2014 ONDER OF BOVEN

“Ik keek nog eens naar het journaal, Nikki, en ik zag maar liefst drie bommenleggers. Z-terroristen, alle drie. Ik noem hen zo. Ze vonden alle drie dat ze de levens van enkele andere mensen met zich mee moesten nemen. Ze konden toch gewoon wat beton of metaal de lucht inblazen, zonder andere levens te eisen? Een hele building? Zonder doden? Wat is dit voor een wereld, Nikki? Hij staat begot op zijn kop en hij laat de mensen rondtollen zodat ze niet meer weten waar onder of boven is. “
“Jef, je mag je dat zo niet aantrekken.”
“Vind je, Nikki? Ik vind dat ik me dat wel mag aantrekken. Anders word ik een koele kikker, hoor je me al kwaken, hoor je me al een concert geven, samen met al die andere kikkers?”

Ik wens iedereen een goed eindejaar en een gezond, veilig, mooi en fantastisch 2014 !
Eliane.

kikker
Afbeelding: Wikipedia.

DRIE

“Een wolk. Twee wolken. Drie. Ik herken een olifant, ik herken een dinosaurus.”
“Jef, ben je oké?”
“Ja hoor Nikki. Ik kijk naar de lucht en ik herken.”
“O.”
“Nikki, de mensen zijn vergeten dat de wolken figuren en landschappen zijn.”
“Ja, Jef, dat is waar.”
“Kijk, een echte egel.”
“Een wolkenegel hé Jef.”
“Ja. En daar, een opening naar een andere aarde.”
“Hahaha, Jef. Er zijn geen andere aardes.”
“Nee Nikki, dat is waar. Alhoewel. Maar het is een opening.”
“Een wolkendeur, Jef.”
“Yep, een wolkendeur.”

TWEE KEER TWEE aka DE DOLFIJN LAS EEN VERHAAL VAN EDGAR ALLAN POE

In : De Grote Bibliotheek, Kamer 6466, Rij 48, Hoogte 2, Vak 17

Ik vond de tekst in 2003. In een begeleidende notitie stond dat hij, nadat hij gevonden werd, nog tien jaar ongepubliceerd moest blijven en dat heb ik gerespecteerd. Gedurende die tien jaar heb ik wél geprobeerd om de schrijver te vinden. Dat is niet gelukt.

De Grote Bibliotheek werd een eeuw geleden ontdekt door Professor Macharis. Zij bevat al de teksten, gedichten, verhalen en boeken van al de schrijvers. Sommige teksten blijven verborgen, andere niet.

In de jaren zestig, zeventig en tachtig onderzocht De Raad van Bijzondere & Wijze Professoren (DRBWP) of de verborgen teksten gerangschikt stonden volgens de maanstanden vanaf het ontstaan van De Grote Bibliotheek. Die idee werd gedurende meer dan dertig jaar gehandhaafd maar bleek verkeerd.

Gedurende de laatste twee jaar heeft men geprobeerd om de bibliotheek met behulp van ingenieuze software uit te pluizen en volautomatisch alle geheime teksten te vinden. Tevergeefs.


TWEE KEER TWEE aka DE DOLFIJN LAS EEN VERHAAL VAN EDGAR ALLAN POE

Twee honden, twee katten
twee biggen, twee muizen
twee leeuwen, twee kreeften,
twee arenden.
Twee olifanten, twee vleermuizen,
twee apen, twee nijlpaarden,
twee slangen, twee ratten,
twee pinguïns, twee vliegen,
een mug.
Drie mussen, een vlinder,
een roodborst, een witte muis,
twee goudvissen, twee paarden,
twee roggen, twee vuurvliegen,
twee bijen, twee kippen,
twee ezels, twee boerenpaarden in de stallen van de artisanale brouwerij in de naburige gemeente.

Zei de aap tegen de vlieg dat het mooi weer was.
De vlieg geeuwde.
Vroeg de aap of de informatie slaapverwekkend was.
Zei de vlieg dat zij niet wist wat dat betekende.
Zei de aap dat hij het aan de berken en de wilgen zou vragen.
De vlieg geeuwde.
De aap verhuisde.
Een boom, een andere boom, een grotere boom, drie bomen, een oerwoud.
Drie slangen in vergadering.
Twee nijlpaarden in het offensief.
Een krokodil, eenzaam en op haar hoede.
De slangen lieten zich aaien en luisterden naar een bijbelverhaal.
De ezels hielden het boek vast.
Ze balkten van vreugde en herhaalden, herhaalden.
De leeuw sprong van zijn voetstuk.
De leeuwin keek toe en vertrok – ze zocht haar welpen.
Een rat vond het een belevenis. Ze kocht een tweede bioscoopkaartje en liep in een cirkel rond het vergif.
Een rog verkende een nieuwe oceaan. Hij kwam een inktvis tegen, en een paard onder water, en een walvis, en een dolfijn met een groot boek op zijn rug, een boek met verhalen van Edgar Allan Poe, met illustraties.
Zei de aap tegen een andere vlieg dat het mooi weer was.
De vlieg beaamde maar had dorst.
Zei de aap dat er verderop een groot meer was.
Zei de vlieg: “Kom, we gaan op stap.”
Ergens een meer, ergens kinderen op de oevers, zij verkenden de vuilnisbelt van de grote, westerse  mens, hun handen en onderarmen waren zonder huid.
Zei de westerse mens dat dat geen kwaad kon.
Zei de westerse mens dat de schilfers normaal zijn.

De aap, hij krabde, slingerde en at noten.
De leeuw, hij vond een nieuw voetstuk.
Het nijlpaard ging op reis.
De vlieg vloog.
De bij vloog, zocht een bloem en vond een veld.
De duizendpoot, de mier, de kolonie, de stam van de esdoorn vlakbij het pad vlakbij de Amblève niet ver van Remouchamps niet ver van Luik.
Zei de vleermuis iets over het licht.
De mus zat op haar draad, de merel volgde haar, ze hadden een gesprek over het ongeluk op de autostrade.
De walvis vond een ander continent, hij spoelde bijna aan maar bedacht zich.
De dolfijn las Poe. Hij kon praten en vertelde ons een van de verhalen.

The Raven Edmund Dulac
The Raven (Poe), illustratie van Edmund Dulac, via Poul Webb

GOUD, GOUD, BLAUW, BLAUW

“Die ochtend waren de berken van goud. De takken en de stammen bedoel ik. Het viel zo op omdat de zon net op volle kracht scheen, en omdat de kleur van de lucht van het goede blauw was. Goud, goud, blauw, blauw… Een mens zou er vrolijk van worden.”
“Jef, wanneer was dat?”
“Een paar ochtenden geleden, Nikki.”
“En vandaag, Jef?”
“Dat weet ik niet, Nikki. Ik heb niet gekeken.”
berken
zicht op de berken in de Brusselsestraat en de Polderstraat, Londerzeel, 20 december ’13.

HIJ ZOU

Wat zou hij gezegd hebben? Zou hij het goed gevonden hebben? Of zou hij gezegd hebben “Het is halfzeven, doe het licht uit, sluit de deuren, neem de jeep en rijd naar zee?” Of eerder “Dit moet klaar, ik wil het uitzoeken, vandaag, alleen vandaag, ik blijf nog wat, ik maak het af, zodat   ”
Hij zou het goed gevonden hebben.
Hij zou gelachen hebben met zijn oude slapen op de sofa, de deur nog los, een eerder leven.
Hij zou de kinderen nog op en neer en op en neer en lachen deden zij, en hij.
Hij zou zo veel

MONET ETRETAT
Claude Monet, Etretat : la plage et la porte d’Amont, 1883

WITTER DAN WIT


In die tijd was het vooral ‘Dash wast witter dan wit’ en de mensen stonden paf van zo veel kunnen; de televisie, het waspoeder, de rijzende  sterren op de dansvloer van de publiciteitspots.

Waspoeder en zeep en parfum en tefalpannen.

Elders en in een andere eeuw schreef Chopin een muziekstuk.

Als je wat schuift met de tijd en met een wereldkaart, dan vallen het ene en het andere helemaal samen – leg Chopins Berceuse maar naast Jan Thijs, en ja zij zitten allebei in veel geheugens, de piano van Chopin en de glimlach van Thijs.

Hoe wordt zijn naam geschreven?

In alweer een andere eeuw tokkelen we vrolijk op toetsenborden en zijn we, tokkelend, altijd gehaast, terwijl de zee rustig de zee blijft en de Berceuse de Berceuse.

Maar de zee blijft niet zee. De oceaan geen oceaan. De lucht geen lucht.

Als er een god zou bestaan, dan zou ik nu eens luid naar hem roepen en hem commanderen dat hij met Dash alle rommel moet wassen, witter dan wit.

Blijven: de borderbloemen. Zij zijn wit en klein en kunnen perfect dienen als grashalmen, we klampen ons er aan vast, we wiegen mee en we krijgen het uitzicht van de Normandische kust, gratis, voor niks, begot, behalve de overnachting en het eten natuurlijk, en de benzine en de péage.

normandy
Foto door mezelf. In de buurt van de vuurtoren.

fijn stof
Foto De Standaard.

2014 MET EEN KAARTJE – OP EEN DIENBLAD – GELARDEERD MET CALIMERO EN MET EEN SCHEUT ROOD VAN BEUKENHAGEN

Aan iedereen die dit leest, maar ook aan alle anderen; fijne eindejaarsfeesten.
Ik hoop dat 2014 een mooi jaar zal zijn. Ik hoop dat fabrieken en multinationals een planeet-vriendelijk beleid zullen voeren, ik hoop dat wetenschappers een oplossing vinden voor de opwarming van de aarde en voor de vervuiling van de oceanen. Ik hoop dat er geen oorlogen en vluchtelingen meer zullen zijn. Ik hoop dat er redding komt voor onderdrukte kinderen, vrouwen en mannen, overal ter wereld. Ik hoop dat iedereen die op macht en bezit geilt, of er aan verslaafd is, anders leert denken, anders leert zijn.

CALIMERO(afbeelding via google)

.Vroeger deed ik dat; de trap nemen met twee treden tegelijkertijd. Sneller kon niet.
.Hier zitten geen woorden in de lucht, alleen maar in de boeken en in het papier.
.Ergens: een piano. Hij klinkt modern, hij klinkt niet modern, hij klinkt modern.
.Er werd een gitaar geveild. Hoeveel zei u?
.Ik ken de grenzen niet. Zijn er grenzen? Is er een België, een Frankrijk, een Nepal?
.Vlees op de vensterbank. Naakt vlees, wit vlees, rood vlees.
.Het is een marge. Een rode verticale lijn. 3 cm links, de rest rechts.
.Auto’s? Auto’s. Over zeven jaar komt er een nieuwe tramlijn. Ondertussen: meer en meer scooters, ook als het regent.
.Nog geen sneeuw. Volgende week?
.Calimero. Calimero was Italiaans! “Want zij zijn groot,” zei hij. Wist Calimero van de epidemieën van de fabrieken?
.Ergens: een trage piano. Hij versnelt. Regendruppels op dezelfde vensterbank in Kathmandu, Nepal.
.Duizend witte rozen, ergens een bruiloft, elders een geboorte, het is een meisje, het is een jongen.
.Het verkeer! De autobus naar Brussel! De chauffeur!
.De ligfiets.
.De bàkfiets.
.Hup hup getokkel zonder tekst, de melodie volgt de woorden, overal ballonnen, sommige hebben de vorm van een tekenfilmfiguur, een Flintstone, een herhaling, iets anders, een hoe heet hij ook weer? Een Bernie? Een Ernie?
.Weer een herhaling!
.Witte borderbloemen; laat ze blijven. Wied het onkruid, zeg tegen de fabriek dat ze dertig centimeter over moet houden, over de ganse lengte, zeg haar dat ze aan de rand van het dorp en over de hele breedte en andere lengte een bos moet aanplanten, eiken, beuken, platanen, esdoorns, beukenhagen met de kleur van ieder rood, mussen, merels, eekhoorns.
.Het plastiek.
.De millimeters in de zeevogels.
.Een oliewaas. Van dichtbij is zij de lelijkste brij. Het water stikt.
Zeg tegen de fabrieken dat de woestijnen blijven en dat de meren en rivieren van mij zijn, zeg tegen de fabrieken dat tuinen absoluut moeten, hectaren en hectaren en appelbomen en kersen.
.De piano versnelt.
.We zien Chaplin, hij loopt over het scherm, hij wist het, hij deed het, hij vertelde en vertelde maar slechts een twintigste heeft geluisterd, heeft gezien en herkend, die kleine man op het scherm, zwart wit zwart wit.

ECHT

Jef heeft nu een pc en hij doet iets en dat ding zegt ‘klik klik’ en Jef vraagt “Wat is dat allemaal?” en hij doet nog iets en nog meer klik en Jef snapt er niks van.
Hij zegt ik ben oud en ik hou meer van de mensen buiten en van mijn paarden natuurlijk en van de papegaai  ook.
Hij kijkt nog eens naar dat scherm en probeert met zijn vinger en nog eens maar hij snapt het niet en vraagt het aan Nikki en Nikki lacht en toont hem een en ander op die pc en Jef zucht.
Hij zegt “Dat is echt niks voor mij en is het waar dat al die miljoenen mensen iedere dag, ieder uur?” en Nikki knikt “ja”.
“Echt?” vraagt Jef.
“Heel echt,” antwoordt Nikki.

Edvard-Munch Man-with-Horse

Afbeelding: Edvard Munch, Man with horse.

EN OMGEKEERD

“Ik ook niet hoor Nikki, ik ken ook niks van mythologie. Iets met goden, dat weet ik. Ze zijn sterk en kunnen vanalles, verdwijnen of in brand vliegen of zo groot als een reus zijn of zelfs zo groot als de wereld en toveren, ze kunnen toveren, ze kunnen van bergen zee maken en van engelen monsters, en omgekeerd.”

Shade and Darkness - the Evening of the Deluge exhibited 1843 by Joseph Mallord William Turner 1775-1851
Afbeelding: William Turner, Shade and Darkness. Bron: Tate.

DE CAMERA BEWAAKT

Een oude vriend van me had enorm veel boeken. Telkens ik hem opzocht, overviel me de geur van al dat papier, zijn huis was er van doordrongen en ik vond het een fijne gewaarwording, plus het uitzicht op al die ruggen met miljoenen woorden achter zich, rijkdommen, verhalen, belevenissen.
Zelf las ik bijna nooit een boek en hij heeft een paar keer geprobeerd om me een leesgenoot te maken, maar dan antwoordde ik telkens dat ik veel liever naar de mensen keek, zij zijn duizenden verhalen op zich en die verhalen volstaan voor een eenvoudige man als ik. Daar moest hij dan mee lachen, en hij zei dat ik waarschijnlijk gelijk had, maar dat Dostojevski, bijvoorbeeld, mijn plezier alleen maar groter zou maken – de details van de beschrijvingen van de aard van de mens, zei hij.
Hij rookte de pijp, net als ik, maar hij deed dat nooit tussen zijn boeken, hij wou niet dat zijn boeken naar sigaren stonken, zei hij.
Hij overleed een jaar of tien geleden en ik heb geen idee wat er met zijn boeken of met zijn huis gebeurd is, hij had geen kinderen, was nooit getrouwd geweest tenzij met zijn boeken en met zijn werk – hij gaf les, ook bij hem thuis, ‘de jeugd met de literatuur laten kennismaken’, zei hij, ‘de kracht van de verhalen, de rijkdom van de beschrijvingen, het goud van de literatuur.’ Voor veel van zijn studenten maakte hij lijsten ‘op maat’, dat waren ‘te lezen lijsten’, met telkens een titel of twintig, de rest moesten ze dan maar zelf uitdokteren, zei hij, en ze moesten zelf beslissen of ze na het afwerken van hun lijst zouden blijven lezen, of niet. Hij hoopte om hen zo een duw in de goede richting te geven, om hen verschillende meningen en standpunten te doen begrijpen en, misschien vooral, om hen beter te leren kijken en open te staan voor alle kleuren die de mensen kunnen hebben; zwart, geel, zelfs oker en donkergroen, zei hij grinnikend, en hij sloeg dan met zijn vuist op tafel omdat hij vond dat hij moest benadrukken dat de mensen alle kleuren van veel meer dan de regenboog konden en mochten hebben.

Hij las me eens een stuk voor uit een van zijn Dostojevskiboeken. Hij zei dat ik goed naar de beschrijvingen moest luisteren, maar ik kon me niet concentreren, de stem van mijn vriend was geen goede voorleesstem en haperde hier en daar. Ik lette dan ook meer op het kraken van zijn stembanden dan op de tekst maar ik hoorde zijn lach doorklinken:
‘En wederom verstomde hij en klemde de handen in elkaar, en andermaal dook Doenetsjka’s gestalte voor hem op; hij zag, hoe zij na een eerste schot de revolver liet zakken, hem met een doodsbleek gezicht aankeek, zodat hij haar twee keer had kunnen beetpakken zonder dat ze gelegenheid zou hebben gehad haar hand op te heffen om hem af te weren, ’
Als mijn vriend merkte dat ik niet goed luisterde, berispte hij me, en zei hij dat ik veel miste door niet te luisteren, of door zelf niet te lezen, en ik herhaalde dan dat de mensen zelf voor mij de enige en echt te lezen boeken waren, en dat ik de bewegingen en de gesprekken zag en hoorde in hun lichaamstaal en in hun woorden, in levenden lijve, pochte ik. Ik vertelde dan over de voorbij fietsende kinderen, of dat ik had gezien dat ze de krantenwinkel overspoelden en een aan de jeugd voorbehouden plezier beleefden aan het kiezen van snoep, en dat ze onderling stonden te overleggen wat ze zouden kopen, terwijl de mevrouw van de winkel hen met 1 oog in de gaten hield want er zitten af en toe dieven tussen, beweerde ze. De vrouw had kanker en ook haar zoon was ziek, soms was de winkel wekenlang gesloten en bovendien hadden ze hem eens overvallen, op een zaterdag rond half zes ’s avonds, nu sloot ze altijd al om vijf uur, zo vroeg op de avond waren er nog geen overvallers op pad en dan zouden ze haar met rust laten, hoopte ze. Ze kreeg een camera van de gemeente, die hangt ook nu nog aan de overkant van de straat en bewaakt de winkeldeur.
Als ik zo aan het vertellen sloeg dan klapte mijn vriend zijn boek dicht en luisterde hij naar wat ik vertelde. “Je hebt geen ongelijk,” zei hij dan weer.

Citaat: Dostojevski, Schuld en Boete, deel II, zesde deel, [6]