(IN KOOR)

We staan ’s ochtends op. We maken ons klaar en ontbijten. We poetsen onze tanden. We vertrekken naar het werk. We werken. We lunchen. We werken. We rijden naar huis. We eten soep met een boterham. We poetsen wat, we doen wat administratie, we lezen wat, we luisteren wat naar de radio en we kijken wat televisie. We gaan naar bed.
We staan ’s ochtends op. We maken ons klaar en ontbijten. We poetsen onze tanden. We vertrekken naar het werk. We werken. We lunchen. We werken. We rijden naar huis. We eten soep met een boterham. We poetsen wat, we doen wat administratie, we lezen wat, we luisteren wat naar de radio en we kijken wat televisie. We gaan naar bed.
We staan ’s ochtends op. We maken ons klaar en ontbijten. We poetsen onze tanden. We vertrekken naar het werk. We werken. We lunchen. We werken. We rijden naar huis. We eten soep met een boterham. We poetsen wat, we doen wat administratie, we lezen wat, we luisteren wat naar de radio en we kijken wat televisie. We gaan naar bed.
We staan ’s ochtends op. We maken ons klaar en ontbijten. We poetsen onze tanden. We vertrekken naar het werk. We werken. We lunchen. We werken. We rijden naar huis. We eten soep met een boterham. We poetsen wat, we doen wat administratie, we lezen wat, we luisteren wat naar de radio en we kijken wat televisie. We gaan naar bed.

TOT DE ZOVEELSTE MACHT

Ik ben minister nummer achtenzestig.
Ik ben van plan om mijn naam in de geschiedenisboeken te laten schrijven en ik weet sinds gisteren hoe ik dat zal doen.
Ik wil namelijk wet nummer driehonderdvijfentwintig laten goedkeuren en er voor zorgen dat die wet altijd en overal toegepast wordt, en dat die de gang van zaken in ons landje compleet ondersteboven werpt.
Dat is mijn doel, dat is mijn taak.
Ik moet zeggen dat die taak me op mijn lijf geschreven staat. Ik geloof er in. Ik geloof ook in mijn naam die in de geschiedenisboeken zal verschijnen. Ik wil en ik moet volhouden, ik zal me er in vastbijten, ik mag er bij doodvallen maar mijn zin en die wet wil ik krijgen.

De burgers? Die moeten gehoorzamen. Die moeten de wet volgen. Wetten zijn nu eenmaal wetten en wees maar zeker: ze zullen mij en mijn wet volgen, strikt, blindelings en misschien zelfs onder luid applaus. Ik reken op hun volgzaamheid en op hun bewondering, op hun onwrikbare vertrouwen in mijn wet en in mezelf.