TIJD 5

Hij wist gewoon dat het tijd was, zelfs al had die zichzelf niet voorgesteld, zelfs al was tijd volledig onzichtbaar.
“Hoe maak je het?” vroeg de man aan tijd.
Tijd glimlachte.
“Erg goed, dank je,” antwoordde tijd. “Het is tijd hoor, man.”
“Ja,” zei de man, ik weet het. Dat is goed nieuws, vind ik.”
“Vind je?” vroeg tijd.
“Ja hoor,” zei de man. “Dit is een mooi huis en het is een knusse sofa, maar ik wil op verkenning. Ik ben benieuwd naar de zoveelste ingang van de piramide, en naar de rijkdommen die ik er zal in vinden.”
“Rijkdommen? Denk je dat je rijkdommen zult vinden?” vroeg tijd.
“Ja, natuurlijk,” zei man. “Daarvoor is het toch een piramide?”
“Ja,” zei tijd. “Ook. Maar waar is ze? Ik zie helemaal geen piramide.”
De man nestelde zich dieper in het nest.
“Ik weet het niet,” zei hij. “Misschien weet jij het. Deed jij haar verdwijnen? Daarnet stond ze er nog, maar nu is ze spoorloos. Ik vind dat jammer. Jij bent tijd, toch? Jij kunt toch toveren?”

Advertenties

TIJD 4

“Ik ben een schilderij,” dacht de man.
“Ben ik nu ook blauw?” vroeg hij zich af. Hij bestudeerde zijn handen en armen maar zag niets.
Hij stond op en raakte de onderste takken van de boom aan.
Een merel kwam op zijn schouder zitten, links.
Een andere merel kwam op zijn schouder zitten, rechts.
“Nu heb ik gezelschap,” dacht de man.
Hij voelde de zon op zijn handen en armen en op zijn gezicht.
“Ik hou van de zomer,” zei hij.
Een van de merels antwoordde: “Wij ook, man.”
Een pratende merel. De man was verrast en niet verrast. Hij wist dat hij in het huis van tijd was, en dat alles mogelijk was. Alles kon, alles kon keren en beven en veranderen van lucht naar licht naar zwavel naar goud en naar zandkorrels of meubels of gereedschap of om het even wat. En merels konden praten.
De boom verdween, de merels verdwenen, de kamer werd groen in plaats van blauw, de piramide verscheen en verdween weer.
De man nestelde zich terug in de sofa.
“Misschien moet ik maar eens aan het werk,” dacht hij en hij maakte aanstalten om recht te staan, maar tijd duwde hem terug in het nest van de sofa.
“Dag man,” zei tijd.
“Dag tijd,” zei de man.

TIJD 3

Hij vond de ingang, hij vond de ingang niet, hij vond de ingang, hij vond de ingang niet.
“De piramide, het huis en de tijd, zij spelen met mijn voeten,” dacht de man.
Hij nestelde zich terug in de sofa, bleef een half uur (was het een half uur?) zitten en liep nog eens naar de piramide. Daar! Hij zag de ingang! De ingang bleef! Maar net toen de man de ingang wou verkennen – een piramide is niet zo maar het eerste het beste bouwwerk, en de man was zowel benieuwd als voorzichtig – verdween de hele piramide.
In de plaats verscheen er een glazen koker, links gevuld met water, rechts gevuld met aloë veras en een zeldzame cactus.
“Hoe kan dit?” vroeg de man zich af.
“Koker links, koker rechts, geen tussenschotten en toch blijft het water links en blijven de planten rechts? En waar is mijn piramide? Wat is dit? Wat doet tijd?”
Hij liep een paar keer rond de koker en bekeek beurtelings de vissen (inderdaad, er waren vissen, goudvissen in alle formaten) en de aloë veras. Een paar ronden later groeiden er lange scheuten met bloemen in de aloë veras.
Nog een ronde later was de koker verdwenen en stond er een schildersezel met een schilderij van Mondriaan. Een blauwe boom. De man volgde de takken van de boom, de schildersezel verdween, de boom werd echt en de man zat neer, leunend tegen de blauwe stam.

TIJD 2

Vooral de voordeur was hem opgevallen. Ze was blauw, felblauw zoals je dat vooral in het Zuiden van Frankrijk kunt zien.
“Het is inderdaad een mooie deur, maar waartoe dient ze, want ik ben hier blijkbaar helemaal alleen,” dacht hij.
Of hoorde hij daar iemand kloppen?
De man maakte de felblauwe deur snel open.

Maar er was niemand.
De man stapte even naar buiten en keek rond. Nee, niemand.
Was hij nu teleurgesteld? Hij fronste, ging terug naar binnen en sloot bedachtzaam de deur. Had hij gezelschap gewild? Hij was alleen in het huis, vond hij dat vervelend?
Hij joeg de gedachten weg. Het was hier warm en knus, en de man nestelde zich in de voor hem nieuwe sofa in het voor hem nieuwe huis van tijd. Plots zag hij een piramide. Stond die er daarstraks ook al? Dat zou hij toch wel gezien hebben, zeker? Maar wacht eens, een piramide? In een huis? Zelfs al was dit een huis van tijd? De man stond op uit de sofa en liep naar de piramide. Waar was de ingang?

TIJD

Tijd werd een ruimte, met een voordeur en met hoeken en kanten en natuurlijk ook met muren.
Hij nam een stoel en zette zich middenin de tijd. Hij hoefde niet op te staan om rond te kunnen lopen en om de hele ruimte te verkennen. Tijd werd een groot huis, bijna een doolhof – maar niet helemaal.
Hij bekeek de muren.
Er waren ook erkers.
Er waren zitbanken vlakbij de grote vensters.
Er was ook een veranda met talloze kleine en grote planten.
Als hij goed keek, dan zag hij minstens vijftien kamers, of het dubbele, of het driedubbele.
Hij ontdekte een treinspoor, midden in een van de kamers.
Zou hij hier ook kunnen hinkelen?
Zou hij hier uit een vliegtuig kunnen springen? Was het huis groot genoeg voor zijn valscherm?
En hij ontdekte nog veel meer, maar besefte plots: waar waren de andere mensen?

DE BLAUWE SHIT VAN DE WALTER

De Walter zei ook dat hij het zelf echt wel wist, van de shit van het concentreren en van de discipline maar dat de wereld de wereld is en dat ge daar maar moet kunnen in leven en dat ge daar maar moet tegen kunnen, met alle shit vandien.
Neem het hem dus maar eens kwalijk dat hij blijft zeuren over die zon en die maan en dat blauwer dan blauwe en dat hij daar wat madelieven en sterren en dromen tussen gooit.
Verdomd, verdorie, miljaarde.

GANS

Maar, zei de Walter, je moet een madelief nemen en je moet de bloemblaadjes tellend plukken, een, twee, drie maar je moet er eerst aan ruiken en als het al te laat is dan herbegin je met een andere madelief, je ruikt, je plukt, je telt, een, twee, drie, vier en je houdt je gedachten bij het tellen en bij de bloemen en je onthoudt de geur in jouw neus en daarna vlij je je neer in het malse gras en je sluit de ogen en als je ze weer opent dan zie je de blauwer dan blauwe lucht en je ziet de zon in al haar glorie en je ziet het licht dat zij werpt op de ganse natuur en je eigent je die toe en je klopt met je hand op je hart en je zegt en herhaalt dat ‘gans’ wel degelijk het juiste woord is en je sluit de ogen en je dommelt in en plots droom je en het is een mooie droom maar je zal hem niet vertellen en je kijkt naar de maan, die is vol en ze werpt een nieuw licht en naast de maan staan miljoenen sterren en je kunt het niet geloven en je ziet het licht en het duister en het licht en het duister en ‘o, wacht,’ zeg je en je begint ze te tellen, een, twee, drie, vier en je herbegint, een, twee, drie, vier en je valt opnieuw in slaap en je droomt een volgende droom maar ook die vertel je niet en als je wakker wordt is het ochtend en daar is ze weer, zij, die van het licht, in al haar glorie en ze verandert de kleuren, ze kan toveren, niet? en ze stijgt en verandert de schaduw en ze verandert de kleuren van de bomen en van de bloemen en je kijkt –
verwonderd –
zei de Walter.