Hij slikt zijn woorden
zegt Ik wil vandaag
en lacht
hij rommelt wat en wast
gaat dan de tuin in
ziet
Hij weet dat straks de buurman
wacht even
en nog
de buurman gooit
roept hoi
en toont de eerste
Ze kijken
zuchten, kreunen,
knikken
zeggen dat het gras nog groener
en dat gisteren
maar dat het weer
De buurman vraagt of
en herhaalt
die jonge notelaar
gelukkig maar, de storm
Oké, maar nu moet ik echt snel
Ik wil, ik zal vandaag
Auteur: Eliane
WIT
ik leg de rozen een voor een
ik leg de rozen
een voor een
mijn hoofd
mijn hart
ik leg de rozen
ik leg de rozen
ik leg de rozen een voor een
voor een
een roos
een roos
VEEL GROTER
IK KRAB EENS AAN MIJN ELLEBOOG
IK WRIJF ME IN DE OGEN
HAAL DIEP ADEM, DENK IK
IN
UIT
IN
UIT
IN
UIT
HET DOET ZEER, BLIJF IK DENKEN
DIT IS EEN WONDE TER HOOGTE VAN MIJN HART EN DIE IS ZO GROOT ALS EEN WALNOOT,
ROEP IK
HUIL IK
NIEMAND HOORT ME
IK ZOEK IETS MOOIS
IK KIJK EN IK LUISTER
EN ZIE HET WIEGEN VAN DE BOMEN
DIE ENE BOOM – DIE IN HET MIDDEN, HIJ IS WAT GROENER DAN DE ANDERE –
ZEGT DAT HIJ KAN BUIGEN, BUIGEN, MAAR NIET BARSTEN
IK HEB STERKE VEZELS, ZEGT HIJ
EN IK HEB WONDEN EN GATEN VEEL GROTER DAN WALNOTEN.
MEE MET DE WIND, MEE MET DE STORMGOLVEN
IK WIEG EN BEWEEG EN MORGEN SCHIJNT DE ZON
OF OVERMORGEN.
EN DAT
Hij slikt zijn woorden
Zegt ik wil vandaag
En lacht zijn tanden
Hij rommelt wat en wast
gaat dan de tuin
ziet
Hij weet dat straks de buurman
Hij wacht even, en
en nog
De buurman gooit
en hij roept hoi
en toont de eerste
Ze kijken naar
en zuchten, kreunen
knikken
Zeggen dat het gras nog
en gisteren
maar dat het weer
De buurman vraagt of
en herhaalt
en dat die jonge notelaar
Gelukkig maar, de storm van
Oké, maar nu moet ik echt snel
Ik wil, ik zal vandaag
KLEIN
Er lagen welgeteld vijf madelieven op haar bord.
Ze keek hem glimlachend aan.
Hij knipoogde.
‘Wil je ook koffie?’ vroeg hij.
WHERE HAVE ALL THE FLOWERS GONE – SAG MIR WO DIE BLUMEN SIND
Pete Seeger – where have all the flowers gone.
in alle mogelijke versies en covers, van Marlene Dietrich tot The Savage Rose tot CocoRosie tot you name it.
Where have all the flowers gone
Long time passing
Where have all the flowers gone
Long time ago
Where have all the flowers gone
The girls have picked them every one
Oh when will you ever learn
Oh when will you ever learn
Where have all the young girls gone
Long time passing
Where have all the young girls gone
Long time ago
Where have all the young girls gone
They’ve taken husbands every one
Oh when will you ever learn
Oh when will you ever learn
Where have all the young men gone
Long time passing
Where have all the young men gone
Long time ago
Where have all the young men gone
They’re all in uniform
Oh when will we ever learn
Oh when will we ever learn
03042025 – LANGS OPDORP
Ik volg de zon. Oost, Zuid, West. Mét hoofdletters. Zon.
Elke druppel alcohol heeft een wrange nasmaak. Stel er u niks bij voor; ik drink vooral water, thee, koffie, water, thee, koffie.
Vandaag nog dit en dat en morgen ook dit en dat en overmorgen – daar hoort geen punt achter. Nog niet.
Het lezen maar ook het schrijven, zelfs dit, haalt mijn hartslag naar beneden. Dé remedie. De reddingsboei.
‘Langs Opdorp,’ zei ik, want ik had ergens gelezen dat daar grote (enorme!) paardenbloemenpluizen stonden.
Ik had ze veel groter verwacht.
Een mens mag niks verwachten.
Ik greep dan maar naar H.’s prentenboek. Vogels. Ik herhaal hier een van mijn screensaverbestanden. Van H. dus.
Het internet valt uit bij sterke Noordoostenwind. Dat zal ik zo moeten zeggen aan de provider. En iets met de paal en een coaxkabel.

WIJ, ZWALUWEN
We krinkelen en krinkelen
en zingen en zingen
en krinkelen en krinkelen
en vliegen en zingen en
kwetteren.
Binnenkort beginnen we te
broeden en broeden
en broeden en broeden
en een paar dagen later
te voederen en voederen
en voederen en voederen
om dan, eindelijk, te
oefenen en oefenen met onze
jongen.
Wij en zij beginnen te
krinkelen en struikelen
en krinkelen en vliegen
en zingen – of wat er op lijkt –
tot ze
– helemaal zelf en alleen –
vliegen en zwerken
en vliegen en zwerken
en krinkelen en kwetteren
en zingen en vliegen
tot ze
23022025 – HONDERD BLADZIJDEN

Nu zit ik hier.
Mijn rechterarm in een draagzak, mijn schouder uit de kom.
Ik kan mijn arm niet gebruiken; hij moet immobiel blijven. Dus trek ik mijn plan. Ik typ dit traag, met alleen mijn linker wijsvinger.
Gelukkig kan ik mijn frustratie deels vergeten door meer te lezen. Een artikel in De Standaard leerde me hoe ik honderd bladzijden per dag kan halen, zelfs tijdens een werkweek.
Helaas: mijn werkweken laten dat niet toe. Nooit. Maar ik onthoud de tips. En ik hou een van de illustraties bij – hier, en in mijn screensavermap.
Kapotte schouder of niet, ik glimlach vaak. Net nog, aan de telefoon met mijn rustige, vrolijke dochter. Pyjama-dag, zei ze. Ik weet hoe ze er dan uitziet. Denk gerust een dubbele smiley.
Vanochtend ook een glimlach, in de auto. Het was vroeg. Zondag, dus stilte overal. Een dunne maansikkel, het begin van een rode zonsopgang.
Of mijn screensaver? Met nu de illustratie uit de krant. Maar bijvoorbeeld ook met de vogels van Heidi en een screenshot van een gedicht van Whitman. Om de zoveel weken keer ik terug naar het boek met die vogels, naar Whitmans Multitudes, naar de groene cover van zijn boek. Waar ligt het?
Wat me ook doet glimlachen: de autobus die net voorbijreed. De 250. Die doet me altijd denken aan de echtgenote van een klant. Ze is buschauffeur. Ze doet haar job graag. Zelfs als ze door Brussel rijdt – langs Jette, Laken, Bockstael, of als ze wacht in het Noordstation.
Soms zie ik haar rijden. Meestal ziet zij mij eerst. Ze claxonneert kort, wuift, glimlacht.
Beste lezer,
Geloof niet alles wat hier staat.
Er is niks mis met mijn schouder. Zoals altijd typ ik dit vlot met tien vingers.
(de chronologie, mijn chronologie, trekt op niks, dat weet ik – het is ingewikkeld.)
MAAR BROOD
‘Misschien moeten de hoofdstukken,’ zei zij.
‘Het linker handvat,’ zei hij.
‘Maar de dagen,’ zei zij.
‘En dan natuurlijk het rechter,’ zei hij.
‘En die tekst over de vlinders,’ zei zij.
‘Ja, juist,’ zei hij.
‘We kunnen ook,’ zei zij.
‘Maar het regent,’ zei hij.
‘Goh, er is geen brood meer,’ zei zij.
‘Natuurlijk, die latten,’ zei hij.
‘Toch maar eerst de hoofdstukken,’ zei zij.
‘Het wordt te warm vandaag,’ zei hij.
‘En de tekeningen,’ zei zij.
‘Ik heb mijn notities teruggevonden,’ zei hij.
‘En de seizoenen,’ zei zij.
Hij ging naar buiten. Zij ging mee.
‘Bijna blauw,’ zei hij.
‘Morgen misschien,’ zei zij.
‘We moeten,’ zei hij.
‘Yes,’ zei zij.
Ze zwegen even, en keken.
‘Dat kan later. We kunnen eerst nog,’ zei zij.
‘Het is niet nodig,’ zei hij.
‘Maar toch, dat ankerpunt… ik weet in feite niet wat dat betekent,’ zei zij.
‘Ach,’ zei hij.
‘We zullen,’ zei zij.
‘Yes,’ zei hij.