JA, NEE, DAG.

Danny speelde met het luciferdoosje.
‘Danny?’ vroeg Nathalie.
Hij keek haar een seconde aan, liet dan het luciferdoosje verticaal balanceren bovenop zijn tot vuist gebalde hand.
‘Danny, je moet meer buitenkomen.’
Danny duwde zijn vuist met kracht naar omhoog, het luciferdoosje hopte de lucht in, Danny ving het snel weer op en knelde het bijna stuk, tussen de palm van zijn hand en zijn vingers.
‘Bikkelen lijkt me wel wat,’ zei hij. ‘Verkopen ze bikkels in die grote speelgoedwinkel aan de A12? Dan koop ik me een setje en kan ik buiten bikkelen. Dat is voldoende.’
‘Danny, ik bedoelde dat je meer onder de mensen moet komen. Er zijn film- en praatavonden. Er zijn fietsnamiddagen.’
Danny keek naar buiten. ‘Het regent, Nathalie.’
‘Ja, Danny. Dat weet ik. Maar het is lente. Jij hebt toch een goeie fiets?’
‘Nathalie, dat is vriendelijk, maar ik blijf liever thuis, om te bikkelen.’
‘Danny, je hebt gezelschap nodig, je zit hier maar te zitten, je vereenzaamt.’
‘Nathalie, je bent heel vriendelijk, maar ik wil bikkelen. Dank je, Nathalie. Dag Nathalie. Je kent de weg naar buiten hé Nathalie.’
‘Danny! Ik bedoel het zo goed! Je hoeft me niet buiten te gooien!’
‘Ja Nathalie, nee Nathalie, dag Nathalie, je mag nog eens binnenspringen, volgende maand of zo, eerder niet, dag Nathalie.’

KLOKVAST

Twee uur ze zeggen dat ze zich moeten haasten Vier uur ze lopen dat het een lieve lust is Zes uur ze zeggen oef, dat ze morgen!

Drie uur en hop! in de sneeuw en de latten glijden of Vier uur en hop! in de zee en de golven golven en ‘s avonds

Zes uur ze moeten stilaan terug vertrekken Acht uur de eerste tranen van het te vroeg gedane Tien uur de auto brengt hen in een te late file Twaalf uur ze zijn nog lang niet ter plaatse.

Zeven uur de wekker ratelt en ze zijn wakker Acht uur hoog tijd en de auto davert Tien uur de keel maar de koffie borrelt Twaalf uur de maag maar de sandwich botert dan Twee uur, bijna, maar de printer hapert.

Zeven uur de wekker ratelt en ze zijn wakker Acht uur hoog tijd en de auto davert Tien uur de keel maar de koffie borrelt Twaalf uur de maag maar de sandwich botert dan Twee uur, bijna, maar de printer hapert, hij hapert.

NUL KOMMA NUL

‘Maar ik heb je zo veel gegeven! Al die kleren! Schoenen! Twee museumabonnementen! Dat mooie kastje! Die prachtige mantel! Onze reizen, onze citytrips! Besef jij wel hoeveel dat allemaal gekost heeft?’

Inge huilde. Hij kon dat niet zien, en ze was niet van plan om er iets van te laten merken. Ze slikte de tranen weg.

‘Nu zeg je niks meer he, meiske! Wie denk je wel dat je bent! Je hebt van me geprofiteerd! Ik heb zo veel in jou geïnvesteerd!’

Inge kon terug gewoon praten.
‘Geïnvesteerd?’ vroeg ze.

‘Ja, je hebt me goed verstaan! Geïnvesteerd! En wat heeft het me opgebracht? Niks. Nul komma nul nul procent! Ik lijd zelfs verlies! Al die geschenken! En die nieuwe telefoon! Wat zei ik? Dik verlies lijd ik! Ik wou dat ik je nooit gekend had! Jij was een domme investering!’

‘Zo had ik het nog niet bekeken,’ piepte Inge.

‘Nee, zo slim ben je niet hé, kieke. Daar had je niet over nagedacht hé! Maar ik wel! Dik verlies, ja.’

Inge hield haar telefoon nu wat steviger vast. ‘Een snijplank zou beter geweest zijn,’ zei ze.

‘Wàt zeg je?’

‘Een snijplank.’ Ze articuleerde zorgvuldig.

Het bleef stil aan de andere kant van de lijn. Inge hoorde zijn ademhaling, maar hij zei niks.

‘Zo’n houten,’ zei ze. Ze hikte. Ze moest lachen en huilen tegelijkertijd, en dat leek op een grote hik.

‘Wàt zeg je?’ vroeg hij nog eens.

‘Zo’n grote mooie,’ zei ze. ‘Ze bestaan nu ook in bamboe. Ik denk dat ze vijftig euro kosten. Ze verkopen ze overal. Vijftig euro. Ik zag er een die over het aanrecht past. Dat zou een goeie investering zijn,’ zei ze. ‘Dan kun je groenten snijden.’ Inge was bang dat hij de lach in haar stem zou horen of dat ze niet meer zou kunnen stoppen met lachen. Ze hoorde niks aan de andere kant van de lijn.
‘Dàg Fred,’ zei ze.

MET HET LICHT ZAL NIETS GEBEUREN, ZEI MEN

Het licht stond te koop.
Al snel vond men de ideale koper. Hij was meer dan solvabel en men had het volste vertrouwen in zijn managementcapaciteiten. Het contract en de details van de verkoop waren snel rond. Het licht werd verkocht en het zou voor de komende decennia in goeie handen blijven.

Een journalist kreeg lucht van de verkoop en zette het bericht online. Alle kranten en mediakanalen namen het over.
De mensen waren bang.
Het licht? Het licht verkocht? Hoe kan dat? Wat nu? vroegen ze.
Ze werden gerustgesteld.
Met het licht zal niets gebeuren, zei men. Het blijft waar het is, het kan niet verdwijnen.

Amper drie maanden later besliste de eigenaar om het licht op de beurs te gooien. De beursgang werd een groot succes. De koersen stegen dadelijk en onafgebroken.

De gewone mensen houden nu alle economisch nieuws in verband met het licht in de gaten, maar weten niet wat ze er mee aan moeten of wat ze moeten geloven. Sommigen vroegen onbeperkt inzage en inspraak in alles wat met het licht kan gebeuren en in alle transacties. Maar dat kan niet, zei men, en men benadrukte nogmaals dat het licht in goeie handen zou blijven.