VAN DE HAK OP DE TRAP OP DE TAK. AKA DE SCHITTERING VAN DE DAGEN.

‘Er is een gemis, een verlangen naar, een verlangen naar verlangen, dat ook,’ zei ze, ‘maar wat blijft is de bodem van de kast, de kast zelf, de laden, de deuren en ze zal jaren blijven staan als houvast, als symbool, als stabiel baken, onveranderlijk, onverwoestbaar. De dekens passen er allemaal in, zo ook de kookpotten, de volledige voorraad droge voeding, zelfs het tuingereedschap, de lange hark, de grasmaaier, de kruiwagen,’ zei ze, ‘en de lelies, en de blauwe bodembedekkers, en de groene, en de witte van de buren, maar ik verkies de zeldzame blauwe met het grote donkergroene blad en de hortensia’s die nu klaarstaan, nog beschermd door hun groene knoppen, Freudiaans groen, ik bedoel de kunstenaar, de enige van vandaag,’ zei ze, en dat het zeer deed aan de ogen.

En ze herhaalde, bleef herhalen, ‘het is wat het is, het is niet anders, het kan niet, maar langszij, een kleinood, een A4, een vreemde naam linksonder, een tussen de handen mogen houden.’

Er kwamen drie, nee vier konijnen uit de kast gehuppeld maar de grootste verrassing was, dat die konijnen konden praten. Ze hadden het over het weer van de laatste dagen, over de regen, de storm, de donder en bliksem en daarna over de regenbogen en nog wat later over de blauwe lucht. Plots dacht het grootste konijn aan die ene tuin, en het zei tegen de andere konijnen dat de mensen van het hoekhuis, jeweetwel, dat huis met de grote moestuin, dat die met vakantie waren en dat de moestuin!
‘Hoera!’ riep het kleinste konijn, en ze maakten een plan, overdag, nee, dat was geen goed idee, maar ’s ochtends vroeg!

ELFENDERTIG

Elf. Elf colli’s in de nachtbox en vandaag moet ik die jammer genoeg zelf uithalen. Dat wordt zeulen, stapelen, snijden, paklijsten vissen. Dan het vaste werk; overlopen, inboeken, etiketten printen, uitpakken, kleven, sorteren, wegleggen of -zetten.
En dan al het andere. Ik kreun.
‘Kafka,’ zeg ik tegen PJ. PJ lacht.
‘Herlees Kafka,’ zegt hij.
Zou het helpen?

Boven mijn hoofd, door de koepel, hoor ik het kabaal van de duiven. Het stoort, maar het zijn maar duiven. ‘Er is niks aan de hand,’ zeggen die. ‘Het is al licht en er is het vooruitzicht van de lente, morgen, overmorgen. ‘Het is licht, LICHT,’ roepen ze. Ik draai mijn hoofd naar links en ik zie het.

DE ECHTE BETEKENIS VAN ‘FLOCK’

Hij zei dat het goed was maar schikte nog enkele stukken, keek vervolgens naar de vijver en naar de eenden en herhaalde dat het goed was, dat de drie laatste de andere gevonden hadden en dat het brood nu wel mocht

en keerde terug naar de stukken.
‘Recht, recht, het kan niet beter, het is goed,’ zei hij maar met zijn rechter wijsvinger gaf hij toch nog een kleine tik tegen de rand van het eerste.

‘Misschien moet ik naar huis, want daar wachten de vrouw en de tuin maar ik moet bij de stukken,’ zei hij en schikte voort, schudde het hoofd en keek weer naar de vijver en naar de *flock* eenden.

‘Ach, ach,’ zei hij en hij tikte nu met de linker wijsvinger en dan toch nog even met de rechter.

‘Het is wat het is, het kan niet anders, het moet zo, de stukken, de eenden,’ zei hij en hij zuchtte.

ZWART, ZWART

Huh? Zwart? Hij bestudeerde het uitvoerig maar had niet veel tijd want een nieuwe aanval kondigde zich aan. Ja, inderdaad, alweer zwart, en er leek geen einde aan te komen. Moest hij zich zorgen maken? Nee? Maar zo zwart? Hij liep naar de kast en nam een propere zakdoek. Snel, want het herbegon. Zwart, zwart, zwarter dan zwart. ‘Wat is dit toch?’ vroeg hij zich af, en hij snoot en hij snoot.

HET KAN OOK EEN STEEN OP EEN BORSTKAS ZIJN

‘Ik voel me alleen.’
‘Goh, joint the club.’
‘We kunnen misschien?’
‘Wat? Wat bedoel je?’
‘Heu, tja, we kunnen misschien? Jij en ik?’
‘Alsof dat zin heeft!’
‘Ik zou me minder alleen voelen.’
‘Ja. Tijdelijk. Niet meer dan dat.’
‘Denk je?’
‘Ja.’
‘Maar ik wil het minder voélen.’
‘Wat? Het allene?’
‘Het allene. Dat woord bestaat niet. Maar ja, oké. Het allene.’
‘Leg je erbij neer. Het voelen van het allene gaat niet weg.’
‘Even, misschien. Een paar minuten. Een uur.’
‘Zelfs niet voor even. Het was, het is, het zal altijd zijn. Soms wordt het gecamoufleerd, maar het is en het blijft.’

ACHTERGRONDEN, ACHTERGRONDEN

en dit leven, zo vol van warme zonnen, heldere manen, sterren.

(de bommen, de doden)

en van veel licht op het groene

(de bommen, de doden)

en van het speelse van mens en dier.

(de bommen, de doden)

 

Ja, dit leven, met zijn miljoenen verhalen, met de zachtheid van huiden, met ’s ochtends zijn koffie en, ’s avonds, veel warme dekens

(de bommen, de doden)

en het lachen van overal liefde?

(de bommen, de doden)

of het mag? Deze langdurende zachtheid, het eeuwige gloren, de volledige regenbogen?

(de bommen, de doden?)

de levende klanken, het gloednieuwe rode en groene, altijd, met echo’s en echo’s en wedergeboortes? De blauwe regen?

(de bommen, de doden?)

het lezen, de zinnen, het schrijven, de zinnen, de kerken en kathedralen van vlammende woorden, links en rechts, onder en boven?

(de bommen, de doden?)

 

Zou er een god zijn die kijkt en die weet? Die dit dirigeert? Overal?

(de bommen, de doden?)

EXPLOSIES

De schoonheid in dat beeld
van rozen
van veelkleurige vlinders
van violen in hun sonate

of van explosies van licht met
stralen, verder reikend dan onze aarde
tot het niets
of tot alles
oneindig, onbereikbaar

of enkel hier en
onze aarde, het leven
de oceanen, het leven
of een bloem in een veld
eenvoudig en groots.

HET KAN VLAMMEN

‘Waar zat je?’
‘Heu, op het werk!’
‘Waarom nam je je telefoon niet op?’
‘Wel, hij viel uit mijn handen, recht in de put.’
‘Welke put?’
‘Die die ik aan het graven was!’
‘Waar?’
‘In de Stationsstraat natuurlijk. Je weet toch dat we daar aan het werk zijn? Ik stond met mijn voeten in het water toen je belde en mijn telefoon glipte uit mijn handen. ‘
‘Maar je nam niet op!’
‘Ik zeg het je toch? Hij viel in het water en is stuk. Kapot. Ik moet een nieuwe hebben.’
Ze bekeek hem met vlammende ogen en nam de pan die achter haar op het aanrecht stond. Ze sloeg ermee rond zijn oren. Veel kracht had ze echter niet en hij wankelde niet eens, keek haar verbouwereerd aan.
‘Wat doe je?’ vroeg hij.
Ze sloeg nog eens.
‘Ben je gek?’ riep hij.
‘Ze haalde opnieuw uit, maar hij was haar te snel af en trok de pan uit haar hand.
‘Nu is het mijn beurt, ik heb er genoeg van,’ zei hij. En hij mepte. En nog eens. En nog.

OF EEN ROODBORSTJE OF EEN OCHTEND OF

– Hoge bomen!
– Ja!
– Veel takken!
– Ja. En hoog!
– Ja! Maar wat doen we ermee?
– Huh? Bedoel je met de takken, met de bomen?
– Ja. We kunnen er iets inhangen. Veel, zelfs.
– Iets inhangen? Zoals?
– Zoals het grage zien.
– Huh? Hoe?
– We vinden wel een manier.
– En dan?
– Alles erin hangen. Laten doen. De zon. De maan. De wind, de regen. Alle sterren. Ook storm, sneeuw en hagel.
– Ja?
– Ja.
– En dan?
– Niets. Kijken. Voelen. Weten. Vasthouden zonder vast te houden. Vastpinnen zonder aan te raken. Niets. Alles. Heel gewoon.
– Vind je?
– Ja.
– Moeilijk?
– Ja. Nee. Misschien. Nee. Ik denk niet dat dat moeilijk is.

U

U krijgt een reis U krijgt korting U mag gratis binnen U krijgt een drankje U bent een van onze beste klanten U bent uitgeloot Wij zullen U verwennen Profiteer van dit superaanbod U bent de eerste U bent de beste U won het grote lot U moet uw interieur U moet dit in de gaten houden U snakt naar de zon U bent onze ideale klant Lees onze prachtige folder Breng de coupon mee Laat deze kans niet liggen U heeft dit Nodig Nodig Nodig.