Van laag naar hoog, van hoogst naar laagst, doe maar. Via de trampoline naar de top van de eik, van daar terug naar de zonnebloem (die van zeven of 8 meter hoog, met de stevigste stengel van 15 centimeter diameter) en van daar naar de kleine fuchsia. Vlieg terug naar de nok van het dak, zo naar het dak van de buren, dan weer naar beneden, naar het aardappelveld en nu met een gewone sprong naar de eerste maïskolf.
Je mag vijf minuten rusten.
Ga rustig te voet naar de elektriciteitscabine in de eerste bocht van de Pluimennest. Hop er op. Start en vlieg over de twee boerderijen, klim, blijf stijgen, stijgen, maak een paar salto’s, stijg, stijg, land langs de andere kant van de Pluimennest, adem in, adem uit, steek de Brusselsestraat over en ga te voet naar de Rozen. Koop een klein boeket, stijg terug op, vlieg rakelings over de Cattemansdreef en blijf die volgen tot op het einde. Leg het boeket op de tuintafel van het eerste huis links van de Slozenstraat. Rust. Kijk. Blijf nog vijf minuten zitten. Kijk.
Vertrek en kies nu zelf uw route en het aantal salto’s.
Hij zei dat hij het niet goed wist, dat zijn hoofd alle kanten op draaide, bijna als een tol, zei hij, en dat hij regelmatig moest gaan zitten om het Noorden niet kwijt te geraken. ‘Wat ligt er ook weer in het Noorden?’ vroeg hij. ‘Antwerpen, Nederland, dan de Noordzee,’ mompelde hij snel zelf, maar hij moest zich concentreren om het woord ‘Antwerpen’ zonder aarzelen uit te kunnen spreken. ‘Maar ik zou toch liever in het Zuiden, jeweetwel, Frankrijk, de mimosa’s aan de Azurenkust, dat hemelse blauwe en de wonderen diep in de zee, daar zijn zelfs alleskleurige reservaten,’ zei hij. Maar voorlopig wist hij het niet goed, hij wist niks, zijn hoofd tolde, noordoostzuidwest en alle tussenliggende windstreken, NNO enzovoort wist hij, ZZW vond hij de mooiste, hij zette zich weer, ‘Ik moet aan iets anders denken en even rusten,’ zei hij.
Onmens! Dat zijn jouw zaken niet! Ik had het tegen de kleine Annika! Jaja, ik weet dat ze ondertussen bijna dertig is, maar ik had het tegen haar, als kind, toen ze een jaar of tien was. En o ja, ik weet het, nu, meer dan twintig jaar later is ze een mooie jonge vrouw met lange hoogblonde haren en met een lief en open gezicht van waaruit die grote, groene ogen je doordringend aankijken. Ze is een bijzondere verschijning en ik denk dat ze veel van haar patiënten het hart en hoofd op hol brengt. Maar daar staat ze zelf niet bij stil. Ze doet consequent haar job, gaat naar de volgende kamer, naar de volgende patiënt. Altijd vriendelijk, altijd rustig, altijd efficiënt. Tegen deze Annika, haar jonge, even mooie en toen nog erg speelse versie, had ik het. Nee, wat ik vertelde doet er niet toe. En jij, jij bent een donkere, zwarte ziel. Meer woorden wil ik er niet aan vuil maken.
‘Ik ben sterk,’ zei ze. Ze rolde haar mouwen omhoog en priemde met haar wijsvinger, liet wat kunsten zien, deed een handstand, vervolgens een een-handstand. Ze vond telkens makkelijk haar evenwicht, bleef wat balanceren en lachte ondertussen al haar tanden bloot. Ze rolde haar mouwen terug af maar
Plots en met veel kabaal kwam er iemand binnen.
‘Wie is hier de sterkste?’ dreunde hij.
Ze keek even rond, rechtte haar rug, stak een hand op.
zachte roffels schrijven kadansen tot hoge en lage regionen
vertellend trom o fluit ui harp p
inkt pianotoetsig eeuwig stil, blijvend
De tekst niet, de titel ook niet, maar de witte spaties tussen de letters van de titel zijn absoluut een verwijzing naar De Nederlandse notitieboekjes van Jan-Willem Lubbers. Met veel groeten en dank, ook aan alle anderen, voor het stille lezen.
Het is lachwekkend. Het is écht lachwekkend en ik voeg de daad bij het woord. Luid.
Hier is niemand, enkel de kabouters kunnen me horen. Ik vraag hen of ze, nu ze hier toch zijn, die loodzware mappen even naar boven kunnen dragen, of ze dan eerst wat plaats in het archief kunnen maken en het stof afnemen, liefst met nat. De kabouters doen alsof ze me niet horen.
De tandwielset die er had moeten zijn is er niet. Het systeem heeft me dat niet gezegd. Ik zit met een probleem. Mijn persoonlijke systeem kan geen oplossing vinden voor de tandwielset. Is het nu tandwielset of kettingset? Ik zal het nooit weten en als ik het ooit zal weten zal ik het dadelijk weer vergeten, net zoals met de tekeningen van de banden. Alle systemen gaan even in lockdown en beginnen na een paar minuten te zoeken in een andere zone. Ik zie een onderdeelnummer. Iets doet een alarmbel afgaan. Ik zoek de factuur. De factuurprijs ligt maar liefst vier keer hoger dan voorzien. Het systeem (zone 38) gaat in lockdown. Ikzelf steek de intentie om, in verband met de prijs, een mail te sturen maar mijn mailprogramma is in quarantaine – de systemen moeten af en toe geblokkeerd worden of de hoofden ontploffen.
Mijn systeem scrolt de stapel administratie en te verwerken notities. Het kiest er een te creëren motofactuur uit maar ikzelf pas. NU NIET, zeg ik tegen dit jobke. Mijn systeem gaat echt even in staking, lacht nog luid, de kabouters bewegen niet, wat is dat met die kabouters van tegenwoordig? Ik denk dan maar (flits) aan muziek, beter muziek luisteren dan staken, haha, Florence van Leen, ik zet de nieuwe CD op, KING en dan FREE, ik zet de muziek keiluid, zwier hem dan uit mijn oren want ik moet schrijven, schrijven over de systemen, het mijne, de andere, al de systeemzones, I’M FREE zingt ze nog even en dan zwijgt ze omdat ik haar weer zeg dat het moet.
Mijn systeem scant en scrolt en gaat bij een andere leverancier – in zone 360 – op zoek naar een tandwielset. Ik vind maar doe niks, nog niks, eerst P1 en de werkopdrachten, eerst de facturatie van gisteren, eerst de mails van gisteren, Philippe zal zich afvragen wat er aan de hand is, een andere klant heeft door dat mijn systeem wat overbelast is en vraagt als afsluiter of het gaat, hoe het gaat, iets over zelfbescherming, jaja denk ik en dat ik hem straks wel zal antwoorden, straks, eerst moet ik die uitlaat nog en eerst die zadels en dan zijn er nog die dozen waar ze geen nieuwe namen opzetten ik moet dat nog aanpassen, minstens noteren dat ik het moet aanpassen waar is mijn lijst, lijst nummer achtienduizendzeshonderdzevenentachtighonderdtwintigduizend.
maar het is acht uur en ik zou snel met de hond maar het regent dus zou ik een cursus kunnen een van de vele – zone 28 – ik zet Florence terug op ha ja ik moet nog een boekje naar Kristel sturen ha ja ik moet ook nog een scan neer de verzekeraar de scan is er al de mail nog niet en ik moet de cijfers van vorige maand en
(Centraal in de droom: een grote ruiker bloemen in een hoge doorzichtige vaas)
Ze stak de spade in de grond. ‘Wat doe je?’ vroeg hij. ‘Die moeten eruit.’ ‘Maar waarom?’ ‘Ik vind dat paarse niet mooi.’ ‘Oei, dat wordt moeilijk, die wortelen veel te diep.’ ‘Wat weet jij daar nu van? En daarbij, dat paarse moet weg!’ ‘Wat wil je dan in de plaats?’ ‘Wit.’ ‘Wit? Ben je zeker?’ ‘Ja, ik wil enkel nog wit, wit hier, wit ginder, wit overal, het gele van februari moet er ook uit, en het dieprode van de zomer ook. Ik vervang alles door wit.’
Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag. Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag. Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag. Dan, een hoop boterbloemen. Dan, een hoop madelieven. Een camelia, waarachtig. De klimhortensia, zou ik stekken nemen? Dan, de paardenbloemen, ze zijn nog geel, die andere zijn pluizen. Dan, de grote uitgebloeide forsythia’s, hun herkenbare groen. Dan, voetweg nummer 76, de Wipeweg. Dan, wat paarse rododendrons, zeven, acht? Dan, het grote en eeuwig schietende riet en de nog kleine vlinderstruiken. De vlinderstruiken zullen groot worden en ze zullen paars bloemen, dat weet ik. Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag. Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.