FATIMA, NEXT : NOEST

ld4
LD4 van 6. Vrij naar een knipsel van een foto van Luc Dewaele. Oorspronkelijke foto op zijn pagina: Take me to church – and back (8).

Noest.
Ik.
Kijk, mijn handen.
Noest.
Ik.
In het zweet en in het eelt. Kijk, mijn handen. Noest.

Ik neem mijn
emmer, vod, mijn dweil, mijn borstel, mijn vuilblik en mijn vuilniszak.
Ik poets.
Ik neem mijn kuisproducten en mijn groene doeken, rode doeken, gele doeken, swiffer en et cetera.
Blinken doe ik, wrijven, duwen.
Blinken doe ik, wrijven, duwen.
Kijk, mijn handen, vol met eelt, mijn harde handen, noest.

 

‘Noest’ in de etymologiebank: http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/noest1

FATIMA, NOG EEN

ld3
LD3 van 6. Vrij naar een knipsel van een foto van Luc Dewaele. Oorspronkelijke foto op zijn pagina: Take me to church – and back (8).

en ik liep en liep en vond de weg niet meer terug, modderpaden, modderbaden, ik viel.
Daarna? Ik werd wakker in een schuur. De boerin had me gevonden, zei ze, en ze vroeg of ik sterk genoeg was om mee naar het huis te gaan en of ik onder de douche wou.
Ja! Dat wou ik!
Ik liet mijn schoenen op het erf staan.
Ze zei dat ik stil moest zijn. Haar man sliep. Hij had de ganse nacht gewerkt. In de badkamer was het lekker warm, zei ze, en ze gaf me propere kleren en toonde waar de handdoeken lagen.
Doe maar, zei ze.
Ik nam mijn tijd.
Ik droomde weg. Ik herbeleefde. Ik liep en liep en vond de weg niet meer terug, modderpaden, modderbaden, ik viel. Daarna? Ik werd wakker in een schuur. De boerin had me gevonden, zei ze, en ze vroeg of ik sterk genoeg was om mee naar het huis te gaan en of ik onder de douche wou.
Ja! Dat wou ik!
Ik liet mijn schoenen op het erf staan.
Ze zei dat ik stil moest zijn. Haar man sliep. Hij had de ganse nacht gewerkt. In de badkamer was het lekker warm, zei ze, en ze gaf me propere kleren en toonde waar de handdoeken lagen.
Doe maar, zei ze.
Ik nam mijn tijd.
Ik droomde weg. Ik herbeleefde. Ik liep en liep en vond de weg niet meer terug, modderpaden, modderbaden, ik viel. Daarna? Ik werd wakker in een schuur. De boerin had me gevonden, zei ze, en ze vroeg of ik sterk genoeg was om mee naar het huis te gaan en of ik onder de douche wou.
Ja! Dat wou ik!
Ik liet mijn schoenen op het erf staan.
Ze zei dat ik stil moest zijn. Haar man sliep. Hij had de ganse nacht gewerkt. In de badkamer was het lekker warm, zei ze, en ze gaf me propere kleren en toonde waar de handdoeken lagen.
Doe maar, zei ze.
Ik nam mijn tijd.
Ik droomde weg. Ik herbeleefde. Ik liep en liep en vond de weg niet meer terug, modderpaden, modderbaden, ik viel. Daarna?

FATIMA

ld2LD2 van 6. Vrij naar een knipsel van een foto van Luc Dewaele. Oorspronkelijke foto op zijn pagina: Take me to church – and back (8).

1.  FATIMA
Van mij. Helemaal. Niks af te geven. Niks te declareren. Gekregen. Ik. Het was koud. Ik bevroor. Uit de lucht komen vallen. Van mij. Ik geef niks terug. Uit de lucht, zeg ik. Nee, niet gestolen. Natuurlijk niet. Ik ben geen dief. Vast. Vasthouden. Van mij. Mijn naam staat erin. Helemaal. Ja, speciaal. Nee, niet nieuw. Nee, niet alledaags. Mijn naam. De mijne.

2. FATIMA
En ze stopten me in een kamp en ik moest bevallen en het kind is dood het was te koud er was niks er was een man die me heeft geholpen die heeft het kind
Het was zo koud het regende er was geen warm water er was geen verwarming er was geen eten er was helemaal niks.
Miezer.
Huilende kinderen. Huilende kinderen van anderen.
Het mijne is dood. Dood.

Het was te koud. Koud.

Er was niks. Niks.
Geen warmte geen licht geen liefde geen behoedzaamheid geen mensen geen hulp geen noodziekenhuis geen dokter. Geen.
Enkel die man.
Die vreemde.
Hij hielp me.
Het kind is dood.
Het is niet.

NIET HIER

ld1
LD1 van 6. Vrij naar een knipsel van een foto van Luc Dewaele. Oorspronkelijke foto op zijn pagina: Take me to church – and back (8).

Ik? Ik ben er niet. Ik ben hier niet. Ik ben niet hier.
Ik hou me gedeisd binnen mijn eigen hoofd.
Ik zie het gebouw niet, ik zie de straat niet, ik zie de stad niet, noch de wereld.
Want.
Dit bestaat niet.
Want.
Het is een reproductie.
Want.
Het is een bouwval.
Want.

Ik heb het koud, ik wil de zon. Ik trek mijn mantel uit. Ik ben niet hier. Ik ben NIET HIER. Ik heb het koud en trek mijn mantel uit en laat de zon mijn huid

Ik laat de zon mijn huid aanraken. Ik laat me door haar opnemen. Ik laat me door haar innemen. Ik baad mijn voeten in het gras en in het licht. Ik laat mijn ganse lichaam ademen. Het ademt lucht, het ademt licht, het ademt gras en groen en al de velden. Het ademt alles, maar niet hier. Het is hier koud. Het is hier niet. Het is NIET HIER.

ZE TELT DE MADELIEFJESBLAADJES, ZEGT ZE.

van gogh sterrennacht

‘Een dag, een nacht, een dag, een nacht.

Ik tel.
Ik tel de madeliefjesblaadjes.
Hoeveel dagen, nachten jou van mij en mij van jou nog zullen scheiden.
Ik tel en meet de uren, dagen en ik weet; zij zijn veel meer dan dat, zij zijn ontelbaar en onpeilbaar, zij zijn eindeloos en o, verdomd, zo eeuwig en onmeetbaar, eeuwigheid, altijd.

Want jij en ik, wij zijn

onmetelijk

gescheiden door de grote oceanen,
door de zon- en melkwegstelsels,
door het al, van zon en maan.

Onzichtbaar, onze einder.
Onbereikbaar, onaantastbaar.
Ergens, elders, nergens en onmogelijk aanwezig, maar altijd toch ook: overal.

Ik tel.
Een nacht, een dag, een nacht, een dag, maal honderdduizend, maal veertig biljoen, triljoen, maal de dieptes, maal de hoogtes. Alpen, Himalaya’s,  lavastromen, ondergrondse watervallen en de dieptes van de gouden bronnen en de al verzengende en ongeziene kern van onze aarde.

Eeuwig.

O.

En dag, een nacht, en dag, een dag, en dag, een nacht, en dag, een dag.

Ik tel.
Ik tel de madeliefjesblaadjes die ons scheiden.
Ganse velden en de vele continenten, gans de aarde en de duizenden planeten, vol wit en goud en wit en goud, en een en twee en tien en vierenveertig machten van de hogere miljoenen,

onbereikbaar, elders, nergens.
Overal maar niet te vatten, onaanraakbaar, verder dan het verre weg.’

 

Afb.: Vincent van Gogh, De Sterrennacht, 1889.
Gedoodverfde afbeelding, maar hier niet.

 

JAWEL

paul klee daemonische marionet

 

Ik wil dat nu niet doen.
Waarom niet?
Omdat ik te lui ben.
Maar je moet!
Ik moet niks.
Jawel je moet dat lezen.
Nee.
Je moet weten wat er in staat.
Nee.
Dan blijf je dom.
Dan blijf ik maar dom. Maar ik ben niet dom.
Nee, maar je moet het toch lezen.
Ik doe het niet. Later, misschien.
Mag ik daarop rekenen?
Nee. Misschien lees ik het nooit.
Maar je moet.
Ik moet niks.
Je moet het lezen.
Nee, dat moet ik niet.

*
Jawel, je moet dat kopen.
Nee.
Je moet weten wat het is om zoiets in jouw bezit te hebben.
Nee.
Dan moet je voort zonder.
Ik kan best zonder.
Dat denk jij.
Ja, dat denk ik. Nee, nog beter; ik weet honderd procent zeker, dat ik zonder kan.
Maar je kunt het later kopen.
Misschien.
Jawel, koop het later.
Ik ben dat in feite niet van plan.
Maar je moet.
Ik moet niks.
Je moet het kopen.
Nee, dat moet ik niet.

Afb.: Paul Klee, Daemonische Marionetten

LET THIS BE A LESSON. HELEMAAL LINKS HOOP OP BLAUW, MET DRIE VOGELS.

(Lecture 12, History Painting after Two World Wars: Anselm Kiefer’s Die Ungeborenen)

Waarom weet ik niet, maar het doet mijn hart sneller slaan. Het moet aan het beeld liggen, aan dit ene beeld. Ik kan er amper naar kijken. Na minder dan een halve minuut moet ik mijn blik afwenden. Ik moet aan iets anders denken. Ik kijk naar buiten, rechtsboven, ik zie een merel voorbijvliegen, ik zie de toppen van de bomen. Ik hoor de eerste auto’s van de dag.
Ik keer toch terug naar het beeld.
Ik kijk.
Ik kijk.
Ik wend mijn blik af.
Ik kijk naar buiten.
Nog een auto.
De toppen van de bomen bewegen. Amper.
Grijs.
Helemaal links hoop op blauw, met drie vogels.
Ik keer nog eens terug naar het beeld op mijn scherm, maar enkel in gedachten, en ondertussen kijk ik naar de letters en woorden die hier voorbij glijden. Ik stop met typen, even. Mijn gedachten keren nog eens terug. Ik klik het beeld weer naar voren. Ik sluit mijn ogen en heropen. Blik weg, rechtsboven, toppen van bomen, hoop op blauw nog steeds links maar nu ook rechts. Millimeters.
‘Muziek?’ denk ik. Nee, geen muziek. Links, blauw. Het beeld, nogmaals. Adem. Dieper. Blauw, links. Rest grijs. Geen auto. Wel een auto. Ik klik het beeld terug naar boven. Kijken, wachten dat geen wachten is, kijken naar buiten, blauw, blauwer, beeld, geen beeld, auto, geen auto, terug, in het beeld, uit het beeld, buiten, rechtsboven, nog meer nu.
‘Secondenwerk van het blauwe,’ denk ik.

HONDERDZEVENTIG

2016 maart 02 klein

2 maart 2016

WILD

per kirkeby new shadows V 1996

Ze was wild, ik zag het.
Superwild.
Niet enkel haar haren, niet enkel haar bewegingen. Ze was helemaal wild, binnen en buiten, ’s ochtends en ’s avonds, ’s nachts

Ik moest ophouden met over haar te fantaseren.
Ik keek.
Ik keek langer en beter. Dieper.

Ik zag haar wildheid, diep binnenin haar lijf. Hoe ze naar buiten wou. Dat ze wou lopen, springen en dansen. Dat ze wou roepen en schreeuwen. Dat ze wou juichen, joelen, vrijen, tot

Ik zag diezelfde wildheid alle kleuren van de regenboog krijgen.
Duizenden regenbogen tegelijkertijd, en de kleuren schitterden, liepen over en onder en door elkaar heen, in parelende groottes, in ontploffende combinaties, in veel meer dan het diepste blauw en het meest zilveren grijs en groen en oker en som maar op zoals alle brave mensen zouden doen…
Maar hun woorden volstaan niet, noch hun ogen.
Zouden ze het kunnen zien? De kleuren? De kracht? Dat haar wildheid?

Ik zag haar lopen.
Zelf bleef ik staan.
Ik hield mijn adem in.
Haar wildheid kristalliseerde.
Ze vervormde, ze vormde, ze bolsterde, ze ontbolsterde.
Haar wildheid werd een ruwe diamant.
Haar wildheid nam weer al die kleuren
Haar wildheid werd miljoenen mensen, bossen, bergen, zeeën, dansen, vulkanen, fragmenten. Overal verspreid tot ver buiten de stad waar we ons in bevonden.

Wild, zeg ik je.
Wildheid, zeg ik je.

In al haar pracht.
Langzaam. Zo zeker. Zo onmetelijk. Zo krachtig.
Omgeven door een beschermende mantel.
Blootgelegd, voor diegenen die kunnen en willen.
Bolster, ontbolster.

Zij.
Met haar oneindige flitsende fragmenten, met evenveel zandkorrels die schitteren in de woestijnen, die niet langer zandkorrels zijn, maar goud, meer goud, wit goud, bergen goud, vulkanen met al het goud van alle banken en mijnen en rivieren van de wereld, smeltend tot lava.
Zo wild.
My god.
Het goud, de kleuren, de vulkanen. Zo wild.

Zij, goud, kleuren, zandkorrels, witgoud.

(Afb.: Per Kirkeby, New Shadows V, 1996)

ROOD

Dekalog

 

Hun agenda’s met veel rood zijn passé.

Nu zitten ze daar.
Zij: met een breiwerk, met een lappendeken, met een kruiswoordpuzzel.
Hij: met het voetbal.

Er is te weinig voetbal op tv, vindt hij.
Hij gooit met de afstandsbediening. Twee minuten later zegt hij dat het hem spijt. De volgende dag gooit hij terug met de afstandsbediening, zegt twee minuten later dat het hem spijt, neemt een duurder kabelabonnement, kan vanaf dan de klok rond voetbal kijken, juichen, boos zijn op een speler, boos zijn op een trainer, juichen, geeuwen, matchen een tweede keer bekijken, ’s ochtends en overdag en zelfs ’s nachts.

Zij bereidt nog altijd de maaltijden.
Hij heeft honger, hij heeft geen honger, hij wil een glas wijn bij het eten, hij wil een glas cognac na het eten, en in de namiddag, en ’s avonds, twee.

De batterijen van de afstandsbediening zijn plat, er zijn geen batterijen meer in huis, hij gooit met de afstandsbediening, hij zegt dat het hem spijt, zij zegt dat het haar spijt, misschien hebben de buren?

En op haar pantoffels klimt ze naar de hogere verdieping en belt ze aan bij de jongere buren.
Maria, Maria, wat doe je toch? vragen ze, het is al zo laat!
Maar ik moet batterijen, zegt Maria, hebben jullie?
En de bovenburen gaan mee naar beneden en steken de nieuwe batterijen.

Hij kijkt weer naar het voetbal en glimlacht en bedankt.
Zij vraagt of de jonge bovenburen ook een cognac?
Maar zij zeggen nee, dank je Maria, en dat het fijn is dat hij nu terug televisie en ja, voetbal is belangrijk, de mensen, zie je, en ze nemen afscheid want het is al laat en Maria neemt haar breiwerk en tikt tikt of zou ze kruiswoorden? maar gaat dan toch slapen. En hij juicht want een doelpunt en waar is de fles weer? Maria?

 

Afb.: Still uit een van de Dekalogen van Kieslowski.