BLAUW

blauw
(foto: panorama-foto van Manu Schotte)

“ ‘Blauw, blauw’, hoe gaat dat liedje weer, Nikki?”
“Iets met ‘vrouw’ en ‘keer ik terug naar jou’, Jef.”
“Ja, dat is het. Maar ik had geen vrouw in mijn gedachten.”
“Wat dan wel, Jef?”
“De lucht, Nikki, alleen maar de lucht. Helderblauw, keiblauw, watervallenblauw, regenblauw.”
“Je hebt het met blauw vandaag hé, Jef?”
“Ja, Nikki. Allesblauw.”

VIRIEL

“Viriel.”
“Wat, Jef?”
“Ik zei ‘viriel’.”
“Ja, Jef, en waarom?”
“Niet waarom, Nikki. Wie.”
“Wie wat viriel, Jef?”
“De jonge man die hier net voorbij liep, Nikki.”
“O ja, Jef? Ik heb hem niet gezien.”
“Hij is een viriele jonge man, Nikki.”

MODERNE DRUIVEN

“Ze hebben de pitten er uit gekweekt.”
“Wat, Jef?”
“Ze hebben de pitten er uit gekweekt, zeg ik.”
“Ja maar Jef, uit wat?”
“Uit de druiven.”
“Ja, Jef, dat is toch goed?”
“Vind je? Druiven zonder pitten zijn niet echt.”
“Ik vind het makkelijk.”
“Ik niet. Net of ze komen uit een laboratorium. Misschien zijn ze zelfs van plastiek.”
“Jef, ze zijn niet van plastiek.”
“Ja, dat zeg jij.”
“Nee, dat weet ik.”
“Ik moet ze niet.”
“Jef, het is makkelijk.”
“Toch moet ik ze niet, Nikki.”

TIERLANTIJNEN

“Voor mij hoeft dat niet.”
“Wat, Jef?”
“Al die tierlantijnen.”
“Welke tierlantijnen, Jef?”
“Dat geribbeld papier. Of die gelaagde opdruk. Of die vele kleuren. Dat kost alleen maar geld.”
“Ja, Jef. Maar het is toch mooi?”
“Ja, mooi, ja. Wat heb ik aan mooi? Het moet goed zijn, ja, of eetbaar. Maar mooi?”

EN DE LIEFDE

“En de liefde, Jef?”
“Later, Nikki.”

aloe-400x300
Afbeelding : Aloe Vera, via http://www.gardeningknowhow.com/houseplants/aloe-vera/aloe-vera-plant-care.htm

IS ER DAN NOG WATER?

“Ach Nikki, ik hoor niet thuis in deze tijden. Als ‘tijd’ een metselwerk is, kan ik dan in de voegen kruipen, en aan de andere kant van dat metselwerk terug naar buiten komen? Misschien kom ik zo in de negentiende eeuw? Sta ik dan tussen de arbeiders, aan de poort van een van de grijze fabrieken? Of misschien in de ijstijd? Is mijn ik dan levensvatbaar, Nikki, in die ijstijd? Of misschien kruip ik via de voegen naar de toekomst, die van 2552, bestaat onze aarde nog in het jaar 2552? Is er dan nog water, goede lucht, heeft de mens een oplossing gevonden voor de vervuiling? Hoe ziet onze planeet er uit in die verre toekomst, Nikki? Koel, koud? Gereinigd? Steriel? Bestaat ze dan nog, denk je?”
“Jef, je moet daar niet over nadenken. Tijd is geen metselwerk en je kunt niet langs de voegen reizen.”
“Weet je dat zeker, Nikki?”

Ik wist niet wat zeggen. Jef zweeg ook en dook achter de beschutting van zijn pijp. Hij vulde ze, liet ze in zijn hand op zijn schoot rusten en bleef naar haar kijken. Ik stond op maar Jef deed alsof hij dat niet merkte.

“Tot later, Jef,” zei ik, maar dat was zinloos. Jef was niet meer bij mij in de kamer.

EscherOmhoogOmlaag
Escher. ‘Omhoog, omlaag.’

ONVINDBAAR

Iedereen zoekt en roept, iedereen loopt het huis van Jef in en uit, ze kijken in zijn slaapkamer, ze kijken op de zolder, ze kijken bij de paarden maar zelfs daar is hij niet. Op den duur bellen de buren de politie. Ze moeten een dag of wat wachten en dan zal er een zoekactie opgestart worden. Ondertussen blijven de buren roepen en zoeken, niet veel later zoekt heel de gemeente, de zoekactie komt in de krant en Jefs foto op de televisie. Hij blijft onvindbaar.

Jef is niet ver. In de straat is er een leegstaand huis en van in de tuin ervan  kan Jef  de paarden zien, van in de woonkamer kan hij het heen en weer lopen van de buren, van de politiemensen en van de journalisten zien.

“Dit is beter,” denkt Jef.
Hij klopt zijn pijp uit en neemt zijn tabak.

OOIT EEN VROUW

“Nee, ik heb niemand. Ik had ooit een vrouw maar plots was ze weg, ze was niet van mij, niemand is van iemand.”
We zwegen.
Pulkte Jef in zijn neus? Ik deed alsof ik het niet gezien had.
Hij neuriede een of andere melodie en benadrukte het ritme met zijn handen.
“Hoe komt het dat je een vinger mankeert, Jef?”
Jef rechtte de vingers van zijn linkerhand.
“Een dom ongeluk,” zei hij. “Ik was aan het werk op een afgelegen boerderij. Geen dokter, geen telefoon. Ik brulde van de pijn. “
Weer een stilte.
“Tja, vrouwen,” zei Jef.
Een groep scholieren fietste vrolijk voorbij. De zon nestelde zich in de fleurige rokjes van de jonge studentes. Jef stopte zijn pijp.
“Ze was niet van mij, ze waren niet van mij, ze zijn niet van mij, ze zijn te vluchtig. Zelfs als ze in mijn woonkamer of tuin zitten, zelfs als ze het bed met me delen, ze zijn niet van mij en ze zullen dat nooit zijn.”

fietsen
Afbeelding via www.denmark.dk/en/

ROFFEL

“We hadden zo’n afdak, de regen kon daar een enorm lawaai op maken, dikke druppels als dikke trommels, je kon niet meer horen wat de andere zei.

Ik heb daar vaak gestaan, onder dat afdak.

Nee, het was geen veranda, daar hadden we geen geld voor. Ik nagelde wat balken aaneen, legde er zo’n laag geribbeld plastiek op en de regen veranderde voor altijd in dat overheersende geroffel.”

LISA II (LISA LISA)

Jef zegt:
“Nikki, we waren vijftien. Zo jong nog. Ze was erg mooi.

Ik heb haar huid een paar keer mogen aanraken, dat was nieuw voor mij, alles werd nieuw, de wereld veranderde naar een wereld waar veel meer knalgroen en zachtwit in voorkwamen.

Ik voelde ik voelde een waterval, denk ik. Een waterval van gevoelens, en die duurde enkele dagen.

Haar huid, Nikki, ze was zo zacht.

Ik liet me meeslepen door haar, door haar ogen, door de zachte welvingen onder haar blouse.

Ik raakte haar dij aan, haar linkerdij, door de stof van haar jurk, ik had nooit eerder een dij aangeraakt, ik geloof dat ik nooit meer zo verliefd geweest ben, zo hunkerend naar meer maar we hielden afstand.

We namen afscheid. Een paar aanrakingen, dat was alles. Ik zag haar niet meer terug.

Lisa, heette ze. Lisa.”