Het leven zou vederlicht moeten zijn.
LEVEN (1/2)
Het leven zou vederlicht moeten zijn.
Het leven zou vederlicht moeten zijn.
Ik leg me neer en
doe mijn ogen dicht,
blijf stil
en luister.
Ik hoor niks.
Maar dan toch, plots,
een kinderlach
en stemmen van een vrouw, een man
en dan weer niks.
Of toch?
Getsjirp van merels, mussen,
af en toe de vrolijkheid
van zwaluwen
en
nu en dan het ruisen van de bladeren
en dan weer
niks.
Of toch?
Of niks?
Of toch?
De zwaluwen,
een duif of twee,
de zwaluwen – hun vrolijkheid.
Ik lig.
Ik houd mijn ogen dicht
en luister,
hoor weer even niks.
Of toch?
Hij wist dat licht licht was,
probeerde het volledig te grijpen
maar het ontsnapte
telkens,
schoot omhoog of omlaag,
het maakte zelfs een dubbele salto
en plots wist hij
‘Ik moet rustig blijven,’
sloot de ogen, draaide
langzaam
om zijn as, opende de ogen
en greep
Hij kon er mee spelen, jongleren,
liet het los,
ving het weer op, dicteerde het
helemaal zelf
om een dubbele salto te maken
of liet het
zelfs
even verdwijnen
om het dan lichter dan licht
weer naar voren te brengen
en te laten
springen
en botsen
en alles
Hij joeg ook de storm
en het onweer
vér weg
door te blazen
en nog eens
en voelde zich zelf
lichter dan licht
toen hij het licht
helemaal los liet,
kon laten.
Het ruikt hier naar pas gemaaid gras
en de vliegen vliegen
de duiven
en de zwaluwen.
Het ruikt naar pas gemaaid gras
en een jonge man ziet een jonge vrouw
een jonge vrouw ziet een jonge man
en vijftien jaar later
hebben ze een huis, een tuin, twee kinderen,
ze werken, eten, slapen,
helpen met de rekensommen
en kijken televisie.
Het ruikt naar pas gemaaid gras
en tweeduizend kilometer verder
en vierduizend kilometer verder
zaait de mens
geweld, dood, verdriet,
kapotte huizen,
wezen,
kinderloze ouders.
Op sommige plekken ruikt het
naar pas gemaaid gras
en elders, de mens, zaait hij,
zaait hij wat?
Velden vol veel
gedichten
Lorca
Pavese
de jonge Hertmans
de immer jonge Rimbaud
Cummings
Hölderlin
Velden vol veel
veel
vaak anders
de zinnen
de woorden
Whitman
Carver
De tuimelingen van Borges
en van zijn vriend, Bioy Casares
en de uitvinding
en de tijd
of Rilke
of Handke
of, alweer, de jonge Hertmans
en Boon
en Elsschot
en, alweer, Pavese en de zon en het licht en het water en de velden en de warmte
en de vriendschap
en het leven
Velden vol veel
veel wereld
en meer
en nog
nog een wereld
mensen en huizen en dromen
veel
en rozen en doornen
de kraaien roepen dat ze niet content zijn
of net wel?
ik kan het niet weten
ik kijk en ik luister
ze flapperen en kakelen van hier naar ginder.
de hond houdt de omgeving goed in de gaten
hij bewaakt me
of ligt hij te wachten op een van zijn kameraden?
ik kan het niet weten.
hij draait zijn kop en kijkt nu vooral naar het baantje.
en daar zijn de mussen
zij zijn content
zij zijn vrolijk
of is het hun alledaagsheid?
is hun gezang de normale gang van zaken?
het is zondagochtend
de mensen slapen, ze rusten, berusten
of dromen van betere, andere oorden
ik kan het niet weten
misschien dromen zij slechts van het mindere moeten?
Ze zag de groene specht. Plots vloog hij met een grote boog naar het bos.
De volgende middag zag ze hem weer.
De derde dag keek hij haar aan. Hij wenkte.
‘Hoe gaat het met jullie?’ vroeg hij.
‘Dank je, het gaat,’ antwoordde ze.
‘Nochtans. Ik hoorde dat al het andere pittig is,’ zei hij.
Ze zweeg.
‘Veel drukte, veel gedoe, veel druk,’ zei hij.
‘Ja. Pittig dus.’ zei ze.
‘Lukt het een beetje?’ vroeg hij.
‘Ja. Ja. Een beetje,’ twijfelde ze.
‘Ben je goed voorbereid voor maandag?’ vroeg hij.
‘Ik heb een bundel. Ik moet nog wat printen en ik zal een paar verduidelijkingen noteren. Het wordt een dik dossier,’ zei ze.
‘Zal het helpen?’ vroeg hij.
‘Ik weet het niet,’ zei ze.
‘Ben je bang?’
Ze zweeg.
‘Ben je bang?’ herhaalde hij.
‘Soms wel,’ zei ze. ‘Ik ken de gevolgen niet. Meester T. zei dat het gevaarlijk kan worden.’
‘Maar je moet dit doen,’ zei hij.
‘Ja. Ik moet. Wij moeten. Samen zijn we hopelijk sterk genoeg.’
‘Zie je het mooie nog?’ vroeg hij.
‘O ja. Misschien niet vaak genoeg, of niet alles. Maar toch. Ik zie iedere dag de klaprozen in het veld, de kamperfoelie die straks vol bloemen staat, de notelaar die het laatste jaar enorm gegroeid is. We zullen veel noten hebben. En gisteren zag ik een van de kwikstaartjes. En de spechten.’
‘Veel goede moed,’ zei onze groene specht. Hij vloog met een grote boog naar het bos.
‘We gaan naar het water,’ zei hij.
‘Ik hoop dat de zon schijnt’, zei zij.
‘Ik denk het wel,’ zei hij.
‘Voor de glinsters op het water, en voor de bootjes en de vissers,’ zei zij.
‘Maar het uitzicht zal niet meer hetzelfde zijn,’ zei hij.
‘Nee, want die vakantiewoningen,’ zei zij.
‘En de hoogbouw,’ zei hij.
‘Maar we kunnen naar het brugje wandelen, zo de haven in, voorbij het havencafé, het tweede brugje over en dan links, tot op het einde?’ vroeg zij.
‘Ja, ik denk dat dat beter is. Onbelemmerd uitzicht,’ zei hij.
‘Ja, op het glinsterende water,’ zei zij.
Beste mijnheer Macharis,
Praten kan ik niet.
Schrijven ook niet.
Vanochtend verplicht ik mezelf om u een korte update te sturen.
Ik deed 1001 dingen. Er resten nog 758 andere dingen. Het einde is in zicht.
Mijn keel zat dicht. Mijn lijf, hoofd en hart zaten dicht. Op sommige dagen kon ik zelfs niet meer luisteren en kijken. Zo ingekapseld in een grote blok beton, zat ik – misschien.
(Hier neem ik even een pauze. Dit schrijven vraagt moeite, vermoeit me)
Ondertussen: 757.
Ook het ademen ging en gaat moeilijk. Soms amper.
Maar goed.
Deze kleine update is me gelukt. Hij zat al twee dagen in mijn hoofd.
En ondertussen zag ik het bijzondere blauwe van de nacht, boven en voorbij de bomen.
1 keer zag ik zelfs de glinsteringen – de zon op het jonge bladergestel.
Ik zag (en was me bewust van) de minder grote stapels.
En de kleuren. Ik kreeg en zag de kleuren. Ik kon mijn ogen er laten aan wennen. Meteen wist ik: Het kan nog.
Nu is het tijd voor een kop koffie. Daarna zal ik 757 doen. Ik tel af, ziet u.
Veel groeten,
Eliane.
HET vliegt en fladdert kriskras door de kamer.
HET verspreidt zijn geur en kleur echt overal.
HET wordt ineens! geraakt door het zonlicht.
De kleuren en geuren versterken! en HET geniet van de warmte.
HET blinkt van het vele licht.
HET is in zijn nopjes en blijft even stil hangen.
Even later:
HET vliegt en HET fladdert weer vrolijk en kriskras door de kamer.
HET verspreidt zijn sterkere geuren en kleuren echt overal.