‘Ja ik ben mollen aan het vangen,’ zei hij.
Hij had zijn getuig op het veld laten liggen.
‘Er zijn er veel, mollen, en wat moet een mens anders op een zondagmiddag?’ vroeg hij.
‘Wij rijden naar Brussel en we dachten, we doen eerst nog eens de toer van de veldbaan,’ zei Bart.
‘Ja, dat kun je doen. Ze is weer in slechte staat hé, tja, de gemeente. Ik hou me bezig. Mijn vrouw helpt op de boerderij en in het huis, de koeien en altijd vanalles, ja, en ik ben hier. Ze zullen de verhuis voor ons doen.’
‘Wie? Welke verhuis?’
‘Ja mijn zoon en zijn vrouw en kinderen. Een van de kleindochters neemt ons huis over, allez, ge snapt het wel hé, en wij gaan in dat kleine huisje aan de overkant van de baan wonen. Zij zullen renoveren en wij kunnen dan kleiner wonen. Wij hebben zo’n groot huis niet meer nodig, en daarbij, de oudste wou dat, binnenkort word ik overgrootvader. En het is niet ver om te komen werken. Ze zullen grote verbouwingen doen en mijn zoon mag dan langs de andere kant van de boerderij een nieuw huis zetten, dat kan omdat het aan de boerderij paalt, ze hebben al een vergunning en zijn andere dochter kan dan in het oude huis op het erf en die zal dat ook wel verbouwen zeker? Ik begrijp het niet helemaal maar ik kan het me niet meer aantrekken. Ja, dag hé, want ik moet terug naar de mollen, ’t is ideaal nu, veel plezier in Brussel.’
We riepen een groet terug maar hij had zich al omgedraaid en slofte het veld op. Zijn arm ging nog even de hoogte in.
Categorie: Uncategorized
WACHTEN
Waar ben je?
In het dal.
Oei, ik wist zelfs niet dat hier een dal was. En wat doe je daar?
Wachten.
Wachten?
Ja, wachten.
Ja seg, ik bedoel waarop wacht je dan?
Tot ik kan klimmen.
Klimmen?
Er uit klimmen hé.
Maar klim dan toch gewoon!
Dat gaat niet.
Huh. En waarom niet?
Mijn spieren zijn verzwakt.
Aha. En hoe komt dat?
Ik was ziek.
Ziek?
ja, ziek. Niet zoals in ‘dood gaan,’ maar toch ziek. En nu moet ik eerst nog wat rusten en terug spieren kweken. En dan klim ik naar boven.
Begin er dan toch aan!
Nee, het is te vroeg. Hoor je me niet hoesten?
Heuh ja.. en dan?
En ik heb nog altijd hoofdpijn en ik ben moe.
Oké.
Dus ik wacht nog even. Ik wacht. En ik span mijn spieren al eens op. Meer niet.
Oké. Doe maar rustig.
Ja, dat doe ik.
ONBESTEMD
Met de vlakke hand gladstrijken?
Of met zo’n brede behangborstel?
Misschien verstoppen?
In die lange gang, in de laatste kamer?
Of in de parkeergarage in het centrum,
Op min drie, in de achterste hoek.
Het kan ook diep in het bos – het Haller?
Of hoog in de lucht, achter de laatste wolk van het zwerk.
Misschien –
Is het dan weg? Wordt het dan vergeten? Nooit meer gevoeld?
Voor altijd? Kan dat?
Het woord ‘zwerk’ heb ik honderd jaar geleden bij vriend en weerman Marc De Keyser opgeraapt.
HIJ BEWAARDE HET AL JAREN IN DE EIKENHOUTEN KAST
De tattoo op zijn voorhoofd zei ‘MEDIA’.
Hij hield de ogen gesloten en fluisterde: ‘Ik weet het. Het staat er. Ik kan dat niet meer veranderen. Maar wil jij iets voor me doen?’
‘Ja, natuurlijk,’ zei ik.
‘In de kamer hiernaast, in de oude eikenhouten kast, ligt een zijden laken. Een wit. Wil je dat halen?’
Ik vond het en legde het op het voeteneinde van zijn bed.
‘En heb je mijn armen en benen gezien? Zou je eens willen kijken?’ fluisterde hij met veel moeite.
Ik stroopte de mouwen en broekspijpen van zijn lichtblauwe pyjama zo ver mogelijk op.
Zijn ledematen stonden vol tattoos. Overal, in zwarte inkt las ik titels en namen van kranten, tijdschriften, televisiezenders, radioprogramma’s, blogplatformen, websites en zo voort.
Terwijl ik alles grondig bekeek hield hij de ogen gesloten. Had hij ze trouwens nog geopend sinds ik bij hem was?
Ik zei niks.
Hij zuchtte zacht.
‘Wil je nog iets voor me doen?’ vroeg hij, bijna onhoorbaar. Zonder mijn antwoord af te wachten vroeg hij me om het witte laken volledig over hem te draperen.
‘Helemaal. Mijn hoofd ook,’ mompelde hij. ‘Je moet dit voor me doen, je mag mijn mouwen en broekspijpen opgestroopt laten.’
Ik fronste, maar wist wat me te doen stond en meende zelfs te begrijpen waarom. Ik nam het laken en vouwde het deels open, legde het over zijn voeten en benen.
‘Hoger,’ fluisterde hij.
Toen het laken tot op zijn borstkas reikte, zei hij nog steeds fluisterend maar erg indringend: ‘Tot over mijn hoofd!’
Zijn ogen bleven de hele tijd gesloten.
Ik deed niks en wachtte.
Hij zei weer iets, maar ik kon hem niet verstaan en bracht een oor tot net boven zijn mond.
‘Ik wil volledig afgedekt worden. Het hoeft niet meer, ik hoef niks meer, ik wil niet meer. Ik wou dat ik weer was wie ik was maar dat kan niet,’ hoorde ik.
Ik vouwde het laatste stuk van het parelmoerwitzijden laken open, bleef nog even staan, verliet de kamer en trok de deur zacht achter me dicht.
(Deze tekst is verbonden met ‘Onwetenheid’ van Milan Kundera. Maar ook met het liedje ‘Seven Veils’ van Elbow. De inspiratie voor de details in de tekst heb ik van een B.V.)
BOEK
Zijn naam is Boek.
Hij wacht.
Hij wacht.
Er gaat een dag voorbij.
Er gaat een nacht voorbij.
Er gaat nog een dag voorbij.
Bij het begin van de volgende nacht slaakt Boek een diepe zucht.
Niks.
Hij slaakt een nog diepere zucht.
Weer niks.
En nog een zucht.
Aha, er klinkt gestommel.
De deur van Boeks kamer gaat open, iemand knipt het licht aan, die iemand kijkt even rond en knipt het licht weer uit.
‘Weer niet,’ denkt Boek.
De volgende avond is hij het wachten meer dan beu. Hij begint dan maar zelf en leest zijn titel en achterflap. Hij kijkt eens naar zijn aantal bladzijden.
‘Ik ben niet te dik,’ denkt hij.
Hij bladert naar het begin.
Hij leest.
HET IS OPEN
Een kind
De natuur
Een cirkel
Een open einde
Een dag een nacht
Een leven
Een wolk
Drie handen
Een lang verhaal
Een regenbui
Een kort verhaal
Een ochtend
Een oog
Een zucht
Een droom
Een boek
Een bos
Een zachte wang
Een rechte rug
Een lepel in een kop koffie
Een ding, dat ding
Ze recht haar rug – nogmaals – en roert even in de koffie. Amper suiker. Zoet genoeg? Ze nipt, zet de kop koffie terug neer, die zal wel weer koud worden.
Ze sluit de ogen en overloopt de lijst.
‘Ja, een zucht, een diepe,’ denkt ze.
Ze droomt weg naar het bos, naar de rand van de bos en het smalle pad, naar de zitbank, naar het uitzicht over de aanpalende weide.
‘Ja, een leven, een goed leven,’ denkt ze.
Ze schrijft een kort verhaal. Het doet haar aan het volgende denken. Ze glimlacht.
‘Misschien moet ik er wat humor insteken. Lichte humor. Bijna onzichtbare.’
Ze schrijft het volgende.
Ze recht haar rug en hoort dat het regent.
Ze gaat naar buiten.
TOT DE NACHT, DAN
’t Is een geluk dat ze geen regen voorspellen
Dan zullen de bloemen
De krokussen, de narcissen
’t Is een geluk dat de zon
Dan kunnen de oleanders
En de weidemargrieten
’t Is zelfs een geluk dat de wolken
In vreemde formaties
En kleuren
En de fluitende vogels
De zwaluwen in hun snelle vlucht
Tot de vleermuizen, laat op de avond
Tot de nacht, dan
Opgedragen aan Matti Brouns. Hij overleed op 11/12/2023. Hij was een vriend. Plots bleek hij sneller dan het licht. Hij zal altijd blijven.
Matti, aka Martin Pulaski van Hoochiekoochie, volgde mijn ANDEREWOORDEN-blog van in het begin. De pre-facebookjaren. De skynet-jaren. Zonder hem zouden mijn blog mijn blog en mijn woorden mijn woorden niet zijn.
Veel sterkte aan zijn echtgenote Agnes, zijn zoon Jesse en aan zijn familie en vrienden.
CARVER 2 – MET DE GROTE GLAZEN ASBAK
Hij zei Misschien moeten we het anders aanpakken. Eens gaan fietsen. Naar
Zij zei Ben je gek? Jij, fietsen? Jij en ik samen fietsen? Jij houdt dat niet eens een kilometer vol.
Hij zei Naar Bornem of misschien naar Temse. Binnendoor. Stoppen in Sint-Amands en langs de Schelde wandelen. Je kunt daar een bruiswater met pompel
Zij lachte Je meent het.
Hij zei niks.
Zij herhaalde Je meent het. Denk je nu echt dat ik na gisteren
Hij kuchte.
Zij zei Ik ga niet mee. En ik kom je niet redden als je tegen de vlakte
Hij zei Je moet mee. We kunnen praten.
Zij lachte nog luider Praten? Denk je dat ik nog met jou wil praten? En over wat? Over ons? Tssss. Wij zijn verzopen. Letterlijk. Wij liggen in de modderpoel. Jij spartelt nog wat omdat je het nog niet doorhebt.
Hij slikte Maar
Zij zei Je moet niks zeggen. Ik ben het zat. Spuugzat. Ik pak vandaag mijn valiezen. Ze komen me halen
Hij vroeg Wie?
Zij zei Om elf uur. Het zijn jouw zaken niet.
Hij vroeg Wie?
Zij zei Hou je mond.
Hij gooide.
CARVER
Hij zei Ik lees Carver want daar kan ik een en ander van jou in herkennen.
Zij zei Maar ik heb je de eerste Carver cadeau gedaan net omdat jij jezelf in die verhalen zou herkennen.
Hij zei Maar ik zie jou.
Zij zei Maar ik zie jou.
Hij zei Net zoals in dat bruinbeige boek ging jij ook ergens in een wildvreemd huis iets leveren en je ging op de sofa zitten en je dronk gezellig een kopje koffie met die man en zo voort, vooral En zo voort.
Zij zei En jij drinkt tot je erbij neervalt en je bent te koppig en je hebt al jarenlang ruzie met de buurman.
Hij zei Ja en jij doet alsof ik er niet ben.
Zij zei En jij hebt onze meubels vorige maand allemaal buitengezet en je verkocht onze mooie tafel voor tien euro!
Hij zei Het was jouw tafel!
Zij zei En nu zitten we zonder! Nu moeten we eten met ons bord op schoot! Het bestek klettert iedere dag op de grond. En jouw broeken zitten vol vetvlekken.
Hij zei Ja en over jouw stokstijve sokken zullen we maar zwijgen? En over de groezelige lakens?
Zij zei Zullen we het zo spelen? Wat lelijker? Zal ik ook
Hij Genoeg. Ik kruip terug in mijn Carver.
Zij Ik scheur hem in stukken.
Hij Ik heb hem van jou gekregen.
Zij Ja daar heb ik dik spijt van ik scheur hem straks echt in stukken en die andere twee ook.
Hij Ik sla je ermee op het hoofd.
Zij Dan bel ik de politie.
Hij Dan zal ik jouw persoonlijke vieze boekje eens helemaal opendoen.
Zij Bel dan ook maar dadelijk de ambulance.
Hij En zo voort. Trut. Ik zoek mijn Carver.
[Stilte. Zij gaat naar buiten. Komt terug binnen. Ze gooit.]
EEN GLIMP OF
terwijl. het grage. zien. niet meer of. niet. minder is. dan. een. lichtstraal. op een blad. of het rode avondlicht. op de bomen. van het bos van. Poe.
terwijl. het grage zien. eenvoudig is. zoals de glinsterende Oosterschelde. of zoals. het wiegen. van de weidemargrieten. op het ritme. van de zachtste wind.
zoals het grage zien. niet. meer of niet minder. is. dan het zwaluwpaar. dat de. jongen. leert vliegen. en het kwetteren van plezier. tijdens hun. vluchten.
of dan de hond. die zich gelukzalig. heen en weer kronkelt in de zon. en. dan plots rechtstaat. en de schaduw zoekt of. loom. naar zijn drinkbak. wandelt.
het kan ook. een hand. in een. hand zijn of. een opgeslagen. blik – de blauwe. of groene of. bruine. ogen. met in zich. de schakeringen van al, van het al.
of het zien. van de schittering van het. zonlicht. dat die ogen. even. verblindt. of. de hand. die zich lostrekt. en. een seconde. of een. uur of vele. dagen later. plots. terug is, en. zacht.
terwijl het grage. zien. niet meer. of niet. minder is dan. hier en daar. een glimp. op een. lach. of. een traan. of op een hand. op een. schouder, even nog. even.
zo kijkt hij. en zucht hij. onhoorbaar. en voelt hij. diep. binnenin. tot. helemaal. in. zijn. keel.
het grage zien. niet meer of. niet. minder. de hand. en. de. lach en. de. traan en. het leven. of de. stilte. het al. in het al. tot dieper. dan. diep. binnenin.