“En over de liefde, Jef.”
“Ja, Nikki. Daar moesten we het nog ’s over hebben. En over vriendschap. Weet je, ik vind dat ze dat van in de lagere school moeten onderwijzen. Een lesuur per week. Een leven lang les.”
“Wat, Jef?”
“Over liefde en vriendschap. Maar ook over haat. Over macht, over angst, over aandacht, over egoïsme en altruïsme en al hun soorten. Iedereen zou les moeten krijgen over al die dingen. Eeuwig.”
“Ja, en wat dan, Jef?”
“Dan zou de wereld anders zijn, denk ik. Dan zouden de mensen anders zijn. We zouden beter begrijpen. Misschien. Nee, in ieder geval. Maar bon, ik ben maar een gepensioneerde melkboer en niemand zal naar mijn raad luisteren. Ha.”
“Tja, Jef.”
“En over eenzaamheid, Nikki. Maar ook over verslavingen. Over dromen, ook.”
Jef neemt zijn pijp, rookt en kijkt naar de voorbijgangers.
Nikki staat op en gaat naar huis.
Tag: jef
VERDRIET
“Wat is er, Nikki? Waarom ben je verdrietig?”
“Om hem, Jef.”
“Jouw vriend?”
“Ja, Jef.”
“Waarom, Nikki?”
“Ach, Jef. Hij beloofde me het mooiste jaar van mijn leven, maar ik zag hem niet meer. Hij lijkt van de aardbodem verdwenen.”
“Misschien is hij ziek, Nikki?”
“Nee, Jef, hij is niet ziek. En ik weet dat hij thuis is.”
“Bel hem?”
“Nee, Jef, ik bel hem niet.”
“Ben je nu alleen, Nikki?”
“Ja, Jef. Alleen.”
“Maar je hebt mij hé Nikki?”
“Ja, Jef, ik heb jou.”
MAART
“We zaten op café en we dronken wat, hij een Duvel ik een pint en hij zei ‘Jef, ik wil uit het leven stappen’ en ik antwoordde dat diegenen die dat zeggen, dat die dat niet doen en eerst zweeg hij en bestudeerde hij zijn knieën en dan begon hij over iets anders, hij zei dat hij blij was dat het de laatste dagen goed weer was en dat hij het zonlicht gemist had, die donkere februarimaand had hem geen deugd gedaan, zei hij, maar maart bracht eindelijk het begin van de lente, ‘dat is goed voor mij en goed voor al de andere mensen,’ vond hij en natuurlijk had hij gelijk.
We dronken.
Hij nog een Duvel, ik nog een pint maar hij zei dat we dan maar eens moesten opstappen, hij wou een gebraden kip van het kippenkraam, de kippen van het grootwarenhuis waren niet zo lekker vond hij en met een grote kip had hij voldoende voor twee dagen, dat scheelde de rompslomp van het kiezen en kopen, ‘Marktdagen zijn goed, ik koop hier ook mijn groenten,’ zei hij, ‘Maar eerst toch nog een kop koffie, we zitten hier goed,’ zei hij.”
THE SKY IS THE LIMIT, ISN’T IT.
Het was een klein trekje met de linker neusvleugel, niks anders. Heeft iemand dat ooit bij hem gezien, denk je? Dat kleine trekje? De neusvleugel bewoog amper, zou hij het zelf ooit gevoeld hebben?
Ondertussen? Ondertussen keek Jef naar de stapstenen en naar het asfalt van de straat. Hij zag het begin van een mierenkolonie. Nikki vroeg wat hij deed en Jef zei: “Ik kijk.”
Ondertussen? Ondertussen staat de andere man op een hoek van een kruispunt. Hij draait in het rond en neemt alles wat hij ziet in zich op. The Lady in Red, een half zebrapad, een barst in een gevel, een nieuwe laag verf op een oude voordeur, een jong koppel, een auto met een lekke band, een vuilniswagen, een rokende vuilnisman, azalea’s, een lege visbokaal bij het afval, een file in een straat, een andere, lege straat, zes, nee zeven wegwijzers, een postbode op een scooter, de openstaande deur van een slagerij, een vrouw met een boodschappentas.
Ondertussen? Ondertussen staat de maan nog vol aan de heldere hemel. Het is een zeldzaam iets, is het niet?
Ondertussen? Ondertussen droomt zij van de watervallen van Iguassu. Ze herinnert zich het pad met de papegaaien alsof het niks was. Met de helikopter wou ze niet, zei ze. Het was veel te duur, natuurlijk, maar het uitzicht was ook zo al overweldigend, waarom moest het dan nog verbeterd worden? Kon het wel verbeterd worden?
Ondertussen? Ondertussen ergens een man op een fiets. Hij rijdt naar de lagere school. Hij moet zijn zoontje ophalen.
De neusvleugel bewoog amper.
Ondertussen een bron die flessenwater wordt. Het merk wordt geëxploiteerd, geëxporteerd, vermenigvuldigd, verbeterd, nog verbeterd, voort gecommercialiseerd voor de wereldwijde markt, men verandert het etiket, men vertaalt, men berekent de kosten en de winsten, de aandeelhouders, het management.
Ondertussen? Een kleine man, zo noemen ze hem, hij is vier, hij heeft een verfborstel en gebruikt bij voorkeur blauw en wit en op die leeftijd heeft hij al weet van de ijskristallen, hij houdt het hoofd schuin en schildert, even later stopt hij en zet hij het volume van de radio luider, hij luistert naar het weerbericht, het hoofd nu schuin in de andere richting.
Ondertussen? Ondertussen werd de mierenkolonie beter zichtbaar, ergens bouwen ze maar niemand weet waar.
Het was een klein trekje met de linker neusvleugel, niks anders. Heeft iemand dat kleine trekje ooit gezien, denk je?

Normandië, de verandering van het licht. oude foto van mezelf (herh.)
TERESA
‘Is Vic there?’, maar er is niemand. Jef neuriet de song. Waar was hij ook weer toen hij die de laatste keer hoorde?
‘Is Vic there, is Vic there’ neuriet Jef nog, maar verder geraakt hij niet. Hij ziet Nikki voorbijlopen, zou ze op bezoek komen?
Jef roffelt met zijn vingers op het tafelblad. Vic is not there en Nikki ook niet. Jef neemt zijn tabak en zijn pijp, loopt de keuken in en zoekt net zoals gisteren de lucifers, keert terug naar de sofa en duwt op de knop van de afstandsbediening. Hij kent de omroepster niet, ze is nieuw. ‘Teresa’, zegt het scherm.
“Dag Teresa,” zegt Jef.
GROOT EN LEEG
“En ik heb altijd hard gewerkt. Het was een grote ronde en ik had veel klanten. Ik laadde om zes uur ’s morgens en ik loste om acht uur ’s avonds. Ik was nooit voor negen uur thuis.
Zij?
Zij leek tevreden. Hield zich bezig. Poetste, ging winkelen, sprak af met haar moeder of met vriendinnen. Ze was altijd goedgezind als ik thuiskwam. Tot op een dag… het hele huis was leeg. Ze had een tafel, een stoel en een oude eenpersoonsmatras achtergelaten, meer niet. Het huis was groot en er was niemand. Groot en kaal. Groot en leeg. Koud.”
GEVECHT
“Ik vraag me af of de oceanen kunnen winnen.”
“Huh, Jef?”
“Of de oceanen kunnen winnen, Nikki?”
“Wat bedoel je Jef? Ik begrijp er niks van.”
“Of zij sterk genoeg zijn om de vervuiling te overwinnen, Nikki. De viezigheid in het water. De olie, het plastiek, al het andere?”
“Ik weet het niet, Jef.”
“Ik ook niet, Nikki. Ik hoop dat de oceanen winnen.”
WANKEL
“Jef, kom, er is een feestje in de parochiezaal,” zegt Nikki.
“Ik hou niet van feestjes, Nikki. Ik hou niet van de drukte. Ik blijf thuis.”
“Ja maar Jef, de buren zullen er ook zijn, je kunt bij ons zitten, we zijn toch vrienden? Kom, we maken het ons gezellig.”
“Ik wil die gezelligheid en vriendschap niet,” zegt Jef. “Zij is niet echt, zij bestaat niet.”
“Jef, je raaskalt.”
“Raaskal ik, Nikki?”
“Ja, Jef. Je hebt ongelijk. Vriendschap bestaat, en buren en vrienden en feestjes en gesprekken zijn belangrijk.”
“Ja, Nikki, dat is waar. Zij zijn belangrijk.”
“Kom je dan, Jef?”
“Nee Nikki, ik blijf thuis.”
EXPLOSIONS IN THE SKY
“Een luchtballon.”
“Wat, Jef?”
“Ik wil een luchtballon.”
“En wat wil je daar dan mee doen, Jef?”
“Domme vraag hé Nikki. Vliegen natuurlijk.”
“Ben je daar al niet wat oud voor, Jef?”
“Oud, Nikki? Ik?”
WATERLELIES
“Voilà, waterlelies.”
“Maar Jef, hier zijn toch geen waterlelies? Hier is niet eens een vijver.”
“Ha nee, Nikki, ze zijn er niet, maar toch zijn ze er wel. “
“Jef, je raaskalt.”
“Niks van Nikki, ik raaskal helemaal niet. Ik sluit mijn ogen en ik dénk waterlelies.”
“Ha ha, Jef. Wacht, ik probeer jouw waterlelies ook te zien. Te dénken, bedoel ik.”
“Goed idee, Nikki.”

Claude Monet. Afb. via Paul Webb


