24

Sterk en boven iedereen verheven,
zij, de zon, zo schijnend, stralend,
lichtend, draaiend, gekmakend bijna,
met haar langdurig spel van

lente, zomer, herfst en winter en nog
meer: dagen, nachten, regen, hagel,
storm en sneeuw en vaak geholpen
door de maan, de wind.

Sterk en boven iedereen verheven
gooit zij licht op alle leven, zelfs op
de vissen in het water, wassend –
of was dat de maan, misschien, of toch?

Sterk,

voor eeuwig hevig vuur verspreidend,
hoogste, rijkste bron van leven, zij,
de zon, die verre ster maar toch zo
warm en licht, zo voelbaar hier, op aarde.

VERVOEGING

Ook ik geef niet om rijm, noch om ritme. Enkel om wat kleur, om de blauwe lucht, om een bos in het mooiste seizoen en om een stel lachende ogen.
En ach, jij maalt, hij maalt, wij malen, jullie malen, dees en gene malen er niet om, immers, de dag van vandaag zijn heel andere dingen van tel.

Dus ja, tja, pfff, nee.
Of hier nu dichterlijk rijmende woorden of korte of lange cijfers of letters of blanco’s staan,
jij maalt, dees en gene malen echt niet om rijm of om ritme, of om gedichten. Heel misschien wat om kleur, om de blauwe lucht, om de volle maan,
om een hond of een baby of om een populaire foto ervan, dat, tja, zo gaat dat, nietwaar, de dag van vandaag?

NAAR BARCELONA, MISSCHIEN?

Hij kon niks meer
                               zeggen
zijn keel zat dicht,
hij stuurde me
                enkel
een lange reeks                                         smileys,
1 van iedere soort tot en met de
rode.

Een week later zag ik hem
                weer,
hij haalde de schouders op en
                                                wees
met beide wijsvingers naar zijn
opeengeperste
                         lippen.

Hij schudde daarop zijn zakken
leeg en haalde nog eens de
schouders op.                   Hij
                               draaide
met de ogen alsof hij wou
     zeggen
     dat hij het
beu
      was

maar plots veranderden zijn gezicht,
zijn ogen, zijn lippen en kreeg
                ik
een geweldige glimlach
inclusief
twinkelingen en witte tanden.

                                     Hij begon een vrolijk deuntje te
                fluiten,
zwaaide juichend met beide handen
en danste de straat in    –            
                                              weg.

DE BRIEF VAN MEVROUW HILTON

Er is een BRIEF van mevrouw HILTON.
Het is een MOOIE brief met een rand van ROZE ROZEN.
Hij ruikt naar de LENTE.
Ze nodigt mij UIT, mevrouw HILTON.
Ik mag gaan LOGEREN.
Ze biedt mij TWEE NACHTEN aan, in een van haar LUXE-KAMERS.
Volledig GRATIS, GRATIS, schrijft ze.
Ik moet enkel de MAALTIJDEN en de UITSTAPPEN betalen, meer niet.
Ik wil dat wel eens MEEMAKEN, zo’n luxe-kamer van mevrouw HILTON.
Zou die kamer ook ROZE zijn?
En zou het daar ook zo lekker RUIKEN?
En in welk GOED GEZELSCHAP zal ik verkeren?
Want dat schrijft ze, ‘GOED GEZELSCHAP’!
MORGEN zal ik haar een ANTWOORD sturen.
Ook in het ROZE.
Ik zal mijn brief besprenkelen met mijn beste PARFUM.
Ik zal schrijven dat ik er naar UITKIJK.
ONTZETTEND LIEF is zij, mevrouw HILTON, ECHT, en ik ben haar erg DANKBAAR
dat ze me dit zo VRIENDELIJK en HELEMAAL GRATIS aanbiedt.

OF MET EEN MEGAFOON

Wie zag het? Wie zag het licht op het water?
’s Ochtends en ’s avonds?
Al die miljoenen rode kristallen,
die vele vermiljoenen glinsters,
dat enorme miljoenenrode water, echt, overal?

Wie zag het, wie wist het, wie kon het of durfde?
’s Ochtends en ’s avonds, zelfs overdag?
Het meeste, het grote, het grootste, het al?
Wie zag het? Wie wou en wie kon?
Zeg me eens, wie?

MET KOTELETTEN EN GROENE BOONTJES

Ze zegt dat ze die handeling al miljoenen en miljoenen keren, niet dat ze ondertussen telde.

Iedere keer het schroefje in het potje controleren, iedere keer het schroefje in het potje controleren, iedere keer het schroefje

Ze hoeft zelf niet echt iets te doen, enkel het potje van de lopende band nemen, kijken of het schroefje goed recht en diep genoeg zit, het potje op de tweede band leggen, een nieuw potje van de eerste band nemen, kijken of het schroefje

De potjes met de scheve schroefjes moeten in een grote bak.

Ze mag staan, zitten, staan, zitten, ze wisselt af, soms wiebelt ze van de ene voet op de andere. De collega naast haar blijft altijd staan. Die heeft een rechte rug. De volgende collega blijft ook altijd staan maar diens rug is gebogen, zoals de diepe groeven in haar gezicht. Haar jongste zoon, zie je, vertrok zaterdagavond naar een feestje en is nog altijd niet terug.

De lopende banden maken de hele dag door een zoemend geluid. Het stoort niet. Ze kan naar haar muziek luisteren. Af en toe laat iemand een potje vallen. Dat klettert en dan rolt dat potje altijd onder een van de machines. De boete daarvoor is tien cent.

Vandaag stond een van de lopende banden stil. De ploegbaas kwam kijken, hij kende het probleem en haalde wat gereedschap in het atelier. Een grote dopsleutel, enkele draaien naar links, een kleine hamer en een zachte tik, een grote dopsleutel en enkele draaien naar rechts, zoals altijd.

Ze wil wel een andere job maar ze is het nu zo gewoon en is iedere dag om vier uur thuis. Dat is goed. Eerst kijkt ze een half uur televisie, altijd. Daarna schilt ze aardappelen, al miljoenen en miljoenen keren, zegt ze, niet dat ze ondertussen telde maar al veertien jaar, zucht ze.

JULIENNESOEP MET BALLETJES EN EEN BRUINE BOTERHAM

De oude garagist loop tussen de auto’s en kijkt toe hoe de technici hier en daar een pakking vervangen, of een bougie, of een ruitenwisser. Zelf doet hij het al lang niet meer, hij loopt enkel nog rond, ter controle, zijn ze wel aan het werk en praten ze niet te veel, over hun koetjes en kalfjes, over het voetbal of over de nieuwe regering?

Zijn zoon vervangt een sensor en verwijdert een foutcode, A zoveel, en zegt dat de remmen hun werk nu weer kunnen doen. De oude garagist blijft kijken en zeurt voor de vijfhonderdste keer dat hij van al die elektronica niet moet weten en dat het vroeger veel makkelijker was, en zo voort.

De zoon haalt de schouders op en vraagt een kleine schroevendraaier, pa geeft hem en kijkt, hij zou het zelf niet meer kunnen, zijn handen beven en hij weet niet zo veel meer, hij herinnert zich ook niet wat zijn vrouw gisteren op de tafel zette of wat de jongste kleindochter vanochtend tegen hem zei, maar hij weet wel nog dat dertig plus dertig zestig is, hij kan zelfs zeshonderd met zeshonderd vermenigvuldigen, en nog veel meer.

Soms brengt de politie hem ’s avonds laat naar huis, omdat hij door het dorp loopt en raaskalt en niet meer weet van welke gemeente hij is, of toch bij manier van spreken. Hij vertelt dan tegen iedereen die het wil horen dat het een hondenstiel is, het smeersel, het lassen, sommige onbeleefde klanten maar dat de meeste anderen vriendelijk zijn, zoals meneer doktoor, of zoals de vrouw van de slager, die zeggen dat hij trots moet zijn op de stiel en soms geven ze een fooi.

De politiemannen kennen hem, vragen keer op keer of hij een lift wil en dan zegt hij altijd ja, want dat zijn benen niet goed meer willen, dat het leven hem wat tegenzit en dat zijn hoofd ook niet, noch zijn handen, Ziet ge, ze beven en ik heb er geen vat op, ik kan het niet tegenhouden als ik wil lassen, of vijzen, zelfs niet als ik een bestelling moet opschrijven, maar ge moogt dat niet voortvertellen, zegt hij. Nee, nee, antwoorden ze.

Zijn vrouw is altijd opgelucht als ze hem ziet, en geduldig, ze veegt zijn haren opzij want alles is in verwarring, hij glimlacht en zegt Schat, ik was bij de dochter, ik keek naar de vissen in hun vijver en zijn vrouw zegt Jaja, kom hier, hier is wat soep en hier staan je pantoffels, het is al laat, ik vroeg me af waar je bleef. Kom, kom mijn man, straks kunnen we gaan slapen, de rolluiken zijn al naar beneden, we zullen de dag vergeten en morgen

Ja, morgen is er veel werk, het is goede soep, geef je me nog een boterham, zegt hij, Ja, ja ik heb honger en ja, ik wil rusten, ik ben zo moe, zegt hij.

EN DE POES

Ondertussen is de poes de boom ingeklommen en zit ze daar te miauwen. Ik doe niks, roep haar niet, ik weet immers dat ze over een kwartier vanzelf weer op de begane grond zal springen.
Ik zag reuzegrote zonnebloemen, ongelooflijk, gewoon in de kleine voortuin van een van de rijhuizen hier in het dorp. Stevig, hoogpotig, ze kunnen niet dicht genoeg bij de zon en de hemel staan.
Myriam, weer. Ik neem niet op, ik ben er niet, ik steek me weg voor haar en voor al de anderen. Pak me dan, als je kan. Wacht, waar is mijn onzichtbaar makende mantel, ja, zo kan niemand me zien.
En voilà, daar is de poes, spinnend, een lieve manier om mijn aandacht te vragen maar ook dat negeer ik, ze geeft snel op en loopt terug in de richting van de boom, haar rug hoog, de zon speelt met de schakeringen van haar tijgervacht.