GEWELDIG

Hij zei dat hij nog een uur of twee op kantoor moest blijven.
‘Een belangrijke klant, iemand van aanzien. Mijn carrière. Doorslaggevend.’
‘Jaja,’ antwoordde ze. ‘Ik geloof je.’
‘Het spijt me,’ klonk het.
‘Jaja,’ zei ze weer.

Ze vond het niet erg dat hij er niet was. Het was een warme zomeravond en ze had het huis, de tuin, het zwembad voor zich alleen.
Ze nam een tijdschrift en bladerde er wat in.
‘Mooi,’ dacht ze.
Ze maakte een caipirinha en nipte er een paar keer van.
‘Lekker,’ dacht ze.
Ze nam de tablet en bestelde online een slaatje en een pizza.
‘Fantastisch,’ vond ze.
Ze maakte een tweede caipirinha.

Niet veel later telefoneerde hij opnieuw.
‘Het zal wat langer duren. Het is een heel belangrijke klant. We gaan iets eten in dat sterrenrestaurant.’
‘Jaja,’ zei ze.
‘Het is echt waar,’ zei hij.
‘Jaja,’ herhaalde ze.

BOCHTIG

De weg kronkelt en we rijden en scheuren met onze knieën
bijna over het asfalt, tot een gek ons in een hoeveelste
versnelling voorbijraast, en hij even verder in de doornen
van een haag hangt en bloedt

we stoppen en wachten dan maar tot de ambulance
en hij in goede handen
en rijden voort

het kronkelt nog steeds en we rijden en scheuren,
we zien net op tijd hier een gat in het wegdek,
daar een nog grotere valkuil en dan weer een
openstaande brug

en we rijden en kijken met opengesperde ogen
maar dan, onverwacht
ai,
en dan,
oei,
want we werden verblind, of verregend
en dan
baf!
gaan we zelf tegen de vlakte

We rapen een wiel, een voorvork, een stuurhelft,
een afgebroken rempedaal, een spiegel, een pakdrager

we lassen, branden, driegen en naaien als het ware al dat
metaal, en
wroeten voort, dag en nacht, wringen, monteren, want het moet
en we moeten, het moet en we zullen de bochten, de kuilen.

Het kronkelt nog steeds en we rijden en scheuren
met onze knieën bijna – het kronkelt, het draait – de
veel meer dan duizend bochten, en nog eens, en nog

TOT OKTOBER

Ze beloven veel hemels op onze aarde en zeggen dat roze rokjes en fijne jurkjes onze straatbeelden zullen sieren, dat olifanten leren praten, dat vogels de vaat doen en dat honden zowel als katten het gras maaien – van maart tot oktober

Ze zeggen dat de lucht en het water beter worden dan ooit tevoren, dat het ijs niet meer zal smelten, dat de bergen dat zullen beamen, dat de stormen en orkanen nooit meer zullen razen

en dat ieder kind voor eeuwig en altijd gelukkig zal zijn
en dat auto’s stil en proper worden
en dat het vrachtvervoer volledig stopt

Ze beloven nog luider dat er veel meer hemels en dat er naast roze ook rode en blauwe, met superveel groen en alles veelkleurig
en dat de giraffen klein en fijn, en nog liever
en dat de egels mee vliegen
en dat de slakken de administratie wel degelijk leren sorteren – langzaamaan

Ze roepen en tieren, luider dan ooit
dat ze veel en veel meer
en mooier en beter
en langer en gezonder
en voor iedereen betaalbaar
en opfleurend
en nog liever en sneller en efficiënter
in een mooie verpakking, de allermooiste

Ze roepen en tieren, luider dan ooit,
met duizenden stemmen en veel meer gebaren,
steeds heviger, harder, allemaal samen,
beloven, beloven, to-taal-on-ver-staan-baar

DEES, GEEN

Gene kant:
De grote chinezen
De trumpen en co
Hun vele, vele verwanten
Hun vele, vele naäpers
Hun vele, vele mouwvegers

Deze kant:
Iedere ochtend, hollend, van hier tot de Heizel, tot het Noord, tot het Rogier, tot het Brouckère, tot de Munt, en zo voort, dan cijfers en tabellen, rap iets eten, ’s avonds terug, hollend, en de kinderen, en de soep en de patatten
Af en toe een smeulende houtmijt van de buurman, brandweerlui, daarna een lachende pint in de bar
Vaker een zwemclub, een kaartclub, een tennismatch, een avond met vrienden
Doordeweeks, doordedags, telkens weer, de vuile pampers, de aardappelschillen, de broodjes, de vuile handdoeken, het toiletpapier, de vuile koffiemokken, de volle vuilniszakken, de versleten banden
Schat, doe jij dit, schat, je hebt het nog niet gedaan, schat, we moeten dat nog doen, schat, we moeten morgen, schat, we moeten overmorgen

Ondertussen; de zon en de maan spelen hun bekende spel. De regen en de wind kwamen zich even moeien maar maakten alweer plaats voor al wat minder donker is, vooral voor blauw. Een jonge vrouw knuffelt haar kinderen, ze wijst hen op de rijpe komkommers, de rijpe tomaten, de wonderen der natuur. Hun tuin is niet groot maar groot genoeg en de mini-labradoodle huppelt vrolijk mee.

DE MODELWIJK, OF ANDERE

‘Net een kindermoord,’ werd er gefezeld. ‘Kindermoord, kindermoord.’
Anja zuchtte. Van haar liefste buurman had ze dit niet verwacht en ze zei het hem.
‘Ja, maar,’ begon hij.
‘Niks van,’ zei Anja. ‘Je begrijpt er niks van. Je hebt niet geluisterd. En je doet mee met de anderen, erger nog, je gooit olie op het vuur en ze geloven jou.’
‘Ja, maar,’ probeerde hij opnieuw.
‘Nee, Pieter. Het is genoeg geweest. Het doet te veel zeer. Alles doet te veel zeer. Ga weg,’ zei ze.

PHILODENDRON

Zolang de rust er niet is:
– van de gatenplant
– van de basilicum
– van de kasseistenen
– van de tikkende wekker
– van de kilo’s en kilo’s boeken
– van de cijfers
– van de ronkende geluiden (‘draait die motor wel goed?’)
– van de ‘wat is kunst-en?’
– van het gele boek
– van het groene boek
– van de schilderijen, van de prent met de keukenstoel, van de ingekaderde kantkloswerkjes, van de eeuwig volle dozen.
– van de rode en van de witte oleander
– van de gatenplant (bis), van de luchtwortels, van het lantaarnplantje, van de aloë, van de geldboom, van de pepers, van de kleine, zeldzame blauwe bloemen in de bodembedekker
– van de kelder van 1850
– van de weergaloze pracht van de horizon
– van de weergaloze pracht van het zwerk
– van de weergaloze pracht van de kleurveranderingen
– van de weergaloze pracht van de huizen van de zwaluwen
– van de weergaloze pracht van de duizenden soorten groen
– van
Zolang de rust er niet is.

ZONDER MEER

Het kan in kleuren; geel, blauw, grijs, groen, rood, oranje, fuchsia.
Geel voor maandag, blauw voor dinsdag, grijs voor woensdag, groen voor donderdag, rood voor vrijdag, oranje voor zaterdag, fuchsia voor zondag.
Het kan iedere dag van de daken schreeuwen, iedere dag een andere kleur, regenbogen op het eind van de week, als samenvatting, in de plaats van de nieuwsberichten of van de facebookposts, of whatever.
Morgen is het vrijdag.
Vrijdag is rood, rood, dieprood, donkerrood, zoals de Weigelia Bristol Ruby, die sterker bleek dan de droogte, sterker dan de storm, sterker ook dan de voorbije winter en alles overleefde, alsof het niks was, niks, behalve haar donkere rood.

En zo voort.

DWINGEND, O.

Ondertussen is de zon de grote baas; ze werpt zich op de huizen en straten, op de bomen en grasvelden, op de mensen.

En de zwaluwen groeperen; zullen zij vandaag of morgen vertrekken? Of volgende week?

En de mannen van de gemeente pauzeren. Ze drinken wat water en tappen minstens tien moppen.

Een wekker zegt het is zeven uur, acht uur, negen uur, tien uur. Hij zegt het is maandag, dinsdag. Hij zegt het is lente, zomer, herfst.

Hoor. Ze kwetteren. Alle tien of vijftien zingen ze een lied. Alle tien of vijftien zijn ze in hun nopjes. Ze rusten wat op de draad, ze vliegen hun cirkelende spel en eigenen zich de koer toe, het gekwetter! De groep wordt groter, het concert zal een vol uur duren.

Daar: poëzie in beelden, in penseelstreken, in beeldhouwwerken, in kaaklijnen. Poëzie in zeldzame en dwingende woorden.

Eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig, vierentwintig, vijfentwintig, langzaam, o langzaam.

OOST, WEST, ETC

(terwijl ik naar adem snak)
ik doe de ganse dag niks anders dan naar de zwaluwen kijken; ze vliegen hoog, laag, rakelings langs de bomen en daken, vrolijk kwetterend en kijk, de eerste twee jongen zijn er ook al, ze oefenen hun vliegen, nog wat onbeholpen en ze zijn een plezier om te zien
(terwijl ik naar adem snak)
de boeren zijn volop aan het bemesten, en de loonwerkers, en de kinderen van. Ze werken van ’s ochtends tot ’s avonds, ook tijdens de weekends, doen ze ooit iets anders? Om van het koeien melken nog maar te zwijgen
(terwijl ik naar adem snak)
de zwaluwen, weer, nu is ook het derde jong uitgevlogen, ze maken er een spelletje van. Als ik doodga en daarna terugkom, dan zal dat als jonge zwaluw zijn, om dan later, later! de continenten!
(terwijl ik naar adem snak)
en het is avond nu, de zon schijn tot op het achterste dakraam, ze zakt, ze zakt, morgenochtend staat ze exact daar waar ik nu haar weerspiegeling zie, de schijn, de glans, het breken van het licht, het licht!
(terwijl ik naar adem snak)
en ginder, hoog, elders, daar ook! een vliegtuig, waar vliegt het naartoe, naar waar? Naar Mexico, naar IJsland, naar overal, maybe?
(terwijl ik naar adem snak, snak, wil, wil, ben, ben, vlieg, vlieg)

EN HET GRAS EN HET BOS EN HET RIET

Hier is het groener, staat er.
Ik draai een van de verpakkingen om en om.
Ik zie geen foto’s.
Misschien op een andere doos?
Waar is het groener?
Ik bel naar het nummer op de verpakking. Nul acht nul nul zeven vijf nul nul nul.
Ik luister naar de stem. Ik mag een keuze maken.
Ik beluister de volgende opties en druk acht voor Andere vragen.
Dan mag ik nog eens kiezen.
Ik druk zeven.

Waar is het dan groener? vraag ik aan een meneer.
Een meneer vraagt Wat bedoelt u?
Ik zeg Welja meneer excuseert u me dat ik het zo zeg maar dat staat op alle dozen.
Welke dozen, mevrouw? vraagt een meneer Want wij hebben veel dozen.
Op die grijze, meneer, ik vroeg me af waar het groener is?
Mevrouw, zegt een meneer, bent u niet tevreden over een van onze producten?
Ik zeg Dank u meneer en ik sluit het gesprek af.

De dozen blijven roepen, Hier is het groener. Hier is het groener! Hier!
Maar ze zijn niet groen, ze zijn grijs en grijswit met zwarte letters en rode randen, zonder foto’s.
Ik koop drie dozen. Ik scheur ze een voor een open, bekijk de inhoud, vraag aan het buurmeisje of zij dit lust en ik zet de lege verpakkingen tegen de stam van de oude eik.
Hier is het groen, groener! staat er.
Misschien moet ik wachten?