OVER DE KRUIN

Wat doe je?
Ik rust.
Rusten?
Ja.
Dat kan toch niet! Die job moet af!
Nee, eerst mijn rust!
Hoe lang nog? Vijf minuten?
De ganse dag.
Ben je gek?
Nee. En morgen ook nog.
Morgen? Maar nee, dat moet af!
Ik rust.
Ik wil dat je voortdoet.
Nee, want het barst.
Barst, barst? Waar? Hoe?
Hier, mijn hoofd.
Doe niet zo onnozel. Dat kan niet.
O jawel, voel maar.

[voelt] Ik voel niks.
Rustig voelen! De barst begint hier, achteraan, en loopt zo over mijn kruin naar voren.
Toch voel ik niks.
Nee, je duwt. Je moet niet duwen maar voelen. Voelen!
Ik voel niks. Je moet voortdoen.
O nee, want het barst en ik rust.
[stampt met de voeten] Verdorie! Stop met die onzin! Doe voort!
[haalt de schouders op] Barst, jij. Ik rust.

Advertenties

EVEN NORMAAL ALS GROEN GROEN EN EEN PLUS EEN

Mijnheer, u zei dat ik mijn mailbox netjes moet leegwerken, mijnheer, maar als ik drie mails beantwoord of verwijder, dan komen er vijf nieuwe bij, en zo blijf ik bezig, mijnheer, de ganse dag. Ik doe niks anders dan klikken en typen en deleten en beantwoorden en bestanden toevoegen en sorteren en archiveren, mijnheer, en dat telkens van acht tot vijf. En dan heb ik het nog niet over het scrollen en zoeken en over de standaardreply’s die ik moet creëren, mijnheer, en over de spambox die ik moet controleren, telkens weer.
En zo hoort het, zei u?
En geen spelfouten typen, geen enkele mail vergeten, de contactpersonen dubbelchecken, hun gegevens bewaren en telkens aanvullen in de lokale software. Voor de gerichte marketing en volgens doelgroep, zei u. Voor de verkoop en de resultaten en voor een goeie balans, voor het marktaandeel en voor nog vanalles, zei u.
Zeg eens eerlijk, mijnheer, als dat kan, en excuus dat ik het vraag, mijnheer, maar vind u die manier van werken normaal?

OF SEPTEMBER

Ik heb over ons gedroomd, zei zij.
Ja? vroeg hij.
Ja.
Oh.
Ja, dat we in het bos van Lippelo waren en dat we wandelden, een ganse namiddag, we kwamen niemand tegen, jij en ik waren daar, en het bos en de bomen.
Oh.
Mooi hé?
Ja.

Ik heb ook over ons gedroomd, zei hij.
Ja? vroeg zij.
Ja.
Oh.
Ja. We waren samen thuis.
Thuis?
Ja, thuis. We stonden in de keuken en maakten een visschotel.
Vis?
Ja, kabeljauw. Het was gezellig. We kookten en aten, praatten en lachten. We ruimden af en liepen nog even door de tuin. Dan gingen we slapen.
Ja?
Ja.
Oh.

Wanneer zie ik je nog eens?
Ik weet het niet. In juli zal het wel lukken.
Dat is nog lang.
Ja.
Bel je me?
Ja. Je weet dat ik je bel.
Ja.

EN KOFFIE?

(naar het oosten, buiging naar het oosten)

Hij zei tegen zijn zoon dat de ochtendstond
Jaja zei de zoon en hij gooide zijn peuk in het nette groene gras
Jamaar zo gaat dat niet zei de vader
Jawel want het is me gelukt zei de zoon en hij stond op en schudde zijn broekspijpen los
Wat moet er toch van je worden vroeg de vader
Ik ben al zei de zoon dus je hoeft je dat niet af te vragen
Ja maar je beroep en je geld en een gezin en kinderen
Dat zijn jouw zaken niet zei de zoon en ik trek mijn plan wel
Ja maar de mensen

De zoon kuchte en slikte en zocht in zijn zakken en stak een nieuwe sigaret op, inhaleerde diep en liet rookcirkeltjes uit zijn mond ontsnappen. De zon stond al bijna op het hoogste.
Weeral, zei de vader
Ja, zei de zoon
Je zou beter, zei de vader
Ja, zei de zoon
Wat minder baard, zei de vader
Zoonlief ademde een volgende reeks rookcirkeltjes uit en gooide zijn peuk in het nette groene gras
Weeral, zei de vader.
ja, zei de zoon
Mijn tuin en het milieu, zei de vader
Jaja en de bomen, zei de zoon.

NATUURLIJK

En de wind? Hij dacht dat hij de sterkste was en blies en joeg en liet bomen en huizen bewegen, zelfs barsten. Hij vond dat hij ook de zon en het licht moest breken, hij wou immers over alles heersen en riep en brulde dat hij de enige sterke was.
Dus hij blies en hij joeg op het licht, op de zon, en nog eens en nog, maar het licht en de zon werden hooguit wat verdonkerd door opgeblazen stof, en verschenen al snel weer in volle glorie.
En de wind had de zon in de rug, keek achterom en veroorzaakte daardoor een ware tornado. Hij dacht ‘Hola, een tornado, nu zal ik zeker winnen,’ maar hij won niets en herbegon en dat was weer eens verloren moeite en de wind legde zich dan maar neer, want hij werd ouder en moest regelmatig rusten.
En de zon en het licht deden niets, behalve kijken, schijnen en simpelweg blijven.

ALLES

(‘Alles in de tuin maakt een diepe buiging,’ zei hij)

Het is wat het is en een regenboog vraagt geen geld. Maar het doet zeer aan het hart en daar helpen alleen de bloemblaadjes tegen. En de wolken staan in een punt en kijk, er is een gat, en links van dat gat kun je dromen in vierkanten gieten, of in cirkels, maal duizend. En rechts is het niemandsland, daar worden slechts groene stengels geboren maar vroeger, wie weet het, wat was er eerst?

Dus het blijft dat het is wat het is en de regenboog leerde zelf met het licht te spelen en toont andere kleuren en vormen en hij praat en als de wind goed zit kun je hem verstaan maar misschien niet begrijpen. En de wolken leggen zich neer over de kleinste wandelpaden en je kunt erin bijten en dromen bestellen en meer, meer en meer en nog anders.

Daarna gaan de wolken een weddenschap aan en worden ze grijzer en grijzer. Ze laten hun water over de aarde lopen tot ze zeggen genoeg! en de zon toch weer mag en *schitter* en *blink* tot het wordt wat het is en de regenboog herhaalt dat enkel de bloemblaadjes helpen, raap ze op, zegt hij, hou ze bij, zegt hij, zegt hij, zegt hij, hou ze bij en *schitter* en *blink*.

TIEN TON OF MEER

Beste, ik heb op u gewacht maar de afstand was te groot, zeker tien ton en nee, het geeft niet, het was immers licht en donker en dan weer licht en we waren vreemden.

Beste, het is te laat het is voorbij de zonsondergang en ik had nog iets kunnen proberen maar het was te groen of te blauw en u zou gezegd hebben dat u vogels boven bloemen verkiest, of varkens of legoblokjes.

De afstand bleef en werd groter, van die tien ton tot zeker het eerste seinhuisje tot voorbij het botenhuis in de kleinste haven van het land.

U heeft nog gebeden maar de goden wilden niet luisteren, u vloekte en sprak van mijn kloten en de goden namen een deken en gooiden die over de aarde.
U voelde het niet, u zag niet dat het donker werd.

Daarna? Winterkoninkjes, roodborstjes en zwaluwen en het mooiste siergras, en de dahlia’s, de hortensia’s, en de fuchsia’s? Zij zullen wit kleuren.
En de zonsopgang zal de horizon verpulveren, misschien tot voorbij de woestijnrozen.

Al het andere weet ik niet.
Ik weet niet of bliksemschichten de luchten doorklieven tot ze links zowel als rechts

Noch weet ik, of de houten schilfers en de lange planken, of de zeepaardjes uit de tekening, of het boek op de staander, of de grootste witte rozen van bij die ene teler – enorm zijn ze, die rozen – of de rode randen van het blad, of het zonlicht in de kamer, of, of