IS HET DAT.

Is het dat? Is dat wat het is? Is dat het? Meer niet? Misschien minder? Ook niet? Is het gewoonweg dat? Maar zij zeggen toch dat er meer is? Of minder? Weten zij dat dan niet? Beslissen zij dat? Houden zij voet bij stuk dat? Dat wat? Dat dat meer is? Minder? Wat is dat, dat? Hoe weten zij dat dat?
Zijn er die in opstand komen? Die dat? Die revolteren? Af en toe eens een? Of twee? Die zeggen dat het dat niet is, dat dat niet kan, dat dat in het ganse heelal onmogelijk is? Nergens? Zelfs niet in het grootste zwarte gat? Impossible, in het Frans? Dat, dat niet? Dat dat, niet? Maar ze komen toch in opstand, dat? Dus ze weten, dat? Weten ze, dat dat? Weten ze dat dat niet? Dat dat niet is wat het is, dat? Of wat? Maar ze zijn toch met meer, dat? Met tien, dat? Met duizend, dat? Die dat? Die niet dat? Nee, niet, dat niet, ze zijn met meer, vast, die dat. Ja, dat. Dat moet. Het moet echt dat zij dat. Zijn zij dat, misschien? Zij dat dat, bedoel ik. Zij Dat Dat. Denk je? Maar weet jij iets over wat het is? Dat dat is wat het is, en niet meer dan dat, niet minder dan dat, dat anders? Kun je dan bewijzen, dat? Dat dat? Hoe? Hoe dat, denk je? Hoe veel dat? Een leven, dat? Dat leven, dat? Of zijn het spek en bonen, die, dat? Of olifanten? Of racewagens? Een racewagen, dat? Een olifant, dat? Spek en bonen, dat? Mercedes, Liebig, Fruitella, dat? Of wat? In euro’s? In dollars? In ponden? Dat? In roebels? Dat? In Lucht? Dat? Zuivere lucht? Dat? In dat, wat ik zag, wat ik hoorde, wat was, dat wat was, is, dat?

(achteraf, als geroepen, begeleid door Zbigniew Preisner, 62 nummers, 1u58’, in eeuwige porties.)

Advertenties