HERFST

dscn1607

Goedemorgen mijnheer Macharis,

Dank u.
Ja, ik kan wat afleiding gebruiken. Nee, ik was niet meer aan zee. Ik blijf thuis en doe niets anders dan tabellen, tabellen en tabellen en de volgende twee of drie maanden zal dat niet veranderen. Ik zie niemand, tenzij ik een brood wil kopen of tenzij ik naar de supermarkt ga. Maar ik kom nooit iemand tegen die ik ken. Alles en iedereen is nieuw, behalve de tabellen.
U schreef dat ik lid zou kunnen worden van een hobbyclub. Wat bedoelt u? Koken? Handwerken? Quizzen? Een leesclub?
Ik pas.
Ik wil niet in een club. Ik wil best wel wat beter leren koken, maar een club? Iedere woensdagavond, bijvoorbeeld? Ja, ik zou mensen leren kennen en ik zou minder vaak alleen zijn. Ik zou met de anderen kunnen telefoneren om iets te vragen, of we zouden kunnen afspreken. Misschien zou ik er wel een nieuwe partner leren kennen!
Maar ook daar: ik pas. We leven in 2016, en met al die bommen en granaten die men tegenwoordig in huwelijken en andere relaties kan vinden? Nee, dank u. Ik blijf alleen. Alleen tot den dode en als er over twee of drie decennia geen plaats voor me is in een of ander aangenaam rustoord, dan stap ik uit het leven.
Trouwens, u kent me toch beter dan dat? Meende u het, van die club?
Maar goed.
Ik reed niet naar zee, maar ik reed wel wat rond in deze nieuwe omgeving.
Ik zag een roodgloeiende gevel. Prachtig. Een oud huisje en een gevel ervan zat volledig verstopt  onder een schitterende, rode klimop. Ik ken de soort niet. Ik weet niet eens zeker of ik het wel klimop mag noemen. Misschien moet ik eens terug om een foto te maken. Felrood onder de zon, was het. Zelfs terwijl ik aan mijn tabellen zit of terwijl ik hier aan u zit te schrijven, kan ik me het beeld nog zo voor de geest halen. Zo bijzonder, mijnheer Macharis. Ja, ik weet nog waar het was en misschien rijd ik eens terug.

Hartelijke groeten,

E.

PS. Ik reed terug. Maar op enkele dagen tijd was de overweldigende rode pracht veranderd in het bruine van de herfst. De gevel werd reeds kaal. Zo gaat dat. Ik maakte dan maar een foto van de overkant en ik wacht op de lente en op de volgende nazomer om die breekbare pracht terug te zien.

foto: Malderen, Beekstraat.

2 van 66 brieven

Bewaren

LOOD

nw-kiefer-lilith

Beste mijnheer Macharis,

Ik weet het. U heeft gelijk.
Maar nu?
Ze geven vijf euro en ze krijgen tien euro terug, beweren ze. Zij zijn tovenaars. Hoe kan ik dat ontkrachten, mijnheer Macharis? Hoe moet ik dat doen?
Ik weet het niet. Ik weet het écht niet. Zij zijn zoveel sterker, zij weten zoveel meer, zij hebben zoveel meer steun van het publiek. Zij zijn De Grote Tovenaars en zullen dat de komende jaren blijven.

Ik weet dat u zal zeggen dat dat niet waar is. Dat ik de moed moet bewaren, dat tijd raad brengt en dat boontje om zijn loontje komt.
Maar toch.

Ik word stilaan moe, mijnheer Macharis. Alle kleuren en geuren van de regenboog bieden geen troost of hulp meer. Ik zie de kleuren nog altijd, dat is waar, en, ik ruik de geuren en ik wacht, wacht, wacht en ondertussen tikt de klok. Hoe lang nog, mijnheer Macharis? Hoort u het ook? Telt u mee?

Gisteren was ik aan zee. Ik wou u telefoneren, of een berichtje sturen. We hadden kunnen afspreken, een kop koffie drinken, een lange wandeling maken zoals vorig jaar. Maar ik deed het niet. Ik wou niemand zien, zelfs u niet en ik wandelde alleen en dacht na over de tovenaars. Dat woord is veel te mooi, vindt u niet? Net of zij hebben goud in hun handen maar dat hebben zij niet. Of misschien hebben zij dat wel, maar verandert het in hun handen in lood. Loodzwaar lood, mijnheer Macharis. En u en ik en alle anderen torsen dat gewicht.

Looddampen zijn giftig, mijnheer Macharis. Maar ik ben bang dat niemand daaraan denkt.

E.
(1 van 66 brieven)
(Afb.: Anselm Kiefer, via google en via een blog)

Bewaren

DE NEGEN KAMERS – Peter-Paul Rauwerda

Peter-Paul Rauwerda (Illustrator van kinderboeken en een van de illustratoren van Merel en Mus) schreef een wondermooi boek: De Negen Kamers.

peter-paul-rauwerda-de-negen-kamers

STILLETJES

Uitgerekend op dat moment kwam ik Rimbaud terug tegen. Groen. Het kwam als een donderslag bij heldere hemel. Enkel groen. Ik ging op zoek naar de andere kleuren en ik dacht ‘wie zoekt, die vindt,’ maar dat was natuurlijk niet waar. Ik staakte het zoeken.
Drie dagen later was daar plots het gele.
Nog een dag later het blauwe.
Dezelfde dag ook nog het rode.
Enzovoort.
Weet je, de kleuren deden me stilletjes lachen. Ik bekeek de verzameling nauwkeurig en besliste om ze in mijn kubussen te gebruiken. Negen, natuurlijk. Ze stonden me al langer dan vandaag op het lijf geschreven. Het zou een spel van lichte en donkere kleuren worden, van licht en van schaduw, van alle schakeringen.
Lol.
Niks anders.
Kleuren, en het spel van het licht.
En nu is het jouw beurt.

MEER LUCHT


camille-pissarro-1898-place-du-theatre-francais-oil-on-canvas-72-4-x-92-6-cm-los-angeles-county-museum-of-art-caCamille Pissarro, 1898 Place du Theatre Français, Los Angeles County Museum of Art, CA. Via Poul Webb


Maar dit is anders.
Hoezo, anders?
Gewoon. Anders. Net of er zit meer lucht in de lucht. Ik kan beter ademen. En ik zie meer en beter. Alles smaakt beter. Intenser. Ik voel me er ook beter door.
Door wat?
Door dat gevoel.
Ja maar, welk gevoel?
Dit andere.
Ja, zeg. Ben je verliefd?
Nee.
Vrolijk?
Nee.
Gewoon blij?
Ja, toch wel. Een beetje blij.
En hoe komt dat dan?
Ja, dat weet ik dus niet. Door de lucht, ha.
De lucht in de lucht?
Ja, dat moet wel.
Meer ruimte?
Nee. Maar zo voelt het wel.
Minder mensen?
Nee. Meer zelfs. Door die wegomlegging.
Ja. Druk hé?
Ja, druk, veel te druk.
Maar toch krijg je meer lucht.
Yes. Veel meer.
De lucht in de lucht. Tja.
Ja, tja.

De afbeelding bij de tekst is willekeurig.

GAAF

gaaf 1
gaaf 2

25/8/2016 – 29/8-2016.
Via :
http://www.tijd.be/tech_media/media_marketing/YouTube_waar_tieneridolen_geboren_worden.9801865-3119.art

En dan via :

 

 

EN OOK: MIJN NAAM IS ‘IK WEET HET NIET’.

Want:
Ik weet niet dat vogels de vruchten van de bomen stelen.
Ik weet niet dat zij het mos uit de dakgoten pikken, en het lukraak droppen.
Noch weet ik, dat de zwermen rakelings en bijna angstaanjagend over de daken scheren.

En ook: Ik weet niet dat piepkleine kikkers aan de rand van het bos springen.
Ik weet niet dat er een beek is.
Niet dat er een autostrade door datzelfde bos loopt.
Niet dat een vliegveld vlakbij is.

En:
Ik weet niet dat er een Erdogan bestaat.
Niet dat er, elders, een nieuwe president zal heersen – mensvreemd, zelf een monster.
Niet dat er ginds, onder en achter en tussen al die rijkdom, toch armoede is.
Niet dat er weer een agressieve nieuwe ziekte opduikt. Bijvoorbeeld, om eens iets anders te noemen.

Ik weet ook niet dat er weer twee, vier, acht, zestien, tweeëndertig, vierenzestig, honderdachtentwintig, tweehonderdzesenvijftig, vijfhonderdentwaalf nieuwe doden vielen.
Noch dat de huidige president het kernwapenarsenaal heeft laten uitdijen.
Noch dat de doodstraf nog bestaat, of opnieuw zal bestaan.

Nee, ik weet het niet, van de zoveel rijksten der rijken.
– van hun nieuwe oprit naar hun kasteel.
– van hun nieuwste luxewagens, ook elektrisch, natuurlijk, mét premie.
– van hun kleedjes en mantels en pakken en dassen en schoenen van tientallen en honderden duizenden.
– van hun vijf verspreide verwarmde zwembaden, maal zoveel.

Dus nee, ik weet het niet. Ook niet
– dat tonnen en tonnen plastiek in de oceanen.
– dat de oesters en de mosselen en alle vis, ja, ja, inderdaad.
– dat het erger is dan het toenmalige kwik in enkele appelsienen.
– maar is het zo erg? Ja? Nee? Want ik, ik weet het niet.

Zo.
Dus.
Ik stap in mijn wagen en rijd naar de dichtstbijzijnde supermarkt en ik koop wat fruit en groenten in hun verpakkingen van deze moderne wereld. En ik zoek naarstig mijn allerbeste en unieke en enige goed functionerende wasmiddel, en ik weet niet van het schuim, en wat het met onze aarde deed, doet en zal doen. En ik slik stik steek wat batterijen in mijn boodschappentas want die hebben we straks of morgen of overmorgen vast en zeker weer nodig. En ik slik stik steek nog een zak snoep en nog een pak boter en margarine. En ik moet nog wat vlees en ja liefst goed verpakt want het moet toch tot overmorgen. En ik betaal met plastiek en ik slik stik steek stap terug naar mijn wagen en ik praat nog wat met een vriendin met mijn raampje open en de motor draaiend. En de vriendin neemt snel afscheid want ze moet alweer naar huis want het product voor het water van het zwembad, jeweetwel.
Nee, ik weet het niet.

Ik zet de radio aan.
De hoogtepunten van het nieuws.
Nee, ik weet het niet.
Ik verander van zender.
Sportberichten.
Ik verander van zender.
Muziek.
Ik luister naar het nieuwste van het nieuwste.
Die cd moet ik, moet ik hebben.

OFF & OFF

KIEFER THE MORGENTHAU PLAN

Anselm Kiefer, The Morgenthau Plan, 2012. (herh)
‘I think Beauty is first’ (Anselm Kiefer)
(Photo Credit: Courtesy the Gagosian Gallery, photograph by Charles Duprat, via the Albright-Knox.)

 

‘Nee Jef, ik heb er genoeg van.’
‘Maar waarom, Nikki?’
‘Daarom Jef.’
‘Nikki, serieus. Leg me uit waarom. We zijn vrienden.’
‘Ik heb er genoeg van, Jef. Het is welletjes geweest.’
‘Maar het was toch mooi, Nikki?’
‘Ja, Jef, het was mooi. Soms zelfs erg mooi. Mooie dingen, ook. Maar het is gedaan.’
‘Oké, Nikki. Jij beslist. Maar toch is het jammer en ik zal het missen. Jij zelf ook.’
‘Ja Jef, dat weet ik. Maar genoeg is genoeg.’

 

&

 

‘Het moet gedaan zijn, Nikki.’
‘Wat Jef? Dit, Nikki. Dit allemaal.’
‘Hoezo, genoeg, Jef? Dat kan toch niet?’
‘Jawel, Nikki. Het kan perfect. Genoeg is genoeg. De maat is vol, zeg maar.’
‘Serieus, Jef? Meen je het echt? Je zal het missen.’
‘Ja, Nikki. Dat weet ik. Heel erg zelfs.’
‘Ik zal het zelf ook missen, Jef.’
‘Ja, Nikki. Dat weet ik. Kom hier, dat ik je een knuffel geef.’
‘Ik zal huilen hé Jef.’
‘Ik ook, Nikki.’

FIETSEN EN MOTORS

jouw land

 

‘Een mooi vak,’ zei Berto. ‘Maar het zal je moeite kosten wat te doen te vinden. Fietsen en motors. Die eten ’s winters niet, zoals paarden en wij. Je zou dubbel zoveel werk kunnen doen, maar hier begrijpen ze dat niet.’
(Cesare Paves,  Verzamelde romans ‘Jouw Land’, ‘Jouw Land’, II)

VERHAAL VAN DE DAG: DERTIGDUIZEND KLEINE MANNETJES


PAUL KLEE AD PARNASSUM 1932Paul Klee, Ad Parnassum (herh.)

 

Dertigduizend kleine mannetjes liepen over het aarden pad

in de richting van het bos.

In het bos maakten ze een piramide, tot ze hoger dan

de bomen.

Ze kwamen niet op televisie.

Ze kwamen ook niet in de krant.

Er was zelfs geen enkele toeschouwer.

De dertigduizend mannetjes bleven een uur lang staan,

in piramidevorm.

Torenhoog, tot boven de bomen.

Ze bewogen niet.

Vervolgens braken ze de piramide af, klommen ze een voor een naar beneden,

tot ieder van hen weer gewoon een van de dertigduizend kleine mannetjes was

en liepen ze, over het aarden pad, heel eenvoudig het bos uit.