. Ja ik denk wel dat ze zal bijdraaien. Hoop ik.’
DIEP, DIEP ONDER DE HUID
‘En, hoe gaat het?’ vraag ik.
‘Och, ça va,’ zegt ze. Ze kijkt me niet aan.
‘Ja, maar hoe gaat het met jou?’ vraag ik.
‘Ik ben oké,’ antwoordt ze. Ze kijkt me nog altijd niet aan.
‘Zullen we eens ’ Ik wil haar uitnodigen maar ze laat me mijn vraag niet afmaken.
‘Ik heb geen tijd, ik moet voortdoen,’ zegt ze.