Nee we waren niet thuis we moesten naar Mechelen het was daar een chaos want al die verbouwingen maar we vonden toch een goeie parkeerplaats weliswaar in een modderpoel maar nu overdrijf ik wat.
De switch met de collega verliep makkelijk en het was fijn om elkaar terug te zien.
Het hotel was ooit een zwembad en je kon je als je dat wou nog omkleden in een van de oude kleedhokjes hahaha en de lunch bestond uit Nederland-achtige broodjes maar die waren lekker en de vergadering duurde eindeloos lang maar we kregen ieder een tafel en stoel en een mini-blocnote en koffie of frisdrank en een duidelijk scherm. Daarna waren er nog glaasjes cava maar niet te veel en niet te lang en de hapjes waren wel talrijk dus iedereen at want we wisten niet dat het op z’n ollands zou zijn en niet op z’n vloms.
En dan reden we weer weg uit de modderpoel.
En plots was er dat beeld of was het een droom van dat hele kleine mannetje dat aan een paar grote meneren in strak pak een voor een vroeg ‘Wat doet u zoal, meneer?’ en het probleem was dat hij dat binnen de twee minuten aan wel vijftien van die meneren in strak pak vroeg en dat ze hem stuk voor stuk een antwoord gaven maar het was een kakofonie. Ze hoorden zichzelf niet meer en praatten dan maar wat luider en nog luider en eentje begon zijn levensbezigheden en prestaties uit volle borst te roepen en de anderen deden mee want ze wilden gehoord worden, GEHOORD.
Het hele kleine mannetje keek toe vanaf de zijlijn en gniffelde hihihi en onderbrak helemaal niemand maar deed ook geen moeite om naar hun luide stemmen te luisteren.
Plots gaf een van de meneren die gehoord, gehoord wilden worden een flinke klap aan een van de andere meneren, ferm op zijn neus en dat was het startschot van een grote vechtpartij met als resultaat veel bloedneuzen en blauwe ogen en zelfs een gebroken arm
of drie.
Het hele kleine mannetje had genoeg gezien, verliet zijn zijlijn en liep voorbij de kleedhokjes naar de voorkant van het gebouw en dan naar buiten en links kon hij een hamburger kopen, wist hij.
TIK
Ze moest zich haasten, Tik, hoeveel tijd had ze nog? Tak. Haar jongste zus was al onderweg, Tik, en ze moest nog dit, Tak, en nog dat, Tik. Waar had ze die bundel ook weer gelegd? Tak. Ze keek snel in de grote archiefkast, Tik, nee, daar lag hij niet, Tak, misschien toch in een van de bakken, Tik, op de tafel, Tak, of bovenop de hoge kast? Tik. Tak. Tik. Tak.
Ze dacht rustig even na maar wist het niet, Tik.
Hoorde ze buiten de auto van haar zus? Tak. Ja, het portier, Tik, dat was haar zus, Tak. Rap naar de keuken, Tik, de handen wassen, Tak, dan even met de handen door de haren, Tik, oei, warboel, oei, Tak, de deurbel, Tik, ja, het was Anja, Tak.
‘Dag, mijn allerliefste grote zus, heb je alles klaar?’ vroeg Anja vrolijk, Tik, Tak.
XXKORT – 10
Geen vrouw geen man geen kind geen hond geen kat zelfs geen parkiet of goudvis.
ZEELAND ZEELAND
Ze geven hem een deadline maar hij gooit die over zijn schouder. Hij zegt dat hij vooral zweert bij zilveren en blauwe potloden.
‘Dit is pas een deadline,’ roept hij, neemt zijn luchtballon en vliegt over de Oosterschelde. Hij landt op een van de zandbanken en ontmoet er drie zeehonden. Vanaf de nabijgelegen oever roepen enkele toeristen dat hij zich uit de voeten moet maken. hij tekent rap een grote ‘Fuck you!’ op de luchtballon. De toeristen druipen af.
Hij haalt zijn fiets uit de mand, rijdt door Wemeldinge, volgt de bochten naar Goes want daar zijn de winkels. Maar in Goes is het veel te druk. Hij rijdt terug, vindt de luchtballon niet meer, gooit zijn fiets tegen de grond, volgt te voet de kustlijn tot hij alleen is.
Hij ademt diep in en uit en in en uit en ziet in de verte een groep mensen met kinderen rond drie kleine bbq-stellen. Ze hebben veel plezier en genieten, genieten van het vette spek en van de welriekende, welriekende bbq-kruiden uit de kleine supermarkt in het dorp.
‘Open alle zondagen van juni, juli en augustus,’ roepen de rondvliegende verpakkingen. Hij voert de spekresten aan de zeehonden en luistert niet naar het gejoel van de kinderen.
Hij loopt naar haven, wacht aan de voetgangersbrug, laat zich bijna verleiden tot een torenhoge cappuccino zoals die van die mevrouw op het terras van het eetcafé maar sluit wijselijk de ogen en vindt de weg naar het volgende brugje.
‘Het water is niet eens blauw,’ spuwt hij. Hij neemt een van zijn potloden en probeert het water bij te kleuren. Het lukt niet.
Hij wil verder doorsteken, naar de overkant, daar op de tip is niemand, zelfs geen vissers want de vissen zijn verdwenen. Een voorbijvarende boot toetert, kinderen wuiven en gooien kushandjes. Achter de boot schuilen tientallen kleine zeilboten, er is een wedstrijd, iets met foto’s maar hij wil geen foto. Hij wil niets.
Hevig belgerinkel van tientallen fietsers doet hem schrikken.
‘Is er ergens een groene landtong zonder huizen, winkels, boten, mensen? Waar kan ik die vinden, bestaat ze?’ vraagt hij.
LICHAMEN
Ik zeg het is de maan.
Ik zeg het zijn die drieëndertigduizend dagen
of de zwaardvis, vet of niet
of een van de andere hemellichamen en dromen.
Ik zeg het is veel meer dan wat u ooit kunt bevatten
het is een oceaan en nog dieper
het is onze zon en veel verder
het is niets, of toch alles. Of niet. Of nog meer. Of een dikke vergissing.
Nee u weet niet
nee u hoeft niet te proberen
u mag meppen en mept tienduizenden keren
telkens de bal mis.
U mag zwaaien met eretafels, loven, beloven
en de mannen met dassen
en de anderen die moppen tappen
ze hebben het mis.
Ze beseffen just nada.
Ze denken in cijfers en doen maar.
U en zij
weten niks.
(De interpunctie is correct. Al het andere ook.)
LICHT OP LICHT
Het is het licht dat door het zwarte schijnt en beelden schénkt van zon en wolken, luchten, einders en van werelden met nog meer licht en vogels en van ménsen, van groener gras en hopen hoop, à volonté.
Het is de donkerte die hier kan zeggen dat er licht en kleur in de nachten is, tot in de voor het blote oog onzichtbare oneindigheid,
tot diep, veel dieper nog in het heelal en in de mens, in iedereen.
Zo werd dit dan een ode aan het vele licht van onze zon en nog meer zonnen, hun schijnen op krioelende en o zo minuscule levens,
tot dat oneindige, het onbereikbare, tot in het diepste, verste en tot overal.
VER
er ligt een waas op de ruiten en ze kan de lucht niet zien
ze moet naar buiten
naar het groener dan groene
en het blauwer dan blauwe
en de ijskristallen, ginds boven
ze wil dat ijs aanraken en het laten
vervliegen tussen haar handen
ze probeert het vast te houden
en pffffffffffff weg is het
naar hoger, naar blauwer dan het wit dat het was
ze vergeet de waas op de ruiten en keert
de blik naar binnen
zoekt groen, blauw, groener dan, blauwer dan
en de ijskristallen die versmelten met haar lichaam
tot ze ginds, ja, hoger en blauwer dan het wit dat het was
XXKORT – 9
Boterbloemen.
Velden.
Velden.
LEVEN EN
De zon schijnt.
Het is intriest.
Vanmiddag komen onze vrienden.
Het is intriest.
De kinderen kunnen in het zwembad.
Het is intriest.
Alles gaat goed op het werk.
Het is intriest.
De zonnepanelen worden volgende week geleverd.
Het is intriest.
Ik had een goedgevulde kar in de supermarkt.
Het is intriest.
Helemaal achteraan in de tuin zaten drie konijnen.
Het is intriest.
De volle maan schijnt door de bomen.
Het is intriest.
Marc vertrekt weer naar de Zuidpool.
Het is intriest.
Ik heb dat mooie boek besteld.
Het is intriest.
De kinderen kregen een nieuwe winterjas.
Het is intriest.
Vandaag rijd ik met de scooter.
Het is intriest.
Het was erg druk in de stad.
Het is intriest.
Dat nieuwe toetsenbord voelt perfect.
Het is intriest.
Twee nieuwe banden.
Het is intriest.
Het aspergeseizoen is net begonnen.
Het is intriest.
We kochten een nieuwe vaatwas.
Het is intriest.
Een volle container.
Het is intriest.
Alle leveringen werden met twee weken vertraagd.
Het is intriest.
Ik kreeg een mooie, nieuwe, zachte deken.
Het is intriest.
Mijn telefoon doet het weer.
Het is intriest.
We oogstten onze eerste druiven en noten.
Het is intriest.
De fietsen van de kinderen zijn bijna te klein.
Het is intriest.
Oranje, donkerrood en wit.
Het is intriest.
Hij is al vroeg vertrokken.
Het is intriest.
Morgen moet ze niet werken.
Het is intriest.
Ja, er is genoeg pasta.
Het is intriest.
Alles op zijn locatie.
Het is intriest.
Die laatste facturen zijn al betaald.
Het is intriest.
Dat zal in de brievenbus zitten.
Dat is intriest.
De auto moet binnen voor groot onderhoud. Ik vroeg een vervangwagen.
Dat is intriest.
Verse koffie.
Dat is intriest.
De vierde keer.
Dat is intriest.
Het licht is aan.
Dat is intriest.
Een warm bed.
Dat is intriest.
We hebben
Dat is intriest.
OP HET HOOGSTE SPREEKGESTOELTE
EN IK ZOU HET ECHT ECHT TOF VINDEN DAT ZE EENS WAT MINDER TEGEN ELKAAR ZOUDEN ZEUREN EN SCHIMPEN EN VITTEN EN VLOEKEN EN DAT ZE HEEL HEEL EENVOUDIG GEWOON EN ALTIJD ALTIJD LIEF ZOUDEN ZIJN
DE EERSTE KAN BEGINNEN EN WAT MEER RESPECT TONEN DAN VOLGEN DE ANDEREN VANZELF – HOPELIJK
MAAR NU KLIMMEN ZE EEN VOOR EEN MET GROTE FERME EN NOG FERMERE STAPPEN OP HET SPREEKGESTOELTE EN ALS HET EVEN KAN SPRINGEN BOENKEN ZE VOOR DE CAMERA’S EN WILLEN ZE OP DE VOORPAGINA VAN ZO VEEL MOGELIJK KRANTEN STAAN EN ROEPEN ZE BRULLEN ZE DAT ALLEEN ZIJ GELIJK HEBBEN EN DAT DE ANDERE MONSTERS EN LEUGENAARS ZIJN EN ZE
BLIJVEN SCHELDEN EN VLOEKEN – EN ZO VOORT
EN ALLES WORDT ALLEEN MAAR ERGER WANT DE ANDERE DUWT DE ENE VAN HET SPREEKGESTOELTE EN DAN WEER EEN ANDERE WANT HET IS MIJN MIJN MIJN BEURT EN IK IK IK HEB VEEL BELANGRIJKEREDERE DINGEN TE ZEGGEN EN MIJN WOORD IS WET EN MIJN WIL IS ALTIJD WET EN JULLIE MOETEN MOETEN WAT IK IK IK
(deze tekst sluit aan bij wat andere anderewoordenteksten en het zou me niet verwonderen dat ik in herhaling blijf vallen)
(met veel groeten, ik wens jou en alle anderen die hier lezen veel licht en zo weinig mogelijk donkere wolken – Eliane)