JEF ROOKT. ZIJN PIJP. (1/2)

en Jef zegt nog altijd dat de paarden kunnen praten en een week later zegt hij dat alle dieren praten en hij gaat naar de dierentuin om eens te kijken en te luisteren en inderdaad, tot de slangen toe, lange gesprekken voert hij, zegt Jef, en dat hij beter fabels zou schrijven dan met de gewone mensen te praten en hij vindt ter plekke een kaketoe met een verhaal uit.

marika hackman

Afb: Marika Hackman – That Iron Taste. Link naar Soundcloud.
(1 moment)

OF SPELLETJES

“Jef?”
“Ja, Marie?”
“Wat is dat met de jeugd van vandaag?”
“Wat bedoel je, Marie?”
“Waar zijn ze?”
“De kinderen, Marie? Die zijn op school.”
“Nee, dat bedoel ik niet, Jef. ’s Avonds. In het weekend. In hun vrije tijd. Wat doen ze?”
“Dat weet ik niet. Misschien kijken ze televisie?”
“Of misschien maken ze hun huiswerk.”
“Maar straks is het vakantie.”
“Ja, vakantie. Wat doen ze dan?”
“Ik weet het niet. Misschien gaan ze op reis? Of op kamp met de scouts?”
“Ja. En wat is dat met hun computers?”
“Wat, met hun computers, Marie?”
“Ze hebben allemaal een computer.”
“Ja. En een telefoon.”
“Ja. Een GSM.”
“Ja. In Nederland zeggen ze ‘een mobieltje,’ denk ik.”
“Ha ha. Maar wat doen ze ermee?”
“Ik weet het niet, Marie. Ik ken er niks van. Ook niet van computers.”
“Ik ook niet. In onze tijd…”
“Ja, in onze tijd, maar onze tijd is voorbij.”
“Jaha. En hier staan we.”
“Ja. We praten over de jeugd.”
“Over wat ze doen.
“Studeren. Of niet. Computers. Feestjes. Brommers. Vrienden. Of spelletjes!”
“Ja, spelletjes, ook. Op hun telefoons.”
“Of op de televisie. Of op andere machientjes.”
“Hoe laat is het, Jef?”
“Bijna vijf uur.”
“Goed. Liliane komt dadelijk.”
“Ha, dan zie ik haar ook nog eens.”
“Ja. En mijn achterkleindochter.”
“Ja.”

VALLENDE MAN

“Ik heb gedroomd dat duizend mannen naar beneden vielen.”
“Mannen, Jef? Duizend?”
“Ja Nikki, enkel mannen, maar ik heb ze niet geteld, met ‘duizend’ bedoel ik gewoon ‘veel’.”
“En hoezo, ‘vallen’, Jef?”
“Ze vielen uit de lucht, baf, recht naar beneden, boenk in de wei, boenk, boenk, ik stond er naar te kijken.”
“Waren ze dood, Jef?”
“Nee, ze waren zelfs niet gewond. Het was een droom, dat zei ik.”
“En dan, Jef? Wat gebeurde er dan?”
“Niks. Ze stonden op en wandelden weg alsof er niks gebeurd was. Sommigen keken op hun uurwerk en liepen wat sneller dan de anderen, misschien moesten ze naar hun werk of naar een afspraak. Anderen bleven dan weer staan praten of telefoneren. Eentje ging zitten, midden in de wei, en haalde een mondharmonica boven.”
“Een mondharmonica, Jef?”
“Ja Nikki, dat zei ik toch. Hij speelde een deuntje. Ik hoor dat deuntje nog altijd, het zit in mijn hoofd.”

dylan_harmonica

Foto via The Strut

EN HET MANNETJE BLAAST DE BALLON

Jef zegt:
“Oei en ze zitten vast in hun rooster van negen tot vijf en daarna in het andere rooster van het eten en dan nog een van de televisieprogramma’s, het is tijd voor de soap.

Een klein mannetje struikelt over een van de draden van het rooster want zijn auto moet naar de garage maar het mannetje weet niet wat hij moet doen zonder die auto, hoe moet hij naar huis, hoe moet hij naar het werk, hoe moet hij het toiletpapier en het vlees voor vanavond – maar gelukkig bestaan er vervangwagens, hoe veel kost dat per dag en dan toch liever zonder maar hoe dan het werk?

En oei de soap valt weg wegens een voetbalmatch en oei de voetbalmatch valt weg wegens een overstroming en oei de overstroming valt weg wegens te veel sneeuw.

Het mannetje herademt.
Hij heeft zijn auto terug. Hij kan naar de frituur, hij kan naar de markt, hij kan naar de supermarkt en naar de dokter.

Oei en daar is dat andere rooster van koffiekoeken op zondag maar de bakker is gesloten en de betaalterminal is defect en de zondagskrant is er niet en ai, oei,

En het mannetje blaast de ballon tot de ballon groter is dan de parochiekerk en er komt een ander mannetje met een lange naald en de ballon zegt ‘plof’ en het eerste mannetje reageert geschokt en maakt zich zorgen over de kerk en over de koster en over de stoelen – die waren weliswaar aan restauratie toe  maar wat als?

En zo kabbelt het leven voort, langs auto’s en hun kerkhoven, langs voedsel en de kant en bijna klare maaltijden (er werd een nieuwe slogan uitgevonden!), langs om ter meest en om ter grootst en er worden kortingen gegeven maar het eerste mannetje maakt van diezelfde ballon nog altijd een olifant zo groot als de parochiekerk en hij denkt niet meer aan de stoelen, noch aan het altaar, noch aan de koster, noch aan de bloemen van de lokale mevrouwenkrans.

Hij denkt aan zijn auto die nu toch weer in de garage staat want de alternator, zie je, en het volledige laadsysteem en een nieuwe auto is veel te duur en hij wil geen nieuwe, hij wil zijn oude om naar het werk en naar de bakker en zo voort, maar de automensen hebben gezegd dat hij een tweede en een derde want de fabrikanten en de verzekeringsmaatschappijen moeten groot en groter en zij moeten hun geld in zichzelf en in hun banken – prop, prop, tot een ader dichtslibt en het hele systeem en zo voort en zo voort.

‘Ach,’ zegt het mannetje.
Hij is weer gestruikeld, hij heeft de voet in het gips, hij kan nu toch niet etc etc en hij leest in een boek over een woud en over een klein huis met een groentetuin en het mannetje denkt ‘Zou ik dan?’ maar hij blijft in zijn woonkamer en met zijn voet in het gips tot de voet oké en tot de auto oké en hij betaalt de rekeningen want hij moet terug naar het werk en de boodschappen en hij wil die kant en bijna klare maaltijden van de nieuwe slogan proberen, punt.”

sol lewitt 1
Afbeelding: Sol LeWitt in het Bonnefantenmuseum, Maastricht (foto van Peter Foolen)
Sol LeWitt: via MB, met dank.

EEN, TWEE, EEN, TWEE

Jef dacht:
“Ge kunt uw ogen tot over de weide laten priemen en dan, recht het bos en de bomen in, tot op de takken en de bladeren, de vogels en hun nesten zien, en dan terug naar beneden, de schors volgend, tot de wortels, diep de grond in, als ge maar wilt, en terug naar boven, en dan kunt ge terug naar de weide en dan weer het bos in, langs de schors van de boom, omhoog, tot waar een uil, en zo voort. En zo kunt ge, behalve de weide en het bos, alles vergeten, de slechte maar ook de goeie dingen, en ge ziet alleen nog de bomen en vogels, niks anders. En sommige mensen duiken dan eerder in hun postzegelverzameling, of in een andere hobby, hun paarden misschien, of hun tuin, of goeie muziek, of ze springen op hun moto en vergeten alles behalve de straat en het gestamp van de motor, en dan wuiven ze alleen naar andere motorrijders, zo maar, omdat de wereld anders is voor een paar minuten, of een uur, of een dag.”

In gedachten keerde Jef nu toch zijn rug naar dat bos en stapte hij op de fiets en van zijn fiets in een mooie blinkende auto en met de auto naar een zwembad en baantjes trekken een uur, twee uur, alsof hij nog twintig was, en dan, met natte haren, terug de auto in en naar de stad, naar een zonovergoten plein waar de toeristen en de kleuren van diezelfde toeristen de zondag bepalen, T-shirts, rokjes, jurkjes, jonge mannen en vrouwen, vrolijke kinderen, Jef rond het plein en in de straten, natuurlijk die ene kerk ontwijkend waar een pissijn, nee, dan maar terug de auto in en via de ringweg naar de autostrade en dan zo naar de Ardennen, daar, de motorrijders, daar, de Semois, voort, de Ourthe en haar kajakvaarders, daar, een bestelwagen, leeg, die zou de toeristen oppikken, wist Jef, hij had dat allemaal zelf gedaan, ooit, lang geleden.”
Jef zweeg.
Halfvier, de kinderen zouden dadelijk voorbijfietsen.
Jef stopte zijn pijp.

DANSEN

“Kunnen mensen niet normaal meer dansen? Gisteren, op televisie, zag ik zo’n vreemd  gedoe en ik begreep er niks van, de dansers waren eerst wild en dan lagen ze voor dood op de grond en daarna kleefden tegen elkaar en even later duwden ze elkaar weer weg en nog wat later kleefden ze weer? Wat is er mis met de walsen en met de ballerina’s en zwanendansen van vroeger? En die moderne muziek! Die doet pijn aan mijn oren! Geef mij maar de klassieke violen en piano’s, waarom gebruiken ze die niet meer? De klanken die uit die oude instrumenten kwamen, daar was toch niks mis mee? En op dat moderne lawaai van vandaag wordt zogenaamd gedanst, maar volgens mij is dat meer een soort springen!”
“Ja maar, Jef…”
“Nee, Nikki, ik hou er niet van!”
“Toch, Jef!”
“Nee, Nikki, echt niet.”

zwanenmeer

(Bron afbeelding : http://www.eenlevenlangtheater.nl/rudi%20van%20dantzig/repertoire/choreografieen/3190.html )

KOPPIG

Ik ben tachtig.
ik ben koppig.
Ik zwijg.
Lena, Geneviève, Marja, Annie, Nikki; ze kwamen een voor een op bezoek en probeerden me een voor een te doen praten.
Het heeft geen zin. Gisteren niet, morgen ook niet.
Ik heb plezier en gesprekken genoeg op m’n eentje, en met de paarden.
Nikki probeerde met gebarentaal. Ik heb mijn duim in de lucht gestoken. Ze was gerustgesteld en vertrok.
De anderen hebben maar wat aan mijn hoofd zitten zeuren. Ik heb eens geglimlacht, en mijn pijp uitgeklopt.

MAGDA

“Zoals Magda die niet buiten mocht omdat haar man dacht dat ze hem bedroog, wat helemaal niet waar was, die gedachte was slechts vergif in zijn hoofd, een vergif dat iedere keer dat zij toch eens op stap wou groter werd, zo groot dat het alle ruimte in zijn hoofd innam zodat hij telkens meer en meer zijn klauwen uitsloeg om haar bij zich te houden, het maakte haar ongelukkig, ze wou alleen maar naar de stad met haar dochter of met een vriendin, ze wou shoppen, zei ze, met shoppen is toch niks verkeerd? Maar haar man zat nu eenmaal met dat grote vergif in zijn hoofd en hij zei dat ze thuis moest blijven en zij kon niet anders dan hem te gehoorzamen want anders zou de thuissituatie alleen maar slechter en zieker worden en wie weet wat hij dan allemaal zou doen, dus Magda nodigde haar dochter en haar vriendinnen thuis uit en ze ging niet shoppen, behalve met hemzelf en hij troonde dan naast haar, jij bent mijn koningin zei hij en dan mocht ze alles kopen wat haar hartje begeerde, zolang het maar niet te duur was natuurlijk, en niet te uitdagend want het moest toch zedig blijven?”

“Jef, wat vertel je nu allemaal, hoe weet je dat? Wie is die Magda?”
“Magda woonde hier in de straat.”
“Waar is ze nu, Jef?”
“Dat weet ik niet, vorig jaar verhuisde ze en ik zag haar niet meer.”

room in New York 1932 Edward Hopper
Afbeelding: Room in New York, 1932, Edward Hopper.

dd. 22/07/2013

EEN BEETJE

la trahison des images René Magritte

“Die Jef is een beetje gek, hij vertelt vreemde dingen over paarden en vlinders en hij staat daar meestal gewoon maar te staan, met zijn pijp in zijn hand. Een man die zo volhoudt dat paarden kunnen praten, daar moet wel een hoek af zijn, ik denk dat er van zijn hersenen inderdaad een groot stuk ontbreekt, misschien werden zij opgegeten door de ouderdom of is hij altijd zo geweest? Ooit was hij melkboer, dus hij zal zelf toch wel goed kunnen rekenen hebben, niet? En nu zegt hij dat hij niks gelooft van wat ze op de televisie verkondigen, ook niet dat de mens al op de maan geweest is en dan begint hij plots te vertellen over de supermaan van enkele weken geleden en hij zegt dat ze vanaf hier op aarde echt aangeraakt kon worden, alleen al door het licht, dat dat licht een straat was langs waar je zelf naar de maan kon en dat daar geen raketten en televisies voor nodig waren.
Hij kocht een polaroidtoestel, Jef, omdat hij geen digitale foto’s wilt, hij kent niks van digitaal en van computers zegt hij, hij wil een beeld dat nu is, een foto zegt hij, en hij wil die foto zo snel mogelijk vasthouden en voelen, in zijn handen, en op de kast zetten – hij toont me een foto van een kerktoren met vier duiven en van de begrafenisstoet van Lena van grote Marcel van Over De Beek, zij heeft haar man maar een jaar overleefd maar dat laatste jaar was voor Lena beter dan alle voorgaande jaren want sinds ze weduwe was ging Lena iedere dinsdag te voet naar de markt en in Den Groten Hert dronk ze dan telkens eerst een koffie of twee koffies en dan een Westmalle, ze zag er goed uit Lena en plots was ze dan toch dood, Jef wou een foto van haar laatste reis door de straten van de gemeente, richting het kerkhof en hij fotografeerde de begrafenisstoet, de wielen van de auto staan er niet op maar dat geeft niet, zegt Jef, want de de corbillard volgende levenden staan er wel op en daar gaat het tenslotte om hé Nikki? en ik moet zeggen dat hij gelijk had.”

Reeks ‘Jef’, zonder nummer.
Afbeelding; René Magritte, La trahison des images, ‘Ceci n’est pas une pipe’, afbeelding via LACMA, http://collections.lacma.org/node/239578

dd. 30/7/2013

TWINTIG VLINDERS, ZESTIEN PAARDEN

Volgens Jef kunnen alle vlinders tellen en rekenen. Een twee drie vier vijf zes enzovoort en twee maal twee en drie plus zes. Nikki vraagt hem of hij zeker is en Jef zegt dat het zo zeker is, als dat hij met die dieren een heel gesprek kan voeren en als de vlinders en de paarden tegelijk in de weide zijn, dat dat dan een heel concert is van vertellende paarden en rekenende vlinders.
Jef zucht.
Hij zegt dat het fijn is om te weten dat vlinders vraagstukken oplossen en dat paarden verhalen vertellen en dat ze die verhalen zelf verzinnen dus dat hun fantasie wel degelijk werkt en dat de paarden dat aan de wereld kunnen en willen laten horen zodat Jef en enkele anderen het misschien zullen voortvertellen.
“Dat is wat ik nu doe,” zegt hij. “Het voortvertellen.”
“Ja,” zegt Nikki.

vlinder nabokov

Bronnen van afbeelding:
http://flavorwire.com/171588/vladimir-nabokovs-drawings-of-butterflies
en
http://www.nabokovmuseum.org/drawings1.html

dd. 16/7/2013