ONTELBAAR

Maar er waren veel seconden en zelfs minuten van licht en van schaduw, van hun schakeringen. Veel zonsopgangen, het te felle licht, ’s ochtends erg vroeg. Er waren ook veel donkerrode oleanderbloemen, de mooiste. Rozelaars die ik toch kon snoeien, drie minuten adem, en hun nieuwe knoppen en bloemen. Wit, wit, hagelwit, maar ook de grotere donkerrode, alweer dat diepe o zo mooie donkere. En de kleine vijgenboom die het plots, na jaren van ‘Kijk, hij leeft nog!’ verwonderlijk goed doet. Van de rododendron waarvan we niet weten of hij zijn verhuis wel zal overleven. Van uitdijende asters en de vraag wanneer ze zullen beginnen bloeien, en in welke kleur, want dat weet ik niet meer. Paars? Ja, het zal wel paars zijn. En hier en daar een dooie fuchsia vanwege meneer Max die, behalve rennen en apporteren, ook graag bloempotten en hun inhoud ontmantelt. Dag felroze fuchsia, dag zeldzame kamperfoeliestruik. We hadden jullie in de volle grond moeten planten, achter de afsluiting, onbereikbaar voor jonge honden en niet altijd zichtbaar voor onze ogen, we zullen moeten reiken naar die horizonten van bloemen, en er zijn voldoende andere, ontelbare bossen kleine viooltjes.

EN LANGZAAM

Ze zei dat ze het niet wist. Ook niet waarom het twee keer gebeurde. De omstandigheden waren totaal verschillend, maar toch was het twee keer hetzelfde. Haar hals. Dat was het duidelijkste. De zachtheid. Van het vervolg wist ze niks meer. Was er wel een vervolg geweest? Ze probeerde het te achterhalen maar hoe hard ze ook haar best deed, haar geheugen weigerde mee te werken. Wat was het, waarom, en wat betekende het? Ze zuchtte, herhaalde dat ze het echt niet wist, zei dat ze er niet meer wou aan denken en dat ze zich op haar werk moest concentreren, dat de directeur van de afdeling in Luxemburg haar iets belangrijks had opgedragen en dat ze dat tegen het eind van de middag wou afwerken.

JOE

Ik hou
HOU
van mijn kalkoenen, zei hij, en van mijn ezels en
fazanten en van mijn kippen en hanen en van mijn
paard en de hond en de drie poezen.

En ik hoop
HOOP,
zei hij, dat ze deze crisis overleven en dat we ooit
OOIT
terug samen
SAMEN
in de wei kunnen zitten, tussen de duizenden
madelieven en klavers en paardenbloemen en dat we
de wolken weer zullen tellen en de eenden in de beek
of de overvliegende ganzen en eksters en kraaien en
een zeldzame buizerd of meer.

Ik hoop
HOOP,
zei hij, dat ze dan weer op het erf kunnen scharrelen
en dat we allemaal samen
SAMEN
terug leven
LEVEN,
leven
LEVEN,
zei hij, zoals indertijd.

DAG VIER

Ik ben hem kwijt, echt.
Ik zocht overal. In de grote lade, in de bovenste kasten, achter de loszittende plint in de bijkeuken. Ook buiten; achter de onderste kromme tak van de grote eik, onder de haag, zelfs langs de zijde van de buren – ik kroop door het gat van de dode conifeer. Niks.
Hij zat niet achter het lege wijnrek in de kelder en ook niet achter de stapel isolatierollen op de zolder.
Nergens.
Gisteren liep ik wel drie keer door het steegje en keek ik nauwgezet achter en onder de enorme hortensia’s.
Niks.
Vanochtend vroeg ik het aan al de buren, maar die wisten het ook niet. Ze zagen hem al twee of drie dagen niet meer. Mia zei dat het haar ook al was opgevallen, dat het zo stil was.
‘Kom even binnen,’ zei ze. ‘Hij komt vandaag wel terug.’
‘Ik denk het niet,’ slikte ik.
‘Het is heel erg,’ zei Mia.
‘Bwa, het valt mee,’ zei ik.
‘Tuttut,’ zei ze en ze zette een grote schaal noga voor mijn neus.
‘Koffie ook?’ vroeg ze.
‘Doe maar thee,’ zei ik. ‘Van die goeie gemberthee, kan dat?’ vroeg ik.
Ze verdween in haar keuken. Ik keek even rond. Misschien had hij zich onder haar sofa verstopt? En had ik thuis al onder het bed gekeken? Of achter de wasmachine? Misschien zat hij daar? Of in de gangkast? Daar keek ik toch nog niet?
Mia bracht me mijn grote kop dampende thee.
‘Hier, meiske,’ zei ze.
Ik slikte nogmaals. De krop viel mee, vond ik.
‘Dank je,’ zei ik.

LONNESIEL

De wolk was een havik en achtervolgde haar. Ze sloeg linksaf, rechtsaf, nog eens rechtsaf, dook het Kattestraatje in en verstopte zich voor een halfuur in de verwilderde tuin van de notaris. Dan liep ze tot aan de beek, volgde, kwam in de Molenstraat en zette het op een lopen naar het wandelpad. Halverwege, in het kleine bos, zocht ze even beschutting en kwam ze enkele minuten op adem. Ze liep voort, ze wou naar de oude tramstatie.
Plots kwam daar Maria, de overbuurvrouw, op haar fiets uit de Kasteelstraat.
‘Maar schat, wat doe je?’ vroeg ze.
‘Ik moet naar de oude tramstatie,’ zei Evy.
‘Maar kind, die werd veertig jaar geleden afgebroken, dat weet jij toch?’
‘Huh?’ zei Evy. Ze keek verward in de richting van waar ze naartoe wou. Ze keek ook naar boven en zag de zachtroodkleurende havik.
‘Het is al laat, ik moet voort,’ zei ze. Ze zette het weer op een lopen in de richting van de tramstatie.
Ze voelde een vreemde shift in de tijd.
Het maakte haar duizelig en ze minderde vaart.
‘Wat is dit?’ vroeg ze zich af.
Ze liep de tramstatie in en verschool zich achter een kwakkele stapel paletten.

HET PAST NIET

Nee, het past niet, want een kat is geen olifant en een sprinkhaan geen varken. Bovendien kun je bananen niet met achterwielen en citroenen niet met stambomen vergelijken.
Nee, echt.
Alle donder en bliksem ten spijt. Alle vallende sterren ten spijt.
En of er wel of niet water is op Mars; dat speelt to-taal geen rol.
En een deksel is geen vermenigvuldiging en een boom is geen libelle. Ivoor is geen rubber. Een borgtang geen soeplepel. Een huis geen vulpen. Een acht geen hittegolf.
Het past niet, het past niet. Vergeet het. Onmiddellijk. Nu.

OVERAL

Over wat dan? Over de tjokvol gevulde dagen? Over de verkopen via email? Over al de vragen van klanten? Of over de koeien die tot over hun knieën in de modder stonden? Hebben koeien knieën? Of over de tuinman die in een tent woont en dat dat geen fabel is? Of over de ellenlange lijsten en lijsten en lijsten? Of over die verpleegster die een maagbloeding had, omdat ze zelf veel te lang pijnstillers bleef slikken om aan het werk te kunnen blijven? Of over die vriendin die overleden is en niemand weet aan wat? Over al haar vrienden, in lange rijen voor het uitvaartcentrum? Of over de pluizige paarse bloemen? Over de boer in het tuincentrum? Over Freddy die chauffeur is in bijberoep en twee dagen per week planten rondbrengt? Over de jonge man die zegt ‘Die moto is vooral voor mijn vrouw,’ maar haar krijg ik niet aan telefoon, en de bestelbon staat op zijn naam? Over de kerstlichtjes bij Ben, ze hebben de vorm van een groot hart en ze blijven tot volgend jaar hangen? Over de asfaltmachine hier voor de deur? Over onze Max die, vrolijk huppelend en altijd goedgezind, weer eens een druivelaar tot beste vriend gemaakt heeft? Of over het verkeersongeluk gisteren, op de A12? Ja? Nee? Misschien? Over wat dan?

ANITA EN RUDI

Hij riep vanuit de woonkamer: ‘Schat, de auto staat nog buiten, zet jij hem in de garage?’
Ze wou net een pan in het afwaswater steken maar wachtte even en maakte met haar handen tekeningen in het sop.
Hij riep nog eens: ‘Schat?’
‘Ja?’ antwoordde ze.
‘Heb je me niet gehoord?’
‘Jawel,’ zei ze. Ze plofte de pan in het water.
Een kwartier later, ze haalde net het kleine wasgoed uit de droogtrommel, riep hij opnieuw.
‘Schat, vergeet je de auto niet?’
Ze slikte.
Ze haalde haar zijden sjaal van het droogrek, spande hem tussen haar twee handen, liep naar de woonkamer en ging achter haar vriend staan.
‘De auto?’ vroeg ze.
‘Ja, als je wilt, de sleutel ligt op zijn plaats,’ zei hij.
Ze spande de sjaal nog eens goed tussen haar handen.

EN MET DE KOEIEN DIE TOT OVER HUN KNIEEN IN DE MODDER

Sofie luisterde met plezier naar de verhalen van haar vriendinnen en was dankbaar voor het gezelschap. De miezerige regen van het eerste halfuur stoorde niet, ze genoten van het samenzijn en lachten hartelijk met de reusachtige ganzen op het kale veld en met de twee Jack Russels die, vanaf het erf van de grote boerderij diep in het Krinkelsteertje, luid keffend op hen kwamen toelopen om dan, na een krachtig ‘tsjjj, tsssjjj’ van Melissa, weer te verdwijnen. Ze hadden langer dan drie uur gewandeld en veel gelachen, maar Sofie vond het fijn dat ze weer thuis was.Ze haastte zich om haar dikke trui uit te trekken, zette een kop sterke koffie en keek zoekend rond. Ahaa, daar was het. Ze nam het, streelde het even, glimlachte en sloeg het open. Waar stond dat stukje ook weer?

24

Sterk en boven iedereen verheven,
zij, de zon, zo schijnend, stralend,
lichtend, draaiend, gekmakend bijna,
met haar langdurig spel van

lente, zomer, herfst en winter en nog
meer: dagen, nachten, regen, hagel,
storm en sneeuw en vaak geholpen
door de maan, de wind.

Sterk en boven iedereen verheven
gooit zij licht op alle leven, zelfs op
de vissen in het water, wassend –
of was dat de maan, misschien, of toch?

Sterk,

voor eeuwig hevig vuur verspreidend,
hoogste, rijkste bron van leven, zij,
de zon, die verre ster maar toch zo
warm en licht, zo voelbaar hier, op aarde.