5.
Zegt de ene vogel tegen de andere
de mensen vergeten hun hoofd
FILE ZEGT DE ENE
4.
Zegt de ene vogel tegen de andere
de mensen staan in de file
Foto van Helen Levitt, 1982
Bron foto: http://www.rxart.net/artists/helen–levitt
NIET ZEGT DE ENE
TE ZEGT DE ENE

2.
Zegt de ene vogel tegen de andere
de mensen werken te veel
afb: still uit The Trial van Orson Welles
GEK ZEGT DE ENE

1.
Zegt de ene vogel tegen de andere
de mensen zijn een beetje gek
Foto via Asia Times Online
VOEG WAT BLAUW TOE

Ik zoek een twintigtal foto’s van horizonten/water/natuur/zee/brede, al dan niet industriële omgevingen/vogels/mensen in de verte/oa
om evenveel korte teksten te begeleiden.
‘Voeg wat blauw toe’ (Letterlijk. Ik bedoel aan de foto’s.)
Blogpublicatie met naamvermelding, vanzelfsprekend.
Dit is geen wedstrijd en er zijn geen prijzen aan verbonden. Min 1 en max vijf foto’s pp.
Voor foto’s of voor meer info: mailen naar : elianedebleser@gmail.com
SCHOONHEID
en de liefde, de liefde
want drie kinderen op het dorpsplein
want een jongen met een skateboard
want een jonge vrouw op haar fiets
en de kleuren van de herfst
en een sneeuwtapijt
en het ochtendlicht
en het blauwe van de oceaan
wat later, een school vissen
wat later, een luchtballon
wat later, een regenboog
ergens een wandeling door het bos
ergens kinderen met windvliegers
ergens oleanders met vijf kleuren
elders een imposante waterval. We vliegen er vlakbij.
elders drie even imposante papegaaien
elders de kleinste witte borderbloemen
soms de geur van vers gemaaid gras
soms de glimlach van een baby
soms zijn handje
ergens een jongen aan de rand van het zwembad. Zijn voeten bungelen in het water. Hij kijkt naar zijn vrienden in het water, staat plots op, duikt het zwembad in en blijft even onder. Als een pijl schiet hij terug uit het water, met al zijn kracht, zo hoog als hij kan. De anderen zwemmen vlug naar de kant, klimmen uit het zwembad en doen het hem na. Het is een nieuw spel en ze spelen het gedurende meer dan een uur.
want een gloeiende horizon
want een eend met haar kleintjes
want een paddenpad
want vogelnesten
en een klas zingende kinderen
en dezelfde klas met hun pas geleerde letters en woorden
want een kop goede koffie
want de violen van Beethoven
want het blauwe van Van Gogh
want een tekening
en de kracht van wat leeft
TIM VAN DE DREEF
Tim is zesendertig.
Hij woont bij zijn ouders.
Hij huurt er een kamer.
Hij heeft geen toegang tot de rest van het huis, behalve tot de badkamer en keuken, maar dan enkel op vaste tijden. De rest van het huis is verboden terrein.
Zijn moeder zet zijn eten klaar. Hij warmt het zelf op.
Hij moet de huur op tijd betalen of hij vliegt buiten.
Hij moet de stilte in huis bewaren.
Zijn ouders controleren iedere dag zijn kamer. Ze kijken zelfs onder de matras en onder het tapijt. Ze kijken in iedere lade en hoek. De kamer mag nooit slotvast.
Tim heeft zijn eigen auto. Het is een mooie sedan. Sinds gisteren is er een grote deuk in de rechterdeur. Dat kwam door de drugs. Een dealer deed dat.
Tim is zesendertig en een paar maanden geleden vond hij nog eens een job. Hij houdt de job. Hij rijdt rond voor zijn baas. Hij levert melk en water voor zijn baas. Een keer per week steelt hij diesel uit de bestelwagen van zijn baas. Een keer per week steelt hij diesel uit een van de vrachtwagens op de parking van zijn baas. Tim weet exact hoe hij zich onzichtbaar moet opstellen. Tim weet exact hoe hij de pomp moet gebruiken. De baas vermoedt helemaal niets.
Ook de pomp is gestolen, maar niet echt. Hij leende ze van de vader van een vriendin en hij bracht ze nog niet terug.
Hij probeerde zo ook drie grote potten tabak uit de supermarkt te lenen. Een een paar flessen vodka. Hij werd al twee keer op heterdaad betrapt. De tweede keer deed het personeel alle deuren slotvast zodat Tim niet weg kon. Er werd luid gegild, dat er een dief in huis was. Tim holde van hier naar daar, zette de supermarkt op haar kop en werd daarna geboeid en weggebracht.
Dat van de supermarkt is een tijd geleden.
Nu is Tim slimmer en steelt hij uitsluitend diesel. Of neemt hij iets weg bij zijn klanten. Of zet hij mensen onder druk en eist hij geld. Hij geeft het zelden terug. Zijn vrienden weten dat en mijden hem. Zijn vrienden zijn zijn vrienden niet meer.
“Hij houdt zich gedeisd. Sinds een paar jaar werd er niets meer aan zijn dossier toegevoegd.”
“Maar vroeger was het redelijk zwaar,” zegt de agent. “Diefstal. Geweld. Drugs.”
Tim is zesendertig. Hij ontwikkelde camouflagetechnieken en verbeterde die. Hij kan mooi praten. Hij doet zijn best en is beleefd als het moet. Hij houdt dat masker vast met beide handen maar hij beeft.
We zien zijn voetafdrukken. We zien zijn beven en we zien zijn stuiptrekkende armen en handen. Onder zijn laagje make-up zien we zijn bleekheid. In zijn ogen zien we, zien we wat?
We zien dat ene in zijn ogen en we jagen hem weg. Hij dreigt en beeft, hij heeft zijn stuiptrekkingen. Hij zegt dat hij de politie zal bellen. Hij steekt zijn vuist op en dreigt nog meer. Hij hoort een sirene. Tims auto staat om de hoek. Tim start en vertrekt. Hij houdt het masker bevend vast en kijkt niet om.
TIM- DERTIG JAAR LATER.
Tim is nu zesenzestig.
Twintig jaar geleden hebben zijn ouders hem uit hun huis gezet.
Sindsdien leeft Tim op straat. Hij slaapt op karton. Hij eet wat hij vindt of krijgt. Hij steelt wat hij kan stelen. Hij bedelt en is nog altijd verslaafd.
Waar hij het meeste bang voor was is nu waarheid geworden: Tim is alleen. Hij heeft geen vrouw aan zijn zijde. Hij kan haar geen verhalen of gedachten vertellen. Hij vindt geen troost bij haar. Hij leeft dit leven alleen, op en onder zijn karton. Hij heeft niks meer en vraagt zich af hoe lang de dood nog op zich zal laten wachten.
Tim heeft het koud. Tim beeft en hij houdt krampachtig het masker vast. Soms valt het en breekt het in tientallen stukjes. Dan lijmt hij het, en houdt hij het opnieuw vast.
ZIJ FLUITEN NIET MEER
Het is winter maar de vogels hebben daar lak aan. Ze fluiten en zingen dat het een lieve lust is, ze hoppen van tak naar tak en beginnen straks aan hun nesten.
Ergens huilt een kind. Zijn vader en moeder werden opgeblazen.
Het is winter maar er loopt een jonge vrouw op het voetpad, ze is in korte mouwen en draagt een fleurig rokje. “Het is feest,” zegt ze.
Ergens huilt een moeder. Haar kind werd doodgeboren. Het ligt nog bij haar. Er was niemand, er is niemand. Ze hoort het leven buiten haar tent. Ze wou dat zij zelf elders geboren was.
Ze spreken over sneeuw, maar de bloesem zal niet lang meer op zich laten wachten.
Ergens heeft een kind geen speelgoed. Datzelfde kind heeft geen ouders, geen broers of zussen, geen ooms en tantes. Het kind heeft niemand en zit op een hoop stenen. Het meet de horizon.
Het is winter maar de vogels hebben daar lak aan. Ze fluiten en zingen dat het een lieve lust is, ze hoppen van tak naar tak en beginnen straks aan hun nesten.
Ergens zit een vrouw, alleen. Ze overdenkt haar leven. De kinderen zijn het huis uit, haar man is overleden. Ze beseft dat ze niet mag klagen.
Elders zit een jonge man in de gevangenis. Hij heeft niks misdaan. Hij wacht geduldig maar huilt. Hij ziet het licht van de lente maar kan het niet aanraken.
Hier en daar doet een rijkaard een grote daad. Zo kunnen honderd dakloze kinderen naar school. Zo krijgen zij, in de wintermaanden, een onderkomen. Zo kregen zij een dikke trui en een paar schoenen.
Hier en daar ligt iemand, uitgemergeld. De anderen lopen over hem of haar heen. Diezelfde anderen zien hem of haar niet eens liggen – ze zijn het gewoon.
Hier en daar huilt een kind.
Hier en daar is er meer dan we ooit zullen weten, dan we ooit zullen willen zien.
Het is winter maar de vogels hebben daar lak aan, tot een van de vogels niet meer kan vliegen. Hij is ziek, zegt de vogeldokter. Zware metalen hebben zijn vleugels aangetast en nee, hij zal nooit meer kunnen vliegen.
Hier en daar wordt het groene nooit meer groen.
Hier en daar wordt de lucht nooit meer lucht en kan de bevolking niet ademen zoals het hoort. De mensen dragen maskers, maar het is te laat – hun longen zijn eeuwig ziek.
Hier en daar is het ijs voorgoed zwart en de zee voorgoed olie.
Het is winter maar de vogels hebben daar lak aan, behalve die ene met de vleugels vol zware metalen, en nog een andere, en nog een andere. Zij zitten of liggen waar ze zitten of liggen. Zij fluiten niet meer.
ANNICK – ON A ROAD
Mijn vriend zegt dat het mijn schuld is en dat ik maar geen mannenberoep had moeten kiezen. Ik zeg dat dat niet waar is, dat ik er zo maar ingerold ben en dat ik dit toevallig beter kan dan veel van mijn mannelijke collega’s. Véle beter. Ik geef ze op hun donder en verzet op korte tijd meer werk dan zij ooit zullen doen.
“Het is niet mijn schuld dat hun ego’s dat niet verdragen,” zeg ik.
“Doe iets dat geschikt is voor vrouwen,” zegt hij.
“Ja, ik ben bezig,” zeg ik.
Hij kijkt me niet-begrijpend aan.
“En nu wil ik eerst met een vrachtwagen leren rijden,” zeg ik.
Hij begrijpt me nog minder.




