LICHT

Hij wist dat licht licht was,
probeerde het volledig te grijpen
maar het ontsnapte
telkens,
schoot omhoog of omlaag,
het maakte zelfs een dubbele salto

en plots wist hij
‘Ik moet rustig blijven,’
sloot de ogen, draaide

langzaam

om zijn as, opende de ogen
en greep

Hij kon er mee spelen, jongleren,
liet het los,
ving het weer op, dicteerde het

helemaal zelf

om een dubbele salto te maken
of liet het

zelfs
even verdwijnen
om het dan lichter dan licht
weer naar voren te brengen

en te laten
springen
en botsen
en alles

Hij joeg ook de storm
en het onweer

vér weg

door te blazen
en nog eens
en voelde zich zelf

lichter dan licht
toen hij het licht
helemaal los liet,
kon laten.

JA, WAT, IN FEITE?

Het ruikt hier naar pas gemaaid gras
en de vliegen vliegen
de duiven
en de zwaluwen.

Het ruikt naar pas gemaaid gras
en een jonge man ziet een jonge vrouw
een jonge vrouw ziet een jonge man
en vijftien jaar later

hebben ze een huis, een tuin, twee kinderen,
ze werken, eten, slapen,
helpen met de rekensommen
en kijken televisie.

Het ruikt naar pas gemaaid gras
en tweeduizend kilometer verder
en vierduizend kilometer verder
zaait de mens

geweld, dood, verdriet,
kapotte huizen,
wezen,
kinderloze ouders.

Op sommige plekken ruikt het
naar pas gemaaid gras
en elders, de mens, zaait hij,
zaait hij wat?

VOL VEEL

Velden vol veel
gedichten

Lorca

Pavese

de jonge Hertmans

de immer jonge Rimbaud


Cummings



Hölderlin



Velden vol veel

veel

vaak anders


de zinnen
de woorden


Whitman



Carver

De tuimelingen van Borges

en van zijn vriend, Bioy Casares

en de uitvinding
en de tijd

of Rilke
of Handke


of, alweer, de jonge Hertmans

en Boon

en Elsschot

en, alweer, Pavese en de zon en het licht en het water en de velden en de warmte


en de vriendschap

en het leven



Velden vol veel

veel wereld

en meer


en nog

nog een wereld

mensen en huizen en dromen

veel



en rozen en doornen

SPREKEND

de kraaien roepen dat ze niet content zijn
of net wel?
ik kan het niet weten
ik kijk en ik luister
ze flapperen en kakelen van hier naar ginder.

de hond houdt de omgeving goed in de gaten
hij bewaakt me
of ligt hij te wachten op een van zijn kameraden?
ik kan het niet weten.
hij draait zijn kop en kijkt nu vooral naar het baantje.

en daar zijn de mussen
zij zijn content
zij zijn vrolijk
of is het hun alledaagsheid?
is hun gezang de normale gang van zaken?

het is zondagochtend
de mensen slapen, ze rusten, berusten
of dromen van betere, andere oorden
ik kan het niet weten
misschien dromen zij slechts van het mindere moeten?

GROEN ROOD ORANJE BRUIN WIT

Ze zag de groene specht. Plots vloog hij met een grote boog naar het bos.
De volgende middag zag ze hem weer.
De derde dag keek hij haar aan. Hij wenkte.
‘Hoe gaat het met jullie?’ vroeg hij.
‘Dank je, het gaat,’ antwoordde ze.
‘Nochtans. Ik hoorde dat al het andere pittig is,’ zei hij.
Ze zweeg.
‘Veel drukte, veel gedoe, veel druk,’ zei hij.
‘Ja. Pittig dus.’ zei ze.
‘Lukt het een beetje?’ vroeg hij.
‘Ja. Ja. Een beetje,’ twijfelde ze.
‘Ben je goed voorbereid voor maandag?’ vroeg hij.
‘Ik heb een bundel. Ik moet nog wat printen en ik zal een paar verduidelijkingen noteren. Het wordt een dik dossier,’ zei ze.
‘Zal het helpen?’ vroeg hij.
‘Ik weet het niet,’ zei ze.
‘Ben je bang?’
Ze zweeg.
‘Ben je bang?’ herhaalde hij.
‘Soms wel,’ zei ze. ‘Ik ken de gevolgen niet. Meester T. zei dat het gevaarlijk kan worden.’
‘Maar je moet dit doen,’ zei hij.
‘Ja. Ik moet. Wij moeten. Samen zijn we hopelijk sterk genoeg.’
‘Zie je het mooie nog?’ vroeg hij.
‘O ja. Misschien niet vaak genoeg, of niet alles. Maar toch. Ik zie iedere dag de klaprozen in het veld, de kamperfoelie die straks vol bloemen staat, de notelaar die het laatste jaar enorm gegroeid is. We zullen veel noten hebben. En gisteren zag ik een van de kwikstaartjes. En de spechten.’
‘Veel goede moed,’ zei onze groene specht. Hij vloog met een grote boog naar het bos.

EN DAN LINKS

‘We gaan naar het water,’ zei hij.
‘Ik hoop dat de zon schijnt’, zei zij.
‘Ik denk het wel,’ zei hij.
‘Voor de glinsters op het water, en voor de bootjes en de vissers,’ zei zij.
‘Maar het uitzicht zal niet meer hetzelfde zijn,’ zei hij.
‘Nee, want die vakantiewoningen,’ zei zij.
‘En de hoogbouw,’ zei hij.
‘Maar we kunnen naar het brugje wandelen, zo de haven in, voorbij het havencafé, het tweede brugje over en dan links, tot op het einde?’ vroeg zij.
‘Ja, ik denk dat dat beter is. Onbelemmerd uitzicht,’ zei hij.
‘Ja, op het glinsterende water,’ zei zij.

756

Beste mijnheer Macharis,
Praten kan ik niet.
Schrijven ook niet.
Vanochtend verplicht ik mezelf om u een korte update te sturen.
Ik deed 1001 dingen. Er resten nog 758 andere dingen. Het einde is in zicht.
Mijn keel zat dicht. Mijn lijf, hoofd en hart zaten dicht. Op sommige dagen kon ik zelfs niet meer luisteren en kijken. Zo ingekapseld in een grote blok beton, zat ik – misschien.
(Hier neem ik even een pauze. Dit schrijven vraagt moeite, vermoeit me)
Ondertussen: 757.
Ook het ademen ging en gaat moeilijk. Soms amper.
Maar goed.
Deze kleine update is me gelukt. Hij zat al twee dagen in mijn hoofd.
En ondertussen zag ik het bijzondere blauwe van de nacht, boven en voorbij de bomen.
1 keer zag ik zelfs de glinsteringen – de zon op het jonge bladergestel.
Ik zag (en was me bewust van) de minder grote stapels.
En de kleuren. Ik kreeg en zag de kleuren. Ik kon mijn ogen er laten aan wennen. Meteen wist ik: Het kan nog.
Nu is het tijd voor een kop koffie. Daarna zal ik 757 doen. Ik tel af, ziet u.
Veel groeten,
Eliane.

HET (IN KLEUREN EN GEUREN)

HET vliegt en fladdert kriskras door de kamer.

HET verspreidt zijn geur en kleur echt overal.

HET wordt ineens! geraakt door het zonlicht.

De kleuren en geuren versterken! en HET geniet van de warmte.

HET blinkt van het vele licht.

HET is in zijn nopjes en blijft even stil hangen.

Even later:
HET vliegt en HET fladdert weer vrolijk en kriskras door de kamer.

HET verspreidt zijn sterkere geuren en kleuren echt overal.

TE

het woeste water
de hoge golven
een surfer

de hoge golven
het woeste water
de hoge golven

een surfer
het woeste water
een surfer

de hoge golven
het woeste water
een surfer

de hoge golven
een surfer
het woeste water

het woeste water
de hoge golven
de hoge golven

het woeste water
de hoge golven
de hoge golven

het woeste
het woeste

EINDELOOS

‘Wat is dat?’ vroeg ik.
‘Wat is wat?’ vroeg ze.
‘Daar!’
In de linker muur van haar woonkamer was een barst, vanaf de plint onderaan, een paar millimeter breed, en die barst liep tot ongeveer anderhalve meter hoog.
‘Oei,’ zei mijn vriendin.
Ik bestudeerde de barst van dichtbij, ze was zeker vier of vijf centimeter diep.
‘Die is er nog maar pas,’ zei ze.
Ik liep de kamer uit, bekeek de achterkant van de muur, in de hall. Vreemd genoeg begon deze barst op de hoogte waar ze in de woonkamer eindigde. Ze liep voort over het plafond, langs de muur aan de overkant weer naar beneden, tot een halve meter hoogte.
‘Zijn je buren thuis?’ vroeg ik.
‘Heum, dat weet ik niet. Dat kan. Misschien zijn ze met de dochter  ’
Ik was al op weg, opende de voordeur en belde aan bij de buren.
‘Heeft u ook barsten, meneer?’ vroeg ik. Ik gebaarde naar de rechtse muur in de hall. De man wist niet wat er gebeurde.
‘Ja ik zie het al,’ zei ik. De barst herbegon hier op een halve meter hoogte, volgde de hall over diezelfde hoogte en stopte halverwege de linkermuur.
‘Mag ik?’ vroeg ik, maar zonder op zijn antwoord te wachten deed ik de deur naar de woonkamer al open. Daar was ze, richting plafond, voort over het plafond, recht naar de andere kant van de woonkamer. Dan naar beneden maar niet ver; twintig centimeter.
‘Wat is er hiernaast? Uw garage? Hoe geraak ik daar?’ Maar ik was al in de keuken en vond de deur naar de berging, daar de deur naar de garage. Ik vond en volgde het barst-spoor. Twintig centimeter van het plafond, richting de straat, achter een van de stapelrekken en ze kwam net voor de poort weer tevoorschijn. Ze liep tot in de hoek, terug naar boven, over het plafond naar de volgende muur.
‘Doet u uw poort even open?’
In het aanpalende huis volgde ik een gelijkaardig pad. De barst vervolgde haar weg langs de muren van de garage, zo naar de woonkamer, naar de hall, naar de hall van de buren van het volgende huis. De barst begon telkens waar ze in de achterkant van de muren eindigde, liep voort, en voort, tot het laatste huis op de hoek van de straat.

Ik stond buiten en telde.
‘Acht huizen,’ zei ik.
Mijn vriendin en een paar van haar buren waren me gevolgd.
‘En nu?’ vroeg iemand.
‘Klacht indienen,’ zei een andere.
‘De verzekering,’ zei nog iemand anders.

Ik stak de straat over en belde aan bij het eerste huis aan de overkant.
‘Mag ik?’ ik duwde de bewoonster gedecideerd opzij.
Ik slikte.
De barst herbegon in de muur links van haar voordeur, kroop langs de hoeken, stopte halverwege de overkant.
Ik vroeg me af wat dit te betekenen had, schraapte mijn keel en liep de woonkamer in.