Ik weet sinds lang dat t wee plus t wee vier is maar soms h apert mijn toetsenbord en i s twee plus twe e vijf.
Ik d acht Ik neem mijn toet senbord even onder handen en ik prob eerde het te he rstellen, zeker vier keer maa r het is niet gelukt.
Dan heb ik maar een professionele hers teller gebeld en d ie bekeek het, haalde het hel emaal uit elkaar en heef t het gete st.
Mevrouw, zei hij. M isschien moet u zich er ma ar b ij neerleggen dat het niet altijd lijkt t e klo ppen en dat twee pl us twee som s simpelweg v ijf of zelfs ze s is.
Helaas, enkele zwaargewichten beslisten, beslissen om met hun breder dan brede schouders en met hun groter dan grote kragen te veel GEWICHT in de schaal te leggen
en de schaal BRAK, BREEKT
want werd, wordt met BOMMEN geladen en met GEWEREN en zo voort, voort.
Zo werd en wordt het leven aanzienlijk minder vederlicht en zagen en zien we te veel TRANEN en mensen die andere mensen moeten missen EEUWIG
en die geen huis meer
of geen dorp
of geen stad
of geen water en voedsel en kleding
zelfs geen teenslippers
zelfs geen ledematen
…
Ja, het leven zou VEDERLICHT moeten, moeten
maar sommigen groten der aarde gooiden en gooien tonnen KASSEISTENEN – lukraak, alsof het niks is – en die kasseistenen hebben LONTEN
of die groten der aarde goten of gieten GLOEIENDheet LOOD op wat vederlicht was of had kunnen
…
‘HELAAS’ zegden en zeggen die groten ‘HELAAS en HELAAS,’ ‘Vederlicht kan niet, ik zal en ik wil het niet toelaten,’ zegden ze, zeggen ze
En ze knoopten en knopen hun das En stonden en staan zelfzeker voor de spiegel en voor ’s werelds cameraploegen En rechten en breden nog steeds en hoe langer hoe meer en hoe liever en overtuigder de schouders en zo voort, voort
Hij wist dat licht licht was, probeerde het volledig te grijpen maar het ontsnapte telkens, schoot omhoog of omlaag, het maakte zelfs een dubbele salto
en plots wist hij ‘Ik moet rustig blijven,’ sloot de ogen, draaide
langzaam
om zijn as, opende de ogen en greep
Hij kon er mee spelen, jongleren, liet het los, ving het weer op, dicteerde het
helemaal zelf
om een dubbele salto te maken of liet het
zelfs even verdwijnen om het dan lichter dan licht weer naar voren te brengen
en te laten springen en botsen en alles
Hij joeg ook de storm en het onweer
vér weg
door te blazen en nog eens en voelde zich zelf
lichter dan licht toen hij het licht helemaal los liet, kon laten.
de kraaien roepen dat ze niet content zijn of net wel? ik kan het niet weten ik kijk en ik luister ze flapperen en kakelen van hier naar ginder.
de hond houdt de omgeving goed in de gaten hij bewaakt me of ligt hij te wachten op een van zijn kameraden? ik kan het niet weten. hij draait zijn kop en kijkt nu vooral naar het baantje.
en daar zijn de mussen zij zijn content zij zijn vrolijk of is het hun alledaagsheid? is hun gezang de normale gang van zaken?
het is zondagochtend de mensen slapen, ze rusten, berusten of dromen van betere, andere oorden ik kan het niet weten misschien dromen zij slechts van het mindere moeten?
Ze zag de groene specht. Plots vloog hij met een grote boog naar het bos. De volgende middag zag ze hem weer. De derde dag keek hij haar aan. Hij wenkte. ‘Hoe gaat het met jullie?’ vroeg hij. ‘Dank je, het gaat,’ antwoordde ze. ‘Nochtans. Ik hoorde dat al het andere pittig is,’ zei hij. Ze zweeg. ‘Veel drukte, veel gedoe, veel druk,’ zei hij. ‘Ja. Pittig dus.’ zei ze. ‘Lukt het een beetje?’ vroeg hij. ‘Ja. Ja. Een beetje,’ twijfelde ze. ‘Ben je goed voorbereid voor maandag?’ vroeg hij. ‘Ik heb een bundel. Ik moet nog wat printen en ik zal een paar verduidelijkingen noteren. Het wordt een dik dossier,’ zei ze. ‘Zal het helpen?’ vroeg hij. ‘Ik weet het niet,’ zei ze. ‘Ben je bang?’ Ze zweeg. ‘Ben je bang?’ herhaalde hij. ‘Soms wel,’ zei ze. ‘Ik ken de gevolgen niet. Meester T. zei dat het gevaarlijk kan worden.’ ‘Maar je moet dit doen,’ zei hij. ‘Ja. Ik moet. Wij moeten. Samen zijn we hopelijk sterk genoeg.’ ‘Zie je het mooie nog?’ vroeg hij. ‘O ja. Misschien niet vaak genoeg, of niet alles. Maar toch. Ik zie iedere dag de klaprozen in het veld, de kamperfoelie die straks vol bloemen staat, de notelaar die het laatste jaar enorm gegroeid is. We zullen veel noten hebben. En gisteren zag ik een van de kwikstaartjes. En de spechten.’ ‘Veel goede moed,’ zei onze groene specht. Hij vloog met een grote boog naar het bos.
‘We gaan naar het water,’ zei hij. ‘Ik hoop dat de zon schijnt’, zei zij. ‘Ik denk het wel,’ zei hij. ‘Voor de glinsters op het water, en voor de bootjes en de vissers,’ zei zij. ‘Maar het uitzicht zal niet meer hetzelfde zijn,’ zei hij. ‘Nee, want die vakantiewoningen,’ zei zij. ‘En de hoogbouw,’ zei hij. ‘Maar we kunnen naar het brugje wandelen, zo de haven in, voorbij het havencafé, het tweede brugje over en dan links, tot op het einde?’ vroeg zij. ‘Ja, ik denk dat dat beter is. Onbelemmerd uitzicht,’ zei hij. ‘Ja, op het glinsterende water,’ zei zij.