Een aanmaning van onze Londerzeelse bibliotheek; dat ik een betalingsachterstal had van negentig cent. Genoeg om het in mijn hoofd te doen knetteren.
Ik kom niet vaak in de gemeentelijke bibliotheek. Soms, omdat ik iets zoek. Of soms, omdat het zo uitkomt.
Vorige keer (Olaerts) kwam het zo uit en gisteren weer, vanwege die negentig cent. Ik deed er eerst rap mijn ronde; de brede trap naar beneden, alle rekken voorbij en snel langs de staanders met de blikvangers. Wie kiest die boeken?
Hertmans liet ik staan, Van den Boogaard ook – al heb ik bij beide even getwijfeld. Maar ik zag iets van J.M. Coetzee en iets van een Noorse schrijver die ik niet kende en wiens naam ik weer niet meer weet. Beide boeken niet te dik en allebei hopelijk goed leesbaar. Terug naar boven, aan de uitgang de boeken scannen.
De twee dames aan de balie keken niet op. Ze hebben het nu drukker dan vroeger met allerlei label- en ander administratief werk. Het scherm zei ‘Scan uw lidkaart of uw ID’ en ik zocht waar ‘de groene streep’ was onder dewelke ik mijn identiteitskaart moest houden. Ik voelde me bijna belachelijk, probeerde bij de meneer aan de scantafel links van mij onopvallend te spieken hoe het moest, wat niet lukte. Ik gaf mezelf dan maar opdracht om ‘beter te kijken’ en zag ineens dat de belangrijke groene streep wel erg ver rechts onder het scherm verstopt zat. Gered, oef. Ik mocht en kon nog boeken lenen zonder me erg klein te voelen omdat ik iemand om hulp moest vragen. ‘Zot mens,’ zou die iemand dan vast gedacht hebben.
‘Niet vergeten te betalen,’ zei het scherm. Dat deed ik aan de terminal, en dan snel weer weg. Ik zei nog ‘daaag’ tegen de beide dames. Geen reactie. Waar is de tijd?
Een paar uur later – na soep en kip met witloof, tijm en mosterd – vluchtte ik naar mijn kamer. Deur dicht. Rust.
Beckett en Borges konden wachten.
Coetzee, het boek uit de bib.
Had ik eerder al iets van hem gelezen? Ik wist het niet meer, de achterflap deed me een volgende titel noteren.
Coetzee bleek een sneltrein. Ik lees enkel ’s avonds, zelden langer dan twintig à dertig minuten, gisteren een vol uur en het boek was al half uit. Voordat ik weer naar beneden ging zocht ik naar werk van Coetzee in mijn boekenrekken. Lang leven de alfabetische rangschikking. Ik vond wat ik zocht en legde er twee van klaar, ook het boek met de titel die ik noteerde. Wanneer zou ik die twee herlezen?
PS. Van ‘Van den Bogaard’ moest ik de schrijfwijze googelen – ik spelde hem eerst met ‘ae’. Ik las hem honderd jaar geleden. Twee boeken? Drie? Van Hertmans heb ik een kleine collectie, tot ik er mee stopte.
En nee, ik zal niets over inhoud schrijven. Ik lees en lees dan het volgende. Misschien moet ik toch ‘Naar Merelbeke’ maar eens herlezen?
Tag: IRL
HET IS DE SCHULD VAN SIMENON
‘Godot zal wel wachten, hij loopt niet weg,’ dacht ik.
‘Simenon,’ wist ik.
Lang geleden had ik eens meer dan dertig Simenons gekocht. Dertig stuks voor vijf euro, dat was een superkoopje.
Na al die jaren stonden er nog tien. De rest had ik uitgeleend, uitgedeeld, ergens achtergelaten.
‘Misschien moet ik nog eens op zoek naar zo’n koopje,’ dacht ik.
Simenon was gedurende al die tijd een goede houvast geweest, waar ik minstens een keer per jaar naar terugkeerde. Makkelijk te lezen. Snel. De losse verhalen, of de bekende commissaris en zijn pijp, als o zo evident terug te vinden baken.
Ik koos de uiterst rechtse.
‘Getuige Maigret’
Ik zette me in mijn grote stoel, legde mijn voeten op ‘mijnen bureau’ en begon te lezen.
(Verwacht u hier niet aan boekbesprekingen. Daar doe ik niet aan. Of heel misschien toch eens vijf woorden, ongeveer. Zoals ik gisterenavond op TV het veel te sterke woord ‘mulitudes’ opving. Zo onverwacht dit andere, groene baken, vernoemd op de commerciële televisie. Het ‘multitudes’ zal eeuwig blijven hangen en ik zal ook daar een dezer naar terugkeren – naar een van mijn favoriete groene boeken. En van daar misschien, kortelings of later, naar Lucian Freud, dat andere groene baken. En van daar naar de kracht van Turner, mogelijk ook naar Hopper, mogelijk naar Carver. En anderen. Een kamer vol bakens.)
HET IS DE SCHULD VAN AN OLAERTS
Het zit zo: Ik ging nog ‘s naar de gemeentelijke bibliotheek. Meestal weet ik op voorhand welk boek, of welke boeken, ik wil meenemen en dan loop ik recht naar de letter A als ik iets van Auster wil, of naar de M van Murakami. Of de S van Steinbeck.
Die ene dag niet.
Ik keek wat rond, stond bij de ‘koopjes van de dag’ – natuurlijk stond daar niet ‘koopjes van de dag’ maar iets anders, ik weet niet meer wat. Treffers? Of Beste Keuzes? Of Meest Populaire? –
Ik kende Olaerts‘ naam nog uit de blogwereld en ik denk dat ik eeuwen geleden af en toe ook iets van haar las. ‘Korte verhalen’ op de achterflap van het boek dat daar stond heeft me overtuigd; kort was goed. Ik was immers verkouden en had geen zin in de eindeloze woordenstromen. Te ziek was ik. Te moe.
Stukjes van An Olaerts dan maar.
Alledaags, vluchtig, snel, hier en daar zelfs grappig. De volgende avonden las ik telkens wel een of twee van haar verhalen.
Nee ik las het boek niet uit.
Meer dan de helft, denk ik, maar ik werd jammer genoeg zieker en las helemaal niks meer. De uitleentermijn was verstreken en om het me makkelijk te maken vroeg ik aan een dochter om het boek binnen te leveren. Dag An Olaerts.
Ziek, dus.
Geen boeken meer.
Niks kon me bekoren. Een half artikel in Humo, soms. That’s it. Echt niet normaal. Ik kwam zelfs niet meer in mijn werkkamer op de eerste verdieping. En ja, ik heb de grote luxe van een kamer voor mezelf. Door Bart eigenhandig voor mij gemaakt, bijeen getimmerd, geschilderd. Wit maar niet spierwit, petrolblauw maar geen vuile petrol. Gewoon mooi. Nu, gedurende een veel te lange periode, was mijn kamer onbereikbaar, de trap onoverkomelijk. Zes weken? Zeven? Twee maanden? Vanuit de woonkamer, door de vide en het gietijzeren raam naar mijn werkkamer zag ik een klein deel van mijn boeken. Dat uitzicht motiveerde me niet en ik kon het niet opbrengen om me in de richting van mijn anders zo geliefde werkkamer/boekenkamer naar omhoog te hijsen.
Vorige week nam ik me voor om ‘vanaf maandag’ iedere avond de zware tocht naar boven iedere avond terug aan te vangen. Nee, ik was niet helemaal genezen maar ik voelde me een stuk beter. En gisteren, maandag, hield ik voet bij stuk en deed ik de klim.
Ik gaf de planten water. Keek rond. Ging zitten. Startte de laptop maar zette hem dadelijk weer af.
Ik keek nog eens rond.
‘Wachten op Godot’, daar moest en wou ik in voortdoen. Ik nam het vast, deed het niet open en legde het opzij.
Wat lag er nog op mijn altijd veel te volle tafel?
Ik viste een ander niet al te dik boek vanonder de oude getrouwe Zomer van Pavese.
Kant en Wal # 1. Aanlegplaats met teksten en korte verhalen van verschillende bloggers. Het lag hier al een hele tijd onaangeroerd, waarom had ik het besteld, waarom zou ik de woorden van andere bloggers willen lezen?
‘Goh, misschien moet ik maar, het is in ieder geval met pauzes tussen de teksten,’ dacht ik.
Ik las het voorwoord van ene meneer Komkommer.
‘Oké,’ zei ik tegen meneer Komkommer, ‘ik zal wel lezen.’
En daar stond An Olaerts weer. Ik las haar, en ik las de volgende.
MOLLEN
‘Ja ik ben mollen aan het vangen,’ zei hij.
Hij had zijn getuig op het veld laten liggen.
‘Er zijn er veel, mollen, en wat moet een mens anders op een zondagmiddag?’ vroeg hij.
‘Wij rijden naar Brussel en we dachten, we doen eerst nog eens de toer van de veldbaan,’ zei Bart.
‘Ja, dat kun je doen. Ze is weer in slechte staat hé, tja, de gemeente. Ik hou me bezig. Mijn vrouw helpt op de boerderij en in het huis, de koeien en altijd vanalles, ja, en ik ben hier. Ze zullen de verhuis voor ons doen.’
‘Wie? Welke verhuis?’
‘Ja mijn zoon en zijn vrouw en kinderen. Een van de kleindochters neemt ons huis over, allez, ge snapt het wel hé, en wij gaan in dat kleine huisje aan de overkant van de baan wonen. Zij zullen renoveren en wij kunnen dan kleiner wonen. Wij hebben zo’n groot huis niet meer nodig, en daarbij, de oudste wou dat, binnenkort word ik overgrootvader. En het is niet ver om te komen werken. Ze zullen grote verbouwingen doen en mijn zoon mag dan langs de andere kant van de boerderij een nieuw huis zetten, dat kan omdat het aan de boerderij paalt, ze hebben al een vergunning en zijn andere dochter kan dan in het oude huis op het erf en die zal dat ook wel verbouwen zeker? Ik begrijp het niet helemaal maar ik kan het me niet meer aantrekken. Ja, dag hé, want ik moet terug naar de mollen, ’t is ideaal nu, veel plezier in Brussel.’
We riepen een groet terug maar hij had zich al omgedraaid en slofte het veld op. Zijn arm ging nog even de hoogte in.
NIJHOFF IN DE WOLKEN
Praten? Nee ik wil niet praten, ik wil alleen maar iets zeggen, iets vertellen misschien, maar praten wil ik niet.
Over Nijhoff, Martinus Nijhoff, ik kwam hem gisteren tegen, ‘ergens tussen de wolken’, meer uitleg hoeft daar niet bij.
Ja, Nijhoff, en hij zweefde.
Er waren nog andere namen, tussen die wolken, enkele ‘belangrijke’ namen zelfs, maar ‘belangrijk’ doet er niet toe, en aan het droppen van namen probeer ik me zo weinig mogelijk schuldig te maken.
Maar voor Nijhoff mag dat wel.
Ik zou trouwens eens moeten checken of hij op mijn honderd-lijst staat.
Bij deze.
Aangepast.
Er was ook het water.
Misschien moet ik de Schelde ook maar op mijn honderd-lijst zetten. De Schelde en de Oosterschelde. Die verdienen daar ook hun plaats.
Gedaan.
Er waren dus de wolken en de Schelde. Veel van het Scheldewater heb ik niet gezien, het was geen mooi weer en het begon zelfs te gieten. We dronken iets en hoorden enkel een RIB.
‘Amai, die mensen zullen nat worden,’ zei ik.
‘Ja, bonk, bonk,’ zei hij, doelend op de snelheid van de RIB, en op het gestage bonken ervan op het water.
Het stopte met regenen, het terras liep leeg want de mensen die er zaten moesten hun boot halen, die van halfzes, zegden ze, en dat ze wisten dat het tegen halfzes wel zou stoppen met regenen.
Nu, iets meer dan 12 uur later, kwamen de wolken, Nijhoff en de Schelde terug.
Ik zet ze hier.
Ze mogen hier staan.
Martinus Nijhoff, De wolken
(Via DBNL)
Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag
Lang-uit met moeder in de warme hei,
De wolken schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag.
En ik riep: Scandinavië, en: eenden,
Daar gaat een dame, schapen met een herder –
De wond’ren werden woord en dreven verder,
Maar ‘k zag dat moeder met een glimlach weende.
Toen kwam de tijd dat ‘k niet naar boven keek,
Ofschoon de hemel vol van wolken hing,
Ik greep niet naar de vlucht van ’t vreemde ding
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.
– Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
En wijst me wat hij in de wolken ziet,
Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken waarom moeder schreide –
LANG, LANG
Hij zegt Ik blijf hier wel even wachten en ik zwaai even met mijn Knack Ik ben een slimme mens hé mevrouw V en ik zal me hier in het zeteltje zetten.
Ik zeg Buiten staat een bankje Dat is misschien beter Veel mensen vinden het daar goed om zitten Het dient er speciaal voor.
Hij zegt Ha ja dat is een goed idee en seg Hoe zit het nu met die keuring?
Ik zucht en zeg Die verhalen zijn veel te lang hé meneer Daar kan ik nu echt niet op ingaan Het is à la Belge dus het duurt en het duurt.
Hij vraagt Dan zal ik maar op dat bankje Dan zal ik u met rust laten en
Ik zeg Ja meneer Dank u Dat is een heel goed idee
BUSSELS PETERSELIE
Oké oké mijnheer Macharis, ik laat de chaos de chaos en ik kijk alleen nog naar het bos en naar de bomen. Ook daar echter: chaos, want de eigenaar laat zijn kleine bos verkommeren, het ligt vol omgewaaide bomen, oude paletten, lege blikjes van de loonwerkers die op het veld ernaast maandenlang peterselie plukten – misschien ligt er van die mannen ook nog een stapel kleren verstopt achter een van de eerste bomen. Gezien vanaf het wegje, is dat.
De peterselie is ondertussen nagenoeg helemaal verdwenen.
Maan-den-lang konden die mannen plukken. Met de hand en continu gehurkt. Jaa, ze zijn jong, maar toch. Hun rug!
Een keer zag ik een van de jonge mannen na het plukwerk opgepoetst en opgeblonken uit het bos komen, helemaal klaar om op stap te gaan. Volgens mij had hij achter die ene boom een halve badkamer verstopt, want hij was tot in de punten van zijn schoenen verzorgd en duidelijk blij dat hij een date of whatever had. Of een sollicitatie, misschien? Of toch een afspraak met een of andere jonge dame (M/V/X)?
Ik heb het hem niet gevraagd.
Zoals wel vaker zag hij dat ik hem zag en hij wuifde. Ik wuifde terug.
Weken later zat hij alleen of op sommige dagen met een of met twee kompanen nog altijd op het veld. Peterselie blijft ontzettend lang groeien en de jonge mannen bleven plukken en plukken en busselen en busselen en vervolgens hun oogst in plastic bakken gooien tot er genoeg bakken waren om ze in te laden en te transporteren naar ik weet niet waar. Tot in de late herfst en in die laatste weken durfden ze het aan om een vuurtje te maken en zich regelmatig wat te warmen – dood en droog hout genoeg in het bos. Maar nu is het al wekenlang te koud, de laatste peterselie is bijna volledig vergaan en de jonge mannen komen al lang niet meer. Misschien liggen die kleren en die halve badkamer er nog?
VER
Ik vraag me af waar jij bent.
Mogelijk ergens tussen een van de verschillende tinten blauw, denk ik. Of misschien wat dichterbij, tussen of in of net boven de enorme lagen groen.
We hadden elkaar nog aangeraakt. Of nee, net niet. Een vluchtig kruisen van onze wangen, rakelings. Ik zoek een ander, beter woord voor ‘kruisen’ maar ook dat woord hangt ergens onbereikbaar, tussen al dat azuur- en koningsblauwe.
Ik hoor je roepen. Ik kan de zinnen en woorden niet verstaan. ‘Overal, nergens,’ denk ik te horen. Ik spits mijn oren wat beter en hoor ‘Weg, langs het wandelpad.’
Ja?
Er zit niks anders op. Ik moet me erbij neerleggen. Hoe zeggen ze dat? Vrede mee nemen? Ja? Moet dat? Of kan ik me er blijven tegen verzetten? Zou dat zin hebben? Zou jij dan kiezen om dat oneindige blauwe of groene achter je te laten en om hier, tussen de huizen en de oude fabrieken, tussen de drukke straten en de wekelijkse marktkramers te willen verblijven? Iedere ochtend, iedere dag, iedere week opnieuw? Dat kan niet, natuurlijk niet.
Er dendert weer een vrachtwagen voorbij, de slogan op de zijkant van de laadbak kan ik niet lezen, het is te donker. Van de dag is nog geen sprake behalve in de drukte van het verkeer. Hoor, een autobus, die van twintig voor zeven.
(voor B, B, D, D, H, J, K, K, L, M, M, R, S)
OUT
Oud, oud.
[stilte]
En nog amper in staat om te eten, te stappen, te praten, te
lachen, te
groeten, te
leven, te
zijn.
[stilte]
Oud, oud.
[stilte]
DWINGENDE NOTES TO SELF
en dan is het vreemd want ik kom werken maar ik moet geen dozen en dozen en dozen uit de nachtbox halen het is immers kerstvakantie, ze zijn gesloten dus ik moet niks inboeken en ik moet niks uitpakken en sorteren en etiketten en klaarleggen en zien of er niks ontbreekt en dan weer een mail sturen en dat dan weer bewaren en opvolgen en misschien nog eens een mail sturen etc etc
in de plaats is er (even, heel even) tijd voor vijf minuten leegte, goede, rustige, stille leegte en daardoor ook tijd voor dit en dan weer voort want hier liggen tientallen, honderden notities her en der verspreid en moet ik die sorteren en soms zijn ze dubbel en goh ja ook nog dat en dat en dat en dat
oké, dus, dimmen, mevrouw verlinden, doe het wat rustiger aan of die sterke zelfs ijzersterke ruggengraat zal het begeven, doe even je ogen dicht en adem, adem, maak dan een minikleine basislijst en begin daaraan, verstop al het andere of doe minstens alsof je het niet gezien hebt of noteer het toch nog maar eens want je zou het kunnen vergeten nietwaar en moffel het weg, in je mouw, in je handtas of onder die andere stapel
(tja, waar zijn de dialogen en de vogeldialogen? waar zijn jef, nikki, de vogels, de kleuren, de polyptiek, neo, het licht, waar is foussignargues, zelfs, gloria, zelfs?)