ANNIE EN STEFAAN (MM-VARIANT)

Stefaan, wat doen die mensen?
Die mensen leuken een prent, Annie.
Een prent leuken, Stefaan? Wat is dat?
Dat wil zeggen dat ze een prent op facebook leuk vinden, Annie.
Facebook, Stefaan? Wat is facebook?
Facebook is iets op het internet, Annie.
Het internet, Stefaan, wat is dat?
Weet je dat niet, Annie?
Nee, Stefaan, dat weet ik niet.
Heb jij dan geen computer?
Nee Stefaan.
Hoe lees jij de krant dan, Annie?
Huh? De krant? Ik koop een krant en ik lees die, Stefaan.

dd. 11/4/2013

Advertenties

ARCHITECTENPEN

Ze zeggen: ‘Het is een halte in het leven’ dus wat doet Arthur? Arthur neemt zijn architectenpen en tekent wat lavendelvelden en witteborderbloemenperken en zet ze naast de halte.

De autobus stopt.
Arthur ziet het gebeuren; dat een man en een vrouw eerst net geen ruzie hebben en dan wel en dat ze in de autobus stappen en de man moet betalen nee de vrouw.
Arthur ziet ook dat een andere vrouw haar kind amper kan dragen, het kind is te zwaar en de vrouw te mager.
Arthur bekijkt de chauffeur. De chauffeur is een vrouw. In haar glazen hokje rookt ze stiekem een kleine sigaar. Ze denkt dat niemand haar ziet.

Arthur neemt zijn pen en tekent het zestiende flatgebouw, het staat net achter het eerste lavendelveld en hij voorziet dat zestiende flatgebouw van een lift met graffiti. Hij gebruikt heldere kleuren. De lift zoeft zacht, niet enkel van beneden naar boven maar ook van boven naar beneden en van links naar rechts en terug, natuurlijk – zij is een kruising van een lift en van een roltapijt zoals je die enkel in de luchthaven van Brussel Nationaal (is de naam) en ergens in Parijs in de ondergrondse metrogangen kunt vinden.

Arthur rust.
Het is best vermoeiend! Dat tekenen van witte borderbloemenperken en nog niet uitgevonden liften!

Hij tikt met zijn pen tegen zijn glas, alsof alle inspiratie uit het getik voortkomt. Het tikken wordt een lied, het lied een gedicht, het gedicht wordt een gemeenschappelijke muur in het zestiende flatgebouw – kijkt u maar goed rond in de hall van de vierde verdieping, de gemeenschappelijke muur vindt u net om de hoek, in zaal twee en die zaal is veel groter dan u ooit zal weten.

Zo waar als ik leef; dit is waar.
Arthur kan het beamen.
Hij niest.
Hij vangt mijn blik.
‘Catch!’ Had ik geroepen, maar dan in het Frans, zodat iedereen het kon horen, luider, luider.

Arthur luistert nog eens naar de mensen die zeggen: ‘het is een halte in het leven’ en hij borduurt er nog een bloemenperk bij, met zijn architectenpen en met zijn inkt van zijde. Wit, groen, wat rododendronrood en een kleine bokaal voor nieuwe enten zoals hij die indertijd gezien heeft op de velden van de bloemenkwekerij, toen hij daar iedere ochtend om vijf uur moest zijn om op zijn knieën iets te doen met de enten, hij weet niet meer wat, hij was nog jong, te jong en de ochtend was nog niet – een onmenselijk uur, hoe had hij kunnen onthouden wat hij later met de enten zou moeten doen?

Maar hij neemt zijn pen, Arthur, de De ArchitEctenPen en hij doopt haar in de zijden inkt, laat haar reizen naar China en verder, laat hem Shangri La’s ontdekken, hij is voorwaar een echte Columbus, onze Arthur, daar aan die halte.

([sic] maal vijfendertig)

dd 11/4/2013

DE RODE NEE DE BLAUWE

en het zijn mannen en vrouwen en zij zeggen we moeten een huis en een tuin en een keuken en goede meubels
en zij werken zich te pletter en zij luisteren met een half oor naar de radio en naar de ministers
en zij maken zich kwaad maar de job roept en in de verte horen zij de ministeriële besluiten
en dan keert hun maag en zij voelen de rommel van een te veel en een even groot te weinig, maar waar?

De knoop bevindt zich ter hoogte van de navel.
Ze kijken en voelen maar zien niks.
“Geen knoop,” besluiten ze, en ze werken en werken en staan ’s ochtends vroeg op en staan in de file en rijden stapvoets, over de heerlijke autostrade en in de zonovergoten ochtendfile en ze luisteren naar de radio en nog en ze luisteren naar een samenvatting van de hoogst interessante feiten van de vorige dag, een bom in een hoek van een onbekende kamer, de doden in een ver land, ze horen ze niet want ze moeten vanavond de boodschappen en het eten, het komt goed want de supermarkt is tot acht uur open en de barst in het aanrecht hoe moet die hersteld worden en de molshopen in de tuin en de riolering van de buur en zijn onwrikbare bout zou hij die losgekregen hebben?
En het dossier van eergisteren is nog altijd zoek en hun rode pen nee hun blauwe en de nieuwe pc en de muzieklijsten in de mist en geen dit meer maar wel dat en och och de dochter van de koffiedame maar de koffiedame is verdwenen, er staat nu een moderne machine met vijfendertig soorten en het is nog niet genoeg, genoeg muntstukken voor vijf koppen koffie en een wolk melk in poeder maar niemand die het ziet en de machine blokkeert en de technieker komt langs maar hij laat op zich wachten hij zag een mooie dame in een auto in de parking onder het gebouw en hij leunde tegen de deur en ze praatten, praatten, zeker een uur over de lichtmetalen velgen en ondertussen is de koffiedame onbestaand en is de moderne machine defect en al die soorten koffie en de vele wolken melk – onbereikbaar.

dd 28/3/2013

STIL

zoals die dikke meneer.
Weet je wat me verwonderde? Zijn stem. Ze was zo helemaal anders dan zijn lichaam; bijna onhoorbaar, ze bevatte dat volumineuze van de ettelijke kilo’s niet. Ik moest hem vragen om te herhalen wat hij gezegd had.
Het geheel deed me stilstaan bij de ruimte die zijn opvallende lichaam innam, en bij die andere ruimte, die van zijn stem, die helemaal geen plaats opeiste of wou opeisen. Het was een vreemde tegenstelling die me vandaag, drie dagen later, nog altijd voor de geest staat.
Hij kocht een klein flesje remolie.
Ik zei dat remolie bijtend is.
Hij knikte. Gebruikte zijn stem zelfs niet. Een niet-innemen van de gehoorruimte, maar het was meer dan dat, het was, door zijn stilte en zachtheid, een niet-innemen van ettelijke kubieke centimeters of zelfs meters die anders door een (eventueel) luid stemgeluid ingenomen zouden worden.
Daarna zag ik hem in zijn auto stappen. ‘Wurmen’ is een beter woord. In zijn eentje vulde hij de kleine auto.

DD 12/3/2013

BUITEN

en om u daar zo in te steken en te blijven, blijven, en te weten dat ge u geen zorgen moet maken, dat er altijd voldoende lucht zal zijn – en blauw.
en laat de gedachtegangen aan eventuele blauwe maandagen maar varen want die zijn buiten de kwestie, het gaat uitsluitend over ademlucht en noem haar vooral geen ‘zuurstof’ want dan moet ge de les beter lezen en herhàlen en herhàlen tot ge alles goed beet hebt.
dus blijf, en zie die enorme kosmos en weet dat ge van hier naar ginder kunt zweven en dat ge de grenzen kunt zien in hun onbestaan en vlieg dan voort en voort en weet dat ge een van de weinigen –
Gebruik die kracht en dan zou ik bijna zeggen ‘my lord’ maar dat weiger ik en ik verslik me bijna en ik begin zelfs te proesten, beweer ik, maar geloof daar maar niks van want ik ben de ernst zelve.

dd 19/2/2013

BOEG

Een andere boeg? Welke boeg? Die van de dagelijkse bezigheden? Of die van de donkere regenwolken? Of schijnt ondertussen de zon?
Of een combinatie? Het zogenaamde andere proza, gemixt met verhalen over de hond en over de honden van onze dochters? Of over mijn gesprekken met een vriend en een vriendin? Of over de ouwe trouwe mijnheer Macharis?

dd 1/2/2013