JOUW HOOFD IS GROTER DAN EEN VARKENSKOP, HIK (REEKS: LAZARUS)

Negen uur ’s ochtends en ze stond al te waggelen op haar benen.
Hik, zei ze.
Het is een truc, zei de andere.
Wa at? Hikte ze.
Dat het een truc is, zei de andere. Je hoofd leegmaken.
Hoofd d, hik? Zei ze.
Ja. Leegmaken. Tegen het te vele. Je voelt de dreiging, zei de andere.
Drei ging? Vroeg ze.
Ja, de dreiging van het te vele. Al die informatie, al die dingen van anderen, of de dingen die moeten.
Ja. Hik, hik. Moeten, moettten, mmoeten! zei ze.
Als je ze voelt hé, maar je moet er natuurlijk eerst bij stilstaan
Stilstaa-aan, hikte ze.
Als je er bij stilstaat, dan kun je daarna je hoofd leegmaken, zei de andere.
Hikk, antwoordde ze.
Je bent dronken, zei de andere.
Ik? Ik? vroeg ze.
Ja, jij, zei de andere.
Ik heb noch tans niks en helemaal ni iks gedronken, zei ze.
Nee? Vroeg de andere. Ik denk daar anders over.
Jij mmag den ken wat je wilt, zei ze. Ze waggelde de keuken in en viel tegen de deurstijl. Ik bben nie iet dronken. Ze leunde.
Misschien ben je nog dronken van gisteren, zei de andere. Maar ik zet jou uit mijn hoofd.
Ja, hhik. Maak dat grrote hoofd van jou maarr eens goe oed hik leegg hik. Daar is werk aan, jouw hoofd is gro ter dan een varkenskop, hahaha. Eenn echte var kens kop. Hha.
De andere haalde de schouders op. Dronkemanspraat. Negeren.
Ik ga een ddutje doen, zei ze.
Een dutje? vroeg de andere. Om negen uur ’s morgens?
Jaha. Ik ben moe. Maar ik heb ook ddorst. Ze waggelde de keuken in.
Hier is geen druppel alcohol te vinden, zei de andere.
Al cohol? Menss, je bent gek, hikk, zei ze. Ik drink geen alcho hol. Ik wwil wwater. Ze nam een glas van het aanrecht en liet het vallen. Het glas brak in duizend stukken. Oepss, zei ze. Hik, zei ze. Ik ben lommp geboren, zei ze.
Dronken ja, zei de andere.
Ik ben no oit dronken, antwoordde ze. Ik drinnk niet. Neverr, hik. No oit van mijn leven, hik.

Advertenties

DRONKEN VAN (REEKS: LAZARUS)

‘Ik hou van jou, ik wil je niet missen, ik ben dronken van liefde,’ zei ze.
Omdat ze me maar bleef bellen en sms’en gaf ik haar uiteindelijk vijfhonderd euro.
‘Hier, mens.’
Ze kalmeerde en ik hoorde haar twee dagen niet. Ik dacht dat het gewerkt had. Niks van. Het duurde niet lang of ze stond daar terug, het geld was al op en ze zei dat ze me de knapste en liefste man van de wereld vond en dat ze eeuwig en altijd bij mij wou zijn en dat onze liefde de grootste aller tijden was. Ik gaf haar nog eens vijfhonderd euro en ze verdween weer.
Een dag of vier later vroeg ze vlakaf om nog meer geld. Ze hing aan mijn lijf. Ik heb haar weggeduwd en gezegd dat mijn geld op was. Ze geloofde me niet en heeft wat staan grienen en zeuren, nog altijd over de liefde en hoe graag ze me wel zag en ik haar ook, maar dat ik het niet besefte en ik heb haar nog eens weggeduwd en gezegd dat ik haar een lelijk monster en een stomme trut vond. Dat is niet helemaal waar, maar het werkte en ik heb haar niet meer gehoord of gezien.

ZE STAAT DAAR WEER

Ze staat daar vaak.
Ze rookt.
Ze kijkt naar de voorbijgangers, ze kijkt naar de auto’s, ze kijkt recht voor zich uit zonder naar iets specifieks te kijken. Ze trekt aan haar sigaret, ze inhaleert, ze blaast de rook terug uit, wacht even, trekt, inhaleert, blaast uit. Ze kijkt naar het brandende puntje, klopt wat asse af, kijkt naar het brandende puntje, trekt aan de sigaret, inhaleert, blaast.
Een kind fietst voorbij.
Het steekt de hand op en roept haar iets toe.
Ze glimlacht en wuift.
Ze trekt nog eens, gooit de peuk in de goot en gaat naar binnen.
Een uur later staat ze daar terug.