Je bent niets veranderd, zei hij.
Jawel, zei zij. Ik ben vijf jaar ouder.
En mooier, zei hij. Nog mooier. Weer raakte hij bijna haar wang aan.
EN HET LICHT, ZEI HIJ
Ze knikte. Ik weet het nog, zei ze, we waren met meer dan twintig.
Ja maar jij stond daar alleen, en ik zag jou en je haren en de wind en het licht, zei hij.
Ja, zei zij.
6/9
TOEN, TOEN
Ik heb vaak aan je gedacht, zei hij. Die dag van het licht, weet je nog, toen, aan de Oosterschelde? Iedereen zat binnen en ik zag jou op het gras aan de uitgang van de haven, je keek naar de zeilboten. De zon en de wind speelden hun spel met je haren, ik kwam tot bij jou gelopen, weet je dat nog? Ik was buiten adem.
5/9
LUISTERDE LUISTERDE
Hoe gaat het met je ouders? En met je broer? Maar vooral, hoe gaat het met jou? Woon je terug in de Dorpsstraat? Nee? In een appartementje, zeg je? In de Holle Eikstraat? Ja, daar is het mooi, zei hij.
Ze luisterde luisterde en liet zijn stem diep in zich doordringen.
4/9
ONHANDIG
Ik ga, ik ga niet, ik ga, ik ga niet, twijfelde ze.
Ze ging.
Hij stond haar op te wachten.
Je bent mooi, zei hij.
Dank je, antwoordde ze.
Daar stonden ze dan, onhandig, verlegen.
3/9
BRANDEN
Morgen? Misschien. Ze was nog niet zeker. Ze zou hem een bericht sturen. Of niet. Gewoon zwijgen? Maar ze voelde zijn ogen nog branden in de hare, ze zag nog zijn glimlach, zijn blijdschap.
2/9
BIJNA
Maar hij was gehaast, zei hij, hij moest immers nog langs de boomgaard en het was al halfzes. Maar morgen wil ik je terugzien, kan dat? vroeg hij, en hij raakte bijna haar wang aan.
Ze knikte. Meer dan dat kon ze niet, ze had een krop in haar keel en ze voelde de tranen prikken.
1/9
HET IS HETZELFDE WATER
Weet je nog?
7 uur ’s ochtends, Le Sud, we zwommen en we hadden het water, het strand, het licht en de wereld voor ons alleen. De onmetelijkheid! Van het bestaan! Van de wereld! Hoe het water, de warmte, het licht en de lucht ons droegen!
Nu, jaren later, draagt en herbergt het water hun lichamen. Ze vochten en vechten, werden en worden gekocht, moesten en moeten grote sommen betalen, wisten of weten niet wat hen te wachten stond of staat en legden of leggen hun levens en kinderen in de handen van kwaadwillige dragers. Ze werden, worden gepropt en geslagen. Ze verdronken, verdrinken, ze stierven en sterven.
Het is hetzelfde water.
Onze zee is diezelfde zee, de golven zijn de golven en het licht het licht. Het water, de stranden, de zon en de wereld, zij zijn wat ze waren en zijn.
Hetzelfde toen, hetzelfde de laatste jaren en nu. Het is hetzelfde water.
EN WAT WE NOG HEBBEN
En zo.
Wordt gepropt.
In een vierkant:
De schoonheid.
De kleuren: geel rood roze groen blauw oranje oker het mooie taupe maar ook gebroken wit, fuchsia, donkergroen, nachtblauw en daarnaast de anjers en rozen en fresia’s en oleanders en de beukenhagen naast de notelaars en de essen en eiken. Vlakbij enkele springkastelen voor de kinderen en de pantoffels die ze zelf kozen en en en de langstdurende pyjamadagen in zachte sofa’s of in grote, warme tuinen met veelkleurige ballen en voor de groten heerlijke maaltijden en alle mogelijke vriendschappen en zomerse dagen en nachten met silhouetten van hoge bomen en de fonkelende sterren er vlak boven. En mix al de kleuren, kastelen en dagen met vijfenvijftig struiken van ieder vijfenvijftig margrieten (ze sterven uit maar voorlopig nog niet) en zeldzame vlinders in november of die van Nabokov, op papier. En mix voort met de boeken (het volledige proza van Poe, het Beginners van Carver en en en, en gedichten van Pavese en rode stenen en nog meer warme boeken of lachend of lief, naast een handwerk van draden en spelden van vissen en zeepaardjes, van naaisters en bakkers, van wegenwerkers en kraanmannen, van ballerina’s, toneelmeesters, vrachtwagenchauffeurs en vroedvrouwen.
Prop het leven en de hollende mensen en alles wat ze kunnen en liefhebben maar prop ook wat ze voelen nog, soms, als de haast weer voorbij lijkt, voor even.
Plus giraffen en tijgers en leeuwen plus alle katten en cavia’s en honden en al het gezelschap dat we willen, van dieren, van mensen, naast stiltes, naast niets.
En wat we nog hebben, al de joelende kinderen, al de bevende ouderen en ze lezen nog boeken of ze luisteren naar schlagers en mompelen mee maar ze zijn blij en gelukkig, nog even. En jongen en ouden kleuren de prenten, binnen en buiten de randen, voor altijd en graag, levenslustig, en helemaal gratis.
EN NOG EEN KLAVER
Maar van wat? vraagt hij.
Het is het eerste kwartier, zegt zij.
Van een man? vraagt hij.
En het is een heldere nacht, zegt zij.
Of van een vrouw? vraagt hij.
Kijk, nog late wandelaars, zegt zij.
Of van een kind, of van een ouder? vraagt hij.
En morgen, morgen is het een feestdag, zegt zij.
Of van de wereld? Van het gewicht? vraagt hij.
En er zijn nog madelieven, nog enkele, zegt zij. En nog een klaver, hier en daar.