MEI

(Centraal in de droom: een grote ruiker bloemen in een hoge doorzichtige vaas)

Ze stak de spade in de grond.
‘Wat doe je?’ vroeg hij.
‘Die moeten eruit.’
‘Maar waarom?’
‘Ik vind dat paarse niet mooi.’
‘Oei, dat wordt moeilijk, die wortelen veel te diep.’
‘Wat weet jij daar nu van? En daarbij, dat paarse moet weg!’
‘Wat wil je dan in de plaats?’
‘Wit.’
‘Wit? Ben je zeker?’
‘Ja, ik wil enkel nog wit, wit hier, wit ginder, wit overal, het gele van februari moet er ook uit, en het dieprode van de zomer ook. Ik vervang alles door wit.’

VOETWEG 76

Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.
Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.
Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.
Dan, een hoop boterbloemen.
Dan, een hoop madelieven.
Een camelia, waarachtig.
De klimhortensia, zou ik stekken nemen?
Dan, de paardenbloemen, ze zijn nog geel, die andere zijn pluizen.
Dan, de grote uitgebloeide forsythia’s, hun herkenbare groen.
Dan, voetweg nummer 76, de Wipeweg.
Dan, wat paarse rododendrons, zeven, acht?
Dan, het grote en eeuwig schietende riet en de nog kleine vlinderstruiken. De vlinderstruiken zullen groot worden en ze zullen paars bloemen, dat weet ik.
Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.
Ik tel de blaadjes van de ligusterhaag.

OF EEN DONKERE TRAPPIST

Zegt de ene tegen een andere Het is verschrikkelijk.

Antwoordt de andere En al die doden.

Zegt nog een andere En de continue dreiging.

En iemand anders mengt zich Poetin is zot.

Uit een hoek van de kamer roept iemand Het is niet enkel ginder.

Neenee zegt een volgende Het is overal.

Buiten maken mensen spandoeken. HET IS GENOEG schrijven en roepen ze.

Ze dreigen en eisen en zijn oprecht verdrietig en huilen en blijven herhalen HET IS GENOEG.

Op het eind van de dag gaan ze naar huis.

Ze sluiten de overgordijnen, laten de rolluiken naar beneden, zetten de verwarming toch maar een graad hoger en eten stoofvlees met frieten, met witloof en veldsla. Iemand is de mosterd vergeten, iemand anders de pickles. Ze rijden snel naar de supermarkt en brengen ook shampoo en een kratje abdijbier mee, dat staat in promotie.

OF WE ZIJN

En tegenwoordig gelden de

plus- en de minpunten

of sterren

of smileys

of likes

voor ieder streepje te lang of te kort of te breed

of voor een foto of zin, of zegje of glimlach

of niet

Zo werd laatst een vijftien op tien gegeven

en dan weer een drie op zes

en toch ook een eenvoudige tien op tien

en een een.

Zo worden de hoofden dagelijks, uurlijks getatoeëerd met knalrode of -zwarte of schitterende gouden of diamanten kronen en bepalen die kronen

wie wij zijn en wat en hoe, of niet

en duurt dat misschien tot over een uur of mogelijk zelfs! tot  morgen of overmorgen, tot we dan toch niet meer zijn wat geacht en gedacht werd en het

weer kantelt

wie we zijn,

en wat en hoe

en of we nog mogen

blijven – maar enkel

als de punten, de kronen!

 het zeggen, dicteren!

of niet.

MET LINKS EN RECHTS RODE OLEANDERS

Ondertussen heb ik het varken geklasseerd (het beeld raakt kant noch wal maar daar trek ik me niks van aan) en het besliste dan maar (helemaal zelf!) om naar de kust te reizen en om van daar de stap naar de Ardennen te zetten – kwestie van nog niet te weten over welk deel van het land het volgende week verslag zou uitbrengen, of over welke miserie of oorlog.

Zafon deed ook vanalles met labyrinten, weet ik nu, nu pas.
Dus ik verdwaal in het uiterst noordoostelijke deel van labyrint nummer acht en leg niet alleen het varken maar ook de ganse boekhouding van het achtste en meest geachte regiment naast me neer.
‘Hun papieren kunnen de pot op,’ denk ik. Alweer een beeld dat op niks trekt maar ook dat laat ik staan.
‘En die van het zevende met hun onbeschoftheid ook.’

De bloesems zijn nu eindelijk in het land, en ze zullen blijven.
Het gras was vanochtend groener dan ooit.
Ik ben thuis en kijk links, over mijn schouder, maar de zwaluwen laten nog even op zich wachten. Hoe lang nog? Moeder, vader en dan de kinderen en de vrolijkste vlieglessen?
Vleermuizen, ja. Restanten van covid. Maar zijn het restanten? Hoe lang is het trouwens geleden dat ik ze nog zag vliegen?

Ik geef er een draai aan.
Paleizen dan maar.
En kastelen, torens, grote herenhuizen, rijke villa’s.
Ik kies er een statig gebouw uit en in een oogopslag weet ik dat een van die immense labyrinten zich in deze kelder bevindt.
‘Oké, goed,’ denk ik.
En ik daal af, af, af.
En ja, ik kan dat. Veilig. Ik kan ook veilig helemaal terug. Dat weet ik, ik deed het al eerder. U niet, dat weet ik ook.
Ik kan zelfs de boekhouding van het achtste regiment er gewoon terug bijnemen.

‘Acht, negen,’ tel ik.
‘Het is hilarisch’, weet ik. Dat was ik vergeten!

FINALE RESULTATEN


Gegeven: de bibliotheken van Jorge Luis Borges en van Peter-Paul Rauwerda (De negen kamers). De labyrintische bibliotheken.

De bibliotheken daveren op hun grondvesten (welke grondvesten?), er vallen veel boeken uit de kasten (zijn het wel kasten?), er springt een varken (hetzelfde van vorige week) op de begane grond (maar zelfs de begane grond is in deze labyrinten niet zeker, alles tussen de haakjes trouwens volledig terzijde) en het varken kijkt boos om zich heen.
Er is niemand.
Toch roept het:

‘Al die kennis! Al die boeken! Al die wijsheid!
Is het dat, wat de mensen ermee doen?
Bommen gooien? Kogels afvuren? Oorlog voeren? Macht najagen?
Waarom werden al die boeken dan geschreven? Die miljoenen? Wat heeft Meneer De Mens met die slimmigheid gedaan? Hoeveel is hij ermee vooruit geboerd? Wat heeft hij eruit geleerd? De wetenschap, ja. De technologie, ja. De geneeskunde, ja. De wiskunde, ja. De bruggen van de ingenieurs, de bouwvakkers! De snelheden, de uitvindingen, de techniekers!
Maar al de rest?
Geld, macht, oorlog!
Waar zit Meneer De Mens met zijn immense verstand?’

Het varken veegt zijn woedetranen weg, snuit zijn grote neus en springt op een van de vele hopen boeken die uit het labyrint gevallen zijn.
Het doorbladert een boek, nog een, nog een, gooit al de boeken neer, veegt zijn woedetranen weer weg, snuit zijn grote neus nog eens. Het varken blijft op een van de hopen zitten, denkend, de elleboog op de knie, zijn dikke kop rustend op een poot, nog altijd fronsend, denkend, ja, denkend en zich afvragend waarom, maar hij vindt het antwoord niet.

MAAR DE PAARSE ZIJN OOK MOOI

En soms vullen ze je hart met warmte.
(Eric met zijn uitzonderlijke en tegelijkertijd uitzonderlijk lieve zin voor humor.)
(Leen die vertelt over het oude hondje en de stukgebeten leuning van de oude sofa – een vraag om aandacht, zegt ze.)
(Kim die glundert bij de echt wel grappige vragen, de goede vondsten – haar lach!)
(Bart die zegt ‘Ik zal dat wel doen’ en dan dit of dat (de kookplaat!) op vaardige, technische, logische, geduldige wijze afhandelt.)
Of er dan vlinders of ganse vlinderstruiken (ik hou vooral van de witte!) met hun bezoekers al dan niet in mijn binnenste tekeergaan, laat ik in het midden.
Warmte, dus.
(En al het andere jaag ik weg, wil ik wegjagen, moet weggejaagd worden.)

HET KON OOK EEN ZINGENDE KERSTBOOM ZIJN

Een stapel slimme boeken links en een andere stapel rechts. Ik kies voor de niet-slimme en haal er een Simenon uit. Ik lees over een politieman en zijn vrouw, over een sigaar, over een kuststad en een lijk. Om een me onbekende reden stop ik met lezen en schud ik eens met het boek. Er valt een varken uit.
Het varken zegt dat de mensen dom zijn. De oever- en bodemloze discussies van de politiek, zegt het. Het Wilde Westen in het Oosten, zegt het. Duizenden bommen, duizenden granaten, duizenden kogels, zegt het.
‘Ze zijn echt dom,’ herhaalt het.
Het varken zwijgt, blijft nog even aan mijn voeten zitten en verdwijnt terug in het boek. Ik lees voort: Er hangt mist over de kuststad, er hangt mist over het grijze water, de boten blijven in de haven en de schippers zitten in een dampige kroeg.

(de titel is van de pot gerukt, dat weet ik. De zingende kerstboom zat in de oorspronkelijk langere tekst die ik in mijn hoofd had, maar om een of andere reden was ik die draad kwijt en ik heb geen poging gedaan om die terug te vinden. Dan maar gewoon een verwijzing in de titel.)

OF ZEVENTIEN

Ze zei dat ze best wist dat een plus een twee is, en drie plus vier zeven, maar dat een plus een ook vijf kan zijn, en drie plus vier dertien.

Ik antwoordde dat ik vond dat ze de laatste tijd weer wat zweefde, vroeg of ze zich goed voelde in die hogere sferen en dat ze zo veel mogelijk moest oefenen om met de voeten op de grond te blijven.

‘Ha, ha, ik wandel liefst ondersteboven en dan wil ik graag op iedere huisdeur een vogel en een bloem tekenen, en de bomen vol vlinders hangen. Alle deuren en àlle bomen,’ zei ze.

‘Dat lukt niet, dat weet je,’ antwoordde ik.

‘Met veel plezier,’ zei ze.

Ik zuchtte.

‘Ik weet het,’ lachte ze. ‘Een plus een is twee en zo voort, en ik ken nog steeds het alfabet, moeiteloos en zelfs  achterstevoren, en de vermenigvuldigingstafel van elf is mijn favoriet, elf, tweeëntwintig, drieëndertig, vierenveertig, die tafel van elf is een coole, zei ze, en die van negen en twaalf vind ik ook tof, maar nu wil ik met mijn potloden en mijn verf, en bloemen en vogels en vlinders, en nu ben ik weg,’ zei ze.

Haar stapschoenen stonden in de woonkamer, lekker warm, en haar beste sokken lagen klaar.

(De titels zijn hier altijd van de auteur. ‘Of negenendertig’ zou bij deze ook mogelijk geweest zijn. Of, heel eenvoudig, ‘De tafel van elf’.)

TWEEHONDERD RODE TOLLEN, BIJVOORBEELD.

Jaja die vier containers staan hier maar te staan, zuchtte hij.
Ze mogen en kunnen nu niet naar Rusland, zei hij.
Speelgoed voor rijkere Russische kinderen, zei hij.
Tja, het was geen grote bestelling, zei hij.
De meeste mensen ginder kunnen dat niet betalen, fronste hij.
Vier containers, ze staan hier, herhaalde hij.
Maar voor ons is dat echt geen ramp, zei hij.