Hij liep de tuin in en struikelde
(over een domme kleine eikel!)
en stootte zijn hoofd op een van de boordstenen – alles vol bloed, zijn voorhoofd, zijn T-shirt, de boordsteen, het tuinpad, het gras.
Hij verzorgde de wonde, ging nog eens kijken naar de boordsteen, vroeg zich af wat er met het bloed zou gebeuren. Het begon al uit te drogen, maar wat met het bloed dat in het gras was gelopen? De rode grassprieten, de ondergrond? Zou zijn bloed dieper en dieper sijpelen, tot in het centrale deel van de aarde? Zou het mee verbrand worden in onze duizenden graden warme aardkern?
Tag: aarde
OP EEN KIER
Wat doet u hier?
Dag mevrouw.
Meneer, wat doet u hier?
Beste mevrouw, de deur stond op een kier.
En u kunt niet lezen? Er staat toch ‘Geen toegang’?
Ja, maar ik zag een glimp van uw werk. Is dit uw tentoonstellingsruimte? Zijn al die werken van u? Wat doet u, wat maakt u?
Ziet u dat niet, meneer? Ik maak vierkanten en rechthoeken, driehoeken en parallellogrammen. Ik maak ook zeshoeken, achthoeken, ontbrekende zowel als oneindige hoeken en alle maten van cirkels – van het kleinste punt tot de grootste planeet.
Ja? Ach ja, nu zie ik het. Hoogst interessant. En de kleuren?
Meneer, u bent blind. Ik werk met zwart en daardoor ook met het licht. En met oranje en groen en blauw en en en. En met de kleuren van het gras en van het water en van de lucht en het heelal, maar ook van het beton en van het staal, in al zijn RAL-kleuren. En titanium en goud, natuurlijk. En en en. Dat ziet u toch? Of niet?
Heu ja. En?
Wat, en? Mensen, natuurlijk. En hun maaksels. De politiek, de economie. Maar ook hun telramen en hun castagnetten. Hun suikerklontjes en hun tandwielen. Hun driewielers en hun vuur. Hun uurwerken en hun duivenhokken. Ziet u het niet? Wat komt u hier doen? Op de deur staat nog altijd ‘Geen toegang’, meneer.
Excuus, mevrouw.
Geen toegang, meneer.
——————————————————————————————–
De ‘tentoonstellingsruimte’ werd me aangereikt door Heidi. Met dank.
HET KAN KEREN
De volle maan bleef drie dagen en nachten helder staan.
Immers, als onze aarde gekke dingen doet, waarom zou de maan dat niet kunnen?
En zo werd een van de vele dode maankraters plots een actieve vulkaan en spuwde, spuwde, doofde weer uit en een volgende krater spuwde en een volgende. En de maan bleef weer drie dagen en nachten helder staan.
De aarde, zij kleurde volledig groen.
Op een snik en een wip was dat groene weer verdwenen en kleurde de aarde grijsbruin, dan paars, dan oranje met vuilgrijze spikkels.
Ze begon te beven. Bergen, dalen, rivieren, bossen en oerwouden vonden hun plaats op de continenten niet meer. Oceanen en woestijnen werden door elkaar geschud. Oases verdwenen en doken elders weer op, om dan toch te zinken of op een van de polen tevoorschijn te komen. De winden raasden, rustten, bliezen, bolden en tolden. Zij rustten weer en begonnen opnieuw. Boreas was zijn noorden kwijt en draaide en keerde, tolde en rustte en raasde mee met de andere, telkens veranderend, telkens elders.
Mens en dier? Koeien, varkens, leeuwen, tijgers, mieren, vliegen? Zwaluwen? Meeuwen en mussen? Nachtvlinders? Honden en katten? Mannen en vrouwen, kinderen? Werden zij echt naar binnen gezogen? Langs riolen, langs grotten? Langs kraters? Wat gebeurde er met alles en iedereen?
En de zon? Zij draaide drie dagen rond haar as, stond dan stil, draaide twee dagen, stond stil, draaide vijf dagen, stond stil. Ze sneed zichzelf middendoor, kleefde zich weer aaneen, sneed, kleefde, draaide, stond stil, sneed, draaide, stond, kleefde, draaide, sneed. En zo voort.
De aarde, alle grote en kleine lichamen in het heelal, zij hadden een ander ritme en een andere vorm gevonden en niks verliep nog volgens een patroon of een schema. Eb werd vloed en vloed werd dubbel eb. Noord stond op zijn kop en west was verdwenen. Bergen spleten in honderden stukken, oceanen liepen leeg, polen liepen vol.
Niets was nog wat het was. Niets was nog. Alles was anders en elders.
(n.a.v. drie opeenvolgende avonden volle maan, ergens begin november, of was het eind oktober? En nee, ik overdrijf niet, ik heb het zelf gezien.)
MOETEN
maar ik moet over de maan en
EN VOORBIJ DE VELDEN HET BOS
We vertrokken vroeg en hadden er niet op gerekend dat de paden zo steil en zo glibberig waren: veel natte keien, veel modder waar het water in dunne stralen doorheen liep.Plots riep hij: ‘Goh, een edelweiss!’ en ik antwoordde ‘Jaja, verdorie!’ want mijn linkervoet zat gekneld tussen twee spitse stenen en ik kon niet meer
maar hij kwam terug tot bij mij en was slimmer en sterker dan ik, rukte eerst aan de ene en dan aan de andere steen tot er beweging in kwam. Met wat wringen en plooien kon ik weer voort. ‘Kom, kom dan toch kijken!’ riep hij en ik moest hem snel volgen, naar die grijsgroene melkwitte bloem, de gedoodverfde pracht van de bergen. Ik geeuwde
dat ik honger had, maar we moesten nog zeker een uur. ‘In de hut zal het lekker warm zijn,’ zei hij, ‘en het uitzicht over de vallei, en de hoge witte wonderen der natuur.’ ‘Ik wil er een beklimmen,’ zei ik, maar hij lachte dat de hoge kammen niks voor een beginneling waren, ‘Jij kunt dat niet,’ beweerde hij en ik zweeg.
De volgende ochtend was ik alleen. In de verte zag ik de hoogste der hoge. Ik stapte flink door en keek geen enkele keer achterom. Een van de echte klimmers die ik onderweg tegenkwam vroeg of ik wist wat ik deed maar ik gebaarde dat ik hem niet begreep. De kop warme chocolademelk nam ik graag aan, ik dronk gretig en knikte dankbaar. Ik zette mijn eenzame tocht verder, tot helemaal boven en ik daalde zonder ongelukken weer af.
Drie dagen later was ik elders. De grote, knolachtige stammen van de woestijnrozen stonden klaar om op de uiteinden van hun frisse, groene takken een pracht aan bloemen te tonen en niet veel later werd ik beloond: felroze met wit, twee, drie weken lang. Daarna knipte ik zonder pardon de takken weg. Ja, ja, ik was voorzichtig, je hoeft me niet op het gif te wijzen.
Vandaag ben ik thuis en mag ik zeggen dat de stammen vol nieuw, monter groen staan. De takken zullen terug groeien, zij en ik wachten op het licht van de zomer en op de bloemen. Je ziet, de knollen overleefden mijn laatste tocht en vonden een goede plaats, hier, waar ik woon. Zij en ik hebben uitzicht op de velden, aan dit raam op het zuidoosten. Ze staan bij de bijzondere orchids, in de warmte, binnen, maar zonder te overdrijven.
MET EEN ZACHT VLOERKLEED, MISSCHIEN
De jongste dochter heeft geen vriend en iedereen vraagt altijd of het nog niet gelukt is en of ze alleen wil blijven, misschien.
En als ze dan wel een of andere mooie man aan de haak heeft geslagen, meestal voor even, dan worden dadelijk de andere vragen afgevuurd, of er al een datum is, en hoeveel kinderen, jongens of meisjes. Maar het wordt telkens niets, want in feite, tja
Ze vlijt zich languit op haar bed, staart naar het plafond, vindt alles goed zoals het is en de vragen vervelend.
Ze plooit een arm onder haar hoofd, laat haar gezicht tegen haar bovenarm rusten en sluit de ogen.
Ze droomt over een groot kasteel, met een warme woonkamer, een open haard, een bibliotheek en af en toe een vriend, meer heeft ze immers niet nodig, behalve toch ook een tuin, en een aanpalend bos, en misschien een kat en twee grote, zwarte honden om haar en het kasteel te bewaken.
Ze staat op.
De kamer is niet groot, het plafond iets te laag, ze zou de kleuren en zelfs de meubels eens kunnen veranderen.
Ze heeft een groot raam met een mooi uitzicht, de tuin, de straat, de gracht, het wandelpad naar het bos en naar het grote domein van de directeur van de pantoffelfabriek. De zoon groette haar nog, vorige donderdag, of was het woensdag? Ja, het plafond is net iets te laag, misschien een andere kleur, zodat het optisch, optisch, ze weet het niet meer, neemt haar computer en zoekt op hoe dat zit met de kleuren en hun effect op de kamer.
OVER HET LAND
De gordijnen, witter dan wit, hangen aan de wasdraad.
De boer staat aan het raam, kijkt over het land.
‘Wat is er?’ vraag zijn vrouw.
‘Niets, niets,’ zegt hij.
‘Heb je honger?’
‘Nee, nee,’ zegt hij.
Wil je iets drinken?’
‘Nee, nee,’ zegt hij.
Hij ziet zijn zonen en dochters, ze ploegen, zaaien, oogsten.
Hij ziet zijn kleinkind, twee.
‘Heb je echt geen honger?’ vraagt zij.
‘Nee, nee,’ zegt hij.
De gordijnen, witter dan wit, hangen terug waar ze horen.
De boer staat aan het raam, schuift het gordijn wat opzij, kijkt.
‘Wil je?’ vraagt zij.
‘Niets, niets,’ zegt hij.
‘Nee, nee,’ zegt hij.
Hij ziet zijn zonen en dochters, een kleinkind, twee, drie.
‘Heb je echt geen?’ vraagt zij.
‘Nee, nee,’ zegt hij.
DE VAALBLAUWE WERKBROEK, MET MODDERVLEKKEN
Op een zonnige zondagochtend, vroeg,
zegt de boer: ‘Ik ga nog wat mollen,’ en
ruilt hij zijn goeie broek voor een van de oude.
De boerin knikt. Ze ziet hem, over het erf en
na al die jaren van koeien, bieten en maïs,
krijgt ze de tranen in de ogen.
Ze loopt naar buiten, roept
‘Hier, een flesje water,’ en niet-
begrijpend neemt hij het aan.
‘Merci,’ zegt hij, maar ze ze is al terug
binnen, de patatten
BOREAS & CO
Hoor, de wind!
Hij rolt en hij tolt!
Hij raast en hij vraagt:
‘Wat met de aarde? Mijn aarde?’
Hij vraagt het de zeeën. Zij weten het niet.
Hij vraagt het de wolken. Zij weten het niet.
Hij vraagt het de zon. Ook zij weet het niet.
Hij roept en hij zoekt, hij raast en herhaalt:
‘Wat met de aarde? Wat nu met mijn aarde?’
ZELF-
En wat als het water? Wat als de oceanen, de zeeën, de orka’s, de dolfijnen, de vissen, het plankton? Het zeewier? De riffen?
Wat als de bossen? De bomen, de struiken, de velden, de planten? Ons groener dan groene gras? De paardenbloemenpluizen?
En wat als de dieren? De olifanten, de leeuwen, de nijlpaarden, de zebra’s? De koeien en paarden? De varkens? De honden en katten? De bijen en kevers? De vlinders? De mieren?
Of de vogels? De arenden en gieren? De meeuwen en ganzen? De merels? De mussen? De roodborstjes, de vinken, zelfs de papegaaien?
En wat als de mens? Ons lichaam? Ons hart, onze longen? Onze handen en voeten? Onze ogen? Onze adem, ons bloed?
Of. Deze aardbol? Onze aarde? Wat als onze aarde? Haar stromen, haar stormen, haar bergen en vulkanen, haar bergen en vlaktes? Haar levens en leven? Het onze?