VAN MIJ NIET VAN MIJ

Ik had hem gevonden en beschouwde hem als mijn eigendom. We schoten dadelijk goed op, konden vlot communiceren en slaagden er makkelijk in om elkaars ernst met een kwinkslag te relativeren. Ik voelde me goed bij hem. Ik was blij met mijn vondst en hij was van mij. Het feit dat ik hem had gestolen vergat ik.
Immers, alles klopte en ging de hele tijd vanzelf. Onze vriendschap was er een uit de duizend, ze was een evidentie, een gelukkig toeval. Van diefstal kon geen sprake zijn. We praatten en lachten en ik genoot.

Op een dag was hij weg. Verdwenen. Ik treurde wat, herinnerde mezelf eraan dat ik hem had gestolen. Ik dacht met plezier terug aan de mooie dagen en legde me neer bij de leegte.

Weken later las ik in de krant dat ze hem op het strand hadden gevonden. Dood. Verdronken en aangespoeld. Mijn reus, zijn immens grote lichaam, op het strand van Oostende. Grote, vette letters in de krant. Een reus als curiosum, te veel confronterende foto’s van mijn dode vriend. Foto’s van mensen die op zijn armen, benen, torso en hoofd klauterden. Die selfies en zelfs groepsfoto’s maakten. Die met hun gsm-licht in zijn neusgaten schenen. Die vuurtje stookten in zijn navel of van teen naar teen hopten. Die zijn dijen als glijbaan gebruikten. De foto’s deden me pijn aan de ogen.

Nog een paar dagen later stond hij opnieuw in de krant. Dat mensen hem als het ware ontmantelden. Een geamputeerde hand en voet. Anderen beschreven de plannen die ze met hem hadden. Ze wilden zijn ribben gebruiken als ornament. Ze wilden zijn schedel in een museum  tentoonstellen.

Het deed zeer, veel zeer. Mijn reus, mijn vriend. Dood. Ontmanteld, ontmenselijkt. Hij was van mij. Hij was niet van mij.

DEINING

Het land

De zee

Het land

De zee

Het land

De zee

Het land

De zee
De zee

De zee
Het land
Een hoge golf
Een hoge golf
Het land
Een hoge golf
Een hoge golf
Een hoge golf

Het land
Hoge golven hoge golven veel hoge golven
Het land
Een hoge golf
Een hoge golf
Het land

De zee

Het land

De zee

De zee

De zee

VOLLENBAK

De colruyt trekt zich van de oorlogen en doden en daklozen en miserie just niks aan en doet vrolijk voort.
Hij zegt ‘Vollenbak leven’ maar bedoelt in feite en natuurlijk niet dat we vollenbak moeten leven, wel dat we de blauwe collect&go bakken vollenbak moeten vullen en dat we de kofferbak van onze auto vollenbak en met de grootste glimlach vol moeten stoempen en vooral dat we een zo lang en zo hoog mogelijk kasticket moeten krijgen en betalen.
Dat is ‘vollenbak leven’.
Trap er maar in, dat is normaal, want de gekte in de winkels en de winkelstraten en de stapels in de bestelwagens van de pakjesdiensten bevestigen dat i e d e r e e n erin trapt.
Pf.
En de colruyt is niet de enige.
Opsommen wil ik niet, of ja toch, eentje.
Een groot motorrijwielenmerk zegt dat we ten volle van het leven moeten genieten, en dat kan natuurlijk niet zonder hun merk. Vollenbak genieten, absoluut.

En nu ben ik weg, want anders wordt dat hier toch een opsomming en merken-namedropping van jewelste.

Of nee, wacht, ik wil er nog aan toevoegen dat ik voorlopig niet veel zin heb om hier iets te zetten.
Er wachten wel degelijk enkele teksten, maar de moeite om ze rap nog eens na te lezen en ze hier te droppen [plop] is te groot. Te veel gevraagd.
Kader het maar in dat commerciële en marketinggedoe van de colruyt en van dat motorrijwielenmerk en van al die andere. En van de algehele blindheid. Blindheid die overal te zien is. Is dat geen goeie?

Mijn onwil ebt wel weer weg en dan herneem ik.
Fijne feestdagen alvast. Geniet ervan, vollenbak.

TE MENS



Te wit te zwart te bruin te rood te groen

te blauw te geel

te groot te klein te dik te dun te iel

te veel te

veel.

Te vroeg te laat te sterk te zwak te erg

te luid te stil te lief te bruut te zacht te hard te

kwijl.

Te niet te al te slim te mal te zot te dom te

te.

Te fris te warm te heet te vuur te fel

te hel te zon

nabij.

Te nu te dan te traag te rap te veel te veel te

veel.

Te lui te druk

te arm te rijk

te mooi te pop

too bad.

Te blond te ros te grijs te

kort te lang te los te strak te

al.

Te veel te erg

te hang te lig

te spot-

goedkoop te duur

te vol te leeg te door te in te uit

te hier te daar

te heel te veel

te mens te

overal.

(sic, sic en sic, etc)
(deze txt is wsl niet af)

te slecht te goed

IN DECENNIA

Hij mepte met de volle vuist op de tafel, ‘Nu moet het gedaan zijn!’.
Zijn dochter stond op en maakte aanstalten om naar haar kamer te gaan.
Hij brulde voort: ‘Hier blijven gij! Ga mij een pint halen!’
Ze bleef even stokstijf staan, draaide zich langzaam om en zei: ‘Als ge wilt drinken dan zult ge uw pint zelf moeten halen.’

Tien jaar later:
Ze ging er met de kinderen op bezoek. Het waren immers hun grootouders.
‘Ge moest eens weten wat ik allemaal over u weet,’ zei hij uitdagend.
Ze slikte. Riep de kinderen bij zich. ‘Kom schatten, we gaan naar huis, we komen volgende week terug. Geef oma en opa een knuffel.’
‘Ge moest eens weten wat ik allemaal over u weet,’ herhaalde hij. De toon was wat veranderd. Scherper.
Ze slikte weer en knoopte de mantel van een van de kinderen dicht. Misschien zocht ze naar adem? Naar een weerwoord? Ze zei zacht: ‘Gij weet vast veel meer over mij dan ik zelf weet. Kom, kinderen.’
‘Awel ja, trut, bol het maar af,’ snerpte hij.

Tien jaar later:
‘Mevrouw, uw vader heeft zichzelf met een schaar in de pols gesneden. Met opzet. Het is geen diepe wonde. Hij werd naar psychiatrie overgebracht. Na een poging tot zelfdoding is dat standaard, mevrouw. Kunt u hem wat makkelijk zittende kleding wegbrengen?’
De gangen van de instelling waren lang en koud. Ook de afdeling was verre van gezellig. Stille mensen, schuifelende mensen, weinig mensen. Haar vader lag in een verduisterde kamer, hief een arm op toen hij haar zag, zei niks, kon niks zeggen? Ze dropte de kleine reistas op een stoel. Een verpleegster kwam binnen, zei dat de kledij van pas kwam en dat hij nog geen woord had gezegd. Dat hij niet uit bed kon of wou. Dat hij daar gewoon maar lag.

Tien dagen later:
‘Mevrouw, we hebben uw vader naar het UZ laten brengen. Hij heeft een longontsteking. Het gaat niet goed met hem, mevrouw.’

Twee dagen later:
‘Mevrouw, uw vader heeft niet lang meer te leven. Het is beter dat u even komt.’
Ze belde het woonzorgcentrum, dat ze haar moeder zou komen halen, dat ze dringend naar het UZ moesten.

Twee uur later:
Het was druk op de baan.
‘Ge moest eens weten,’ bleef haar moeder mompelen. ‘En gij zat er altijd maar tussen en gij hield u sterk,’ zei ze.
‘Wat zeg je?’ vroeg de dochter.
‘Niks, dat hij op sterven ligt,’ zei de moeder.

Een uur later:
‘Hij is tien minuten geleden overleden, mevrouw.’
Haar moeder knikte, keek naar de dode, haar dode.
Terug in de auto zei ze: ‘Hij is dood. Voor altijd. Hij komt niet meer terug.’

SOMS IS HET EEN RONDE TAFEL, OF EEN HOGE

Zij zijn veel slimmer dan wij.
[ik neem mijn hoed af]
Ze zitten de ganse dag aan een van hun
tafels
en voeren diepgaande
gesprekken
over hun hoogstaande
leven,
[ik neem mijn hoed af]
over wat ze gisteren en vanochtend
deden
[ik neem mijn hoed af]
en over hun betekenis in onze huidige
mij.
[ik kort het af]
[ik neem mijn hoed af]


Ze drinken een wijntje
en een koffie
en een wijntje.
Ze keuren de geuren en kleuren ervan en
bespreken, benoemen, beschrijven de bonen en druiven
[ik neem mijn hoed af]
en drinken een extra wijntje
en koffie
en

Ze zijn tevreden.
Zeggen hoe goed ze het deden
en doen
en zullen.
Ze maken een scala aan plannen – een speech,
een lezing, een artikel, een boek
[ik neem mijn hoed af]
en tellen wie ze ondertussen al kennen
in welke landen
op welke zenders en online platformen
en hoe de laatste vlucht was
en zal

Dus ja,
inderdaad,
echt en echt,
ik neem mijn hoed af
en buig
en bewonder
en volg
en bewonder.
Ik val misschien in zwijm
want bewonder,
neem mijn hoed af
en buig
diep
diep
en nog eens
en dieper
tot
mijn hoed valt.

GEZELSCHAP

En de kater heeft alweer een muis te pakken en vindt dat hij die per se in huis moet brengen.
Ik haast me snel naar binnen en sluit de deur, maar blijf het schouwspel in de gaten houden.
Kater Maurice maakt rechtsomkeer, zegt ‘Foert, dan kruip ik met mijn muis tussen de salie en speel ik daar nog even verder. Maar oei, die domme muis beweegt niet meer. Grrr, ik moet een andere zoeken.’
Maurice huppelt in grote sprongen over de kasseistrook en het gazon, richting het bos.
Ik ga weer naar buiten en kijk even rond.
De steenraketten!
De kamperfoelie!
Met diepe halen adem ik zo veel mogelijk frisse lucht in.
‘Max!’ roep ik.
Max komt direct, ik lijn hem aan en neem hem mee de garage in. Hij springt het liefst in de kofferbak terwijl ik het niet zie, dus draai ik me om en zeg ‘Hop!’
‘Goed zo,’ zeg ik, geef hem een aai en sluit de klep van de kofferbak.
Ik stap in de auto en start de motor.

BAD DREAM


‘Deze.’

‘Huh?’

‘De wereld.’

‘Wat bedoel je?’

‘De wereld van vandaag is erg genoeg. De volgende hoef ik niet mee te maken.’

‘Wat zeg je nu?’

‘Dat ik het niet kan en niet wil geloven. Dat het niet nog erger kan of mag. Dat er te veel grenzen overschreden worden. Dat mensen te blind zijn. Blinderder. Ik zal me opsluiten, in mijn kot van oude woorden en boeken. Ik heb er voldoende. Er liggen ook nog minstens twee dozen met oude kranten in mijn kamer. Niet dat het in de tijd van die oude kranten zo glorieus was. Tja. Ik verhuis die dozen mss beter naar de zolder. Dan hoef ik er niet meer aan te denken – aan het toenmalige ‘niet zo glorieuze’. Maar nu? Dit? In mijn wereld? Dit kan mijn wereld niet zijn. Het moet een boze droom zijn. Wake me up.’


6/11/2024

‘Wake me up’ deed me aan ‘Bring me to life’ van Evanescence denken. Niks mee te maken (tja), maar ik zet het hierbij.

HET KASTEEL VAN GAASBEEK

Onze volgende bezoeken aan het domein van het Kasteel van Gaasbeek zullen ons hier altijd doen aan terugdenken.
Gisteren kwam er een man uit de struiken gesukkeld, met zijn jeans (Armani) en onderbroek (Calvin Klein) nog op de knieën. De hele handel bloot, hoestend en kuchend. Met de jeans nog altijd op de knieën maakte hij ineens rechtsomkeer. Na drie struikelende stappen begon hij te kotsen. Met zijn mouw veegde hij mond en baard af, proestte nog na, fatsoeneerde zijn kleren, kwam tot op de wandelweg en waggelde voor ons uit. Misschien was hij tijdens al dat gesukkel zijn bril verloren want plots draaide hij zich om en vroeg hij ons de weg naar de museumtuin. De wegwijzers had hij niet gezien, ofwel kon hij ze niet lezen.
‘Rechtsaf, meneer,’ zei ik.
‘Rechts dus,’ hikte hij. Hij stak de rechterhand zo hoog mogelijk op. Met de linker pulkte hij nog iets uit zijn baard, draaide zich om, bleef ‘Rechts, rechts’ herhalen en koos tien meter verder de juiste richting.

MORGEN

Terwijl een mens zich veeleer en vooral moet (blijven) afvragen of de zon de volgende ochtend wel weer zal schijnen.

(Het antwoord daarop is ‘ja’, maar toch)