BLURBS

Dit is mijn eerste geldmachine.
Hoe ik die gemaakt heb? Heel eenvoudig, ik produceerde gewoonweg enkele blurbs en ik maakte wat reclame. Veel mensen vonden mijn blurbs interessant en ze kochten er dadelijk twee of drie. Hun vrienden zagen dat en kochten ook wat blurbs. De vrienden van mijn vrienden zagen dat, en zo voort, iedereen kocht.
Ik ondersteunde de fenomenale verkoop van mijn blurbs met nog wat meer marketing. Dat werkte. Ondertussen heeft driekwart van de mensen minstens een of twee blurbs.
‘We hebben die nodig,’ hoorde ik onlangs. Aha. Dat deed me natuurlijk glimlachen.
En ‘Een mens kan nooit genoeg blurbs in huis hebben,’ zeggen ze. Lol.
En voilà, zo werden de blurbs een geldmachine. Met het geld van die eerste machine bouwde ik een tweede. Een schot in de roos, alweer. Lang leve mijn blurbs, lang leven de marketing, lang leve mijn geldmachine.

O E U V R E (3/3) – ALL BLACK

Ha maar zijn volgende plan leek nog beter.
‘All Black on Old Canvas,’ dacht hij.
Hij nam het werk van een oude meester en overschilderde de beroemde woeste golven met een dikke zwarte laag.
Of zou hij de nieuwe titel laten verwijzen naar de oude? Nee, toch niet. Ze moesten het raden. Of hij kon tijdens de vele interviews die zouden volgen een hint geven. De wereld zou op zijn kop staan. Een oud en beroemd werk opgeofferd door een jonge kunstenaar?! WTF!
Hij bekeek de zwarte, grove lagen verf. Hij was tevreden. Het licht speelde met het zwarte en toverde zelfs schakeringen.
‘Yep, all black on old canvas, easy!’ grinnikte hij.

“White may be said to represent light, without which no colour can be seen; yellow the earth; green, water; blue, air; red, fire; and black – black is for total darkness.” – Leonardo da Vinci
(http://www.annacarien.com/blog/2016/9/5/-black , met dank aan H. voor de hint)

O E U V R E (2/3)

Dan wou hij iets doen met een olifant.
‘Die olifant is van mij, van mij, van mij,’ zei hij.
De logge linker voorpoot moest schuin naar boven, bijna verticaal. De slurf moest gerekt worden en naar rechtsachter wijzen.
Zodra dat plaatje compleet was, begon hij lange stroken van de olifantehuid te schrapen. Eén strook centraal van de kop, vijf andere willekeurig van de rest van het lichaam.
Hij overwoog om de staart in een knoop te leggen maar liet hem toch gewoon hangen.
‘Deze olifant zal mij beroemd, beroemd, beroemd maken,’ wist hij.
Foto’s werden gedeeld, het internet ontplofte, er was een wachtlijst voor de interviews.
‘Het is met een grote K,’ werd gezegd en geschreven en de olifantentoestand bleef gedurende maanden een hot item.
Een jaar later nam hij een niet eens moeilijke beslissing en verkocht hij de olifant per opbod.

O E U V R E (1/3)

Hij bekeek de drie kleine stippen.
‘Ik zou dat anders doen,’ dacht hij.
Met een dikke zwarte viltstift maakte hij de stippen tien keer groter, en dan weer tien keer groter.
‘Dat is veel beter,’ vond hij.
Hij zocht een geschikte buitenmuur en stelde zijn werk tentoon.
Drie passanten bekeken de drie enorme stippen en zagen hem er trots bij staan. Hij klopte zich op de borst.
‘Ze zijn van mij!’ zei hij.
De voorbijgangers keken naar de stippen, naar hem, naar de stippen, naar hem, lazen wat commentaren op de social media en vielen in zwijm van bewondering.
‘Zie je wel?’ kirde hij. ‘Ik zal dadelijk nog wat van die kleine stippen zoeken.’

HUISNUMMER 3B

Op het oude rolluik van de kleine garage vlak bij haar voordeur stond het, in dikke, zwarte letters.

‘HEKS’.

Ze zag de letters en probeerde het woord te ontcijferen en te spellen maar ze kon er niks van maken, het was te lang geleden dat ze had leren lezen en ze was vergeten hoe het moest. Ze haalde de schouders op. Ze hield een zakje met wat afval in haar handen, draaide zich om en liep ermee naar de beek.

Toen ze terug naar binnen wou, versperden drie jongeren haar de weg.

Ze herkende hen en ze gromde.

‘Stomme heks, dikke trut,’ riep de ene.

‘Heb je je gewassen in de beek?’ riep de andere.

De derde stond er wat onnozel bij maar toen ze hem passeerde liet hij haar struikelen. Ze krabbelde recht, stak haar vuist op en gromde weer. De jongeren lachten luid en liepen door, richting de school in het centrum van het dorp, waar de leerkrachten hen goede manieren zouden leren.

Francine wreef over haar knieën, bekeek de schade, strekte been links, been rechts, stak haar vuist nog eens in de richting van de jeugd en ging naar binnen.

TWINTIG VIERKANTE CENTIMETER

Ze woelde in de naakte aarde. De mulle grond gleed door haar vingers, en opnieuw, en opnieuw
Dan legde ze zich languit in het gras, steunend op de ellebogen, de benen eerst gestrekt naast elkaar, dan het ene been over het andere, af en toe wisselend, en opnieuw, en opnieuw
Haar ogen volgden de groene glooiingen in de verte. Ze zuchtte langzaam, bleef kijken, en opnieuw, en opnieuw
Ze ademde traag en diep in en uit om zowel de lucht als het uitzicht in lijf en hoofd op te nemen en ze daar te laten blijven, voor altijd

SLIJM-IG

Hij opende de kast.
De volledige inhoud gleed over hem – glibberige, kronkelende maar toch levenloze slangen die vanzelf rond zijn armen, nek en rest van het lichaam slingerden en bleven hangen. Hij panikeerde, schudde, wreef de vieze substanties snel van zich af en rende naar huis.

‘Mario, van waar kom je? Wat heb je gedaan? Wat is er aan de hand?’ vroeg zijn moeder.
Hij antwoordde niet, haastte zich naar de badkamer en trok de douchedeur open. Met zijn short en T-shirt nog aan liet hij het water zo heet mogelijk over zich lopen. Zijn moeder kwam op de deur kloppen, hij reageerde niet, rukte de kleren nu haastig van zijn lijf en zeepte zich grondig in.

‘Mario, wat heb je gedaan?’
Maar hij kon geen woord uitbrengen.
‘Mario, was je in het grensbos? Je ging dat krot toch niet binnen? Wat is er gebeurd?’
Nee, hij zweeg, ging naar zijn kamer, deed de deur op slot en zette zijn koptelefoon op.

OF ZEBRA’S?

Ik dacht dat het een kwestie van tijd was, maar ik heb me vergist.
Er zit niks anders op dan me bij mijn vergissing neer te leggen.
Het doet wat zeer.
Ik vlei me onder het dikke donsdeken, probeer te slapen, dat lukt niet en ik tel schapen.
Driehonderdvijfendertig, driehonderdzesendertig, driehonderdzevenendertig,
Plots ben ik de tel kwijt. Ik begin opnieuw.
Tweehonderdzestien, tweehonderdzeventien,
Het dondert.
Mijn bed davert.
De schapen helpen helemaal niet, ik geef het op en luister naar de knallende donderslagen.
De kater, Maurice, miauwt aan de deur. Ik hoor hem springen – hij weet als geen ander dat de klink de deur open kan toveren. Maurice is net niet groot en sterk genoeg maar blijft proberen, hij is voldoende behendig om de klink telkens even te doen bewegen maar niet meer dan dat. Hij miauwt nog eens en geeft het op.
Ik tel weer schapen maar mijn gedachten drijven af.
Voor de honderdste keer besef ik dat ik me bij mijn vergissing moet neerleggen. Ik voel de krop. Schapen en katers, donder en bliksem, ze helpen niet. Koeien, misschien? Of olifanten? Ik voel de krop weer in mijn keel, probeer te slikken. Zwaluwen? Varkens? Jonge veulens? Bijen en vliegen, zonnebloemen, anemonen?

OF

Ze keek eens rond in de grote woonkamer en dacht ‘Waarom niet?’
Ze nam haar telefoon.

’s Avonds werd er gepraat en gelachen, zelfs wat gedanst.
Ze ging even naar buiten en ademde de koelte van de nacht.
‘Alles oké?’ vroeg een vriend.
‘Ja hoor,’ zei ze.
Hij ging terug naar binnen en zij ademde weer de koelte van de nacht.
Niet veel later nam ze afscheid van de anderen en zei ze dat ze konden blijven zolang ze wilden. Ze wenste hen nog veel plezier.
Badkamer, slaapkamer, bed, boek.
Ze knipte het licht uit, luisterde even naar het praten en lachen uit de woonkamer en viel in slaap.

EEN GLIMP VAN HET BLAUWE VAN DE HAREN VAN DE ZOON VAN DE ACHTERBUUR.

Ken ik jou? Dan ben jij hier, bij mij en sta je hier, zwart op wit, met varianten want de huid van jouw handen zal vandaag misschien groen zijn en morgen donkerrood of bruin. Je zult een halve meter groter of kleiner zijn, en je zult nu eens met deze maar dan toch weer met gene aan de toog van het café staan – wat nu niet meer toegelaten is, maar wat vroeg of laat zal terugkomen. Je haren zullen zwart, bruin, grijs of blond zijn, of zelfs blauw zoals de haren van de zoon van de achterbuur.

Ken ik jou niet? Dan ben jij hier, bij mij. Je fluistert of je roept, je leest de krant of je bent piloot. Je brengt je ouderwetse stelten mee, of de drie nieuwe T-shirts die je vorige week in de solden kocht. Ik zal zeggen dat ik jou niet ken en dat jij luid riep dat je mij en de mijnen graag ziet, maar ik zal ook zeggen dat ik je zag liggen, daar, in de gracht, met een gebroken been en twee blauwe ogen. Je zult bijna honderd zijn, of drieëndertig. Blind of helderziend, of allebei. Je huid zal de zachtste zijn, je handen de meest grove. De lijnen in jouw handen zullen een rijk leven voorspellen, met rode vogels op een blauwe achtergrond. Ze zullen de beste zijn, alles zal het beste zijn, het mooiste, het hoogste, het meest echte.

Zo zal het zijn, ja, zo zal zijn.