GROEN ROOD ORANJE BRUIN WIT

Ze zag de groene specht. Plots vloog hij met een grote boog naar het bos.
De volgende middag zag ze hem weer.
De derde dag keek hij haar aan. Hij wenkte.
‘Hoe gaat het met jullie?’ vroeg hij.
‘Dank je, het gaat,’ antwoordde ze.
‘Nochtans. Ik hoorde dat al het andere pittig is,’ zei hij.
Ze zweeg.
‘Veel drukte, veel gedoe, veel druk,’ zei hij.
‘Ja. Pittig dus.’ zei ze.
‘Lukt het een beetje?’ vroeg hij.
‘Ja. Ja. Een beetje,’ twijfelde ze.
‘Ben je goed voorbereid voor maandag?’ vroeg hij.
‘Ik heb een bundel. Ik moet nog wat printen en ik zal een paar verduidelijkingen noteren. Het wordt een dik dossier,’ zei ze.
‘Zal het helpen?’ vroeg hij.
‘Ik weet het niet,’ zei ze.
‘Ben je bang?’
Ze zweeg.
‘Ben je bang?’ herhaalde hij.
‘Soms wel,’ zei ze. ‘Ik ken de gevolgen niet. Meester T. zei dat het gevaarlijk kan worden.’
‘Maar je moet dit doen,’ zei hij.
‘Ja. Ik moet. Wij moeten. Samen zijn we hopelijk sterk genoeg.’
‘Zie je het mooie nog?’ vroeg hij.
‘O ja. Misschien niet vaak genoeg, of niet alles. Maar toch. Ik zie iedere dag de klaprozen in het veld, de kamperfoelie die straks vol bloemen staat, de notelaar die het laatste jaar enorm gegroeid is. We zullen veel noten hebben. En gisteren zag ik een van de kwikstaartjes. En de spechten.’
‘Veel goede moed,’ zei onze groene specht. Hij vloog met een grote boog naar het bos.

EN DAN LINKS

‘We gaan naar het water,’ zei hij.
‘Ik hoop dat de zon schijnt’, zei zij.
‘Ik denk het wel,’ zei hij.
‘Voor de glinsters op het water, en voor de bootjes en de vissers,’ zei zij.
‘Maar het uitzicht zal niet meer hetzelfde zijn,’ zei hij.
‘Nee, want die vakantiewoningen,’ zei zij.
‘En de hoogbouw,’ zei hij.
‘Maar we kunnen naar het brugje wandelen, zo de haven in, voorbij het havencafé, het tweede brugje over en dan links, tot op het einde?’ vroeg zij.
‘Ja, ik denk dat dat beter is. Onbelemmerd uitzicht,’ zei hij.
‘Ja, op het glinsterende water,’ zei zij.

756

Beste mijnheer Macharis,
Praten kan ik niet.
Schrijven ook niet.
Vanochtend verplicht ik mezelf om u een korte update te sturen.
Ik deed 1001 dingen. Er resten nog 758 andere dingen. Het einde is in zicht.
Mijn keel zat dicht. Mijn lijf, hoofd en hart zaten dicht. Op sommige dagen kon ik zelfs niet meer luisteren en kijken. Zo ingekapseld in een grote blok beton, zat ik – misschien.
(Hier neem ik even een pauze. Dit schrijven vraagt moeite, vermoeit me)
Ondertussen: 757.
Ook het ademen ging en gaat moeilijk. Soms amper.
Maar goed.
Deze kleine update is me gelukt. Hij zat al twee dagen in mijn hoofd.
En ondertussen zag ik het bijzondere blauwe van de nacht, boven en voorbij de bomen.
1 keer zag ik zelfs de glinsteringen – de zon op het jonge bladergestel.
Ik zag (en was me bewust van) de minder grote stapels.
En de kleuren. Ik kreeg en zag de kleuren. Ik kon mijn ogen er laten aan wennen. Meteen wist ik: Het kan nog.
Nu is het tijd voor een kop koffie. Daarna zal ik 757 doen. Ik tel af, ziet u.
Veel groeten,
Eliane.

HET (IN KLEUREN EN GEUREN)

HET vliegt en fladdert kriskras door de kamer.

HET verspreidt zijn geur en kleur echt overal.

HET wordt ineens! geraakt door het zonlicht.

De kleuren en geuren versterken! en HET geniet van de warmte.

HET blinkt van het vele licht.

HET is in zijn nopjes en blijft even stil hangen.

Even later:
HET vliegt en HET fladdert weer vrolijk en kriskras door de kamer.

HET verspreidt zijn sterkere geuren en kleuren echt overal.

TE

het woeste water
de hoge golven
een surfer

de hoge golven
het woeste water
de hoge golven

een surfer
het woeste water
een surfer

de hoge golven
het woeste water
een surfer

de hoge golven
een surfer
het woeste water

het woeste water
de hoge golven
de hoge golven

het woeste water
de hoge golven
de hoge golven

het woeste
het woeste

EINDELOOS

‘Wat is dat?’ vroeg ik.
‘Wat is wat?’ vroeg ze.
‘Daar!’
In de linker muur van haar woonkamer was een barst, vanaf de plint onderaan, een paar millimeter breed, en die barst liep tot ongeveer anderhalve meter hoog.
‘Oei,’ zei mijn vriendin.
Ik bestudeerde de barst van dichtbij, ze was zeker vier of vijf centimeter diep.
‘Die is er nog maar pas,’ zei ze.
Ik liep de kamer uit, bekeek de achterkant van de muur, in de hall. Vreemd genoeg begon deze barst op de hoogte waar ze in de woonkamer eindigde. Ze liep voort over het plafond, langs de muur aan de overkant weer naar beneden, tot een halve meter hoogte.
‘Zijn je buren thuis?’ vroeg ik.
‘Heum, dat weet ik niet. Dat kan. Misschien zijn ze met de dochter  ’
Ik was al op weg, opende de voordeur en belde aan bij de buren.
‘Heeft u ook barsten, meneer?’ vroeg ik. Ik gebaarde naar de rechtse muur in de hall. De man wist niet wat er gebeurde.
‘Ja ik zie het al,’ zei ik. De barst herbegon hier op een halve meter hoogte, volgde de hall over diezelfde hoogte en stopte halverwege de linkermuur.
‘Mag ik?’ vroeg ik, maar zonder op zijn antwoord te wachten deed ik de deur naar de woonkamer al open. Daar was ze, richting plafond, voort over het plafond, recht naar de andere kant van de woonkamer. Dan naar beneden maar niet ver; twintig centimeter.
‘Wat is er hiernaast? Uw garage? Hoe geraak ik daar?’ Maar ik was al in de keuken en vond de deur naar de berging, daar de deur naar de garage. Ik vond en volgde het barst-spoor. Twintig centimeter van het plafond, richting de straat, achter een van de stapelrekken en ze kwam net voor de poort weer tevoorschijn. Ze liep tot in de hoek, terug naar boven, over het plafond naar de volgende muur.
‘Doet u uw poort even open?’
In het aanpalende huis volgde ik een gelijkaardig pad. De barst vervolgde haar weg langs de muren van de garage, zo naar de woonkamer, naar de hall, naar de hall van de buren van het volgende huis. De barst begon telkens waar ze in de achterkant van de muren eindigde, liep voort, en voort, tot het laatste huis op de hoek van de straat.

Ik stond buiten en telde.
‘Acht huizen,’ zei ik.
Mijn vriendin en een paar van haar buren waren me gevolgd.
‘En nu?’ vroeg iemand.
‘Klacht indienen,’ zei een andere.
‘De verzekering,’ zei nog iemand anders.

Ik stak de straat over en belde aan bij het eerste huis aan de overkant.
‘Mag ik?’ ik duwde de bewoonster gedecideerd opzij.
Ik slikte.
De barst herbegon in de muur links van haar voordeur, kroop langs de hoeken, stopte halverwege de overkant.
Ik vroeg me af wat dit te betekenen had, schraapte mijn keel en liep de woonkamer in.

DAT KLOPT ALS EEN BUS

Het klopt hoor.
Als een bus, zo’n bus van vroeger.
Het licht wordt lichter dus het stijgt. In deze mini-story (de vorige txt) wordt het licht, door lichter te worden en te stijgen, tegelijkertijd feller want meer geconcentreerd.
Yep.
Daardoor wordt het blauw blauwer en het groen groener. En de vogels laten zich welwillend meevoeren door de stijgende lichtheid van het licht.
De bomen zijn mee in het verhaal en groeien, groeien, worden nog sterker dan ze al waren, het zijn enorme en gezonde kolossen. Misschien zeggen ze [de bomen] tegen de mens: ‘Wij. Wij zijn belangrijk. Zie je onze grootte, onze sterkte?’
Misschien denken de bloemen hetzelfde en verspreiden zij zich massaal om te tonen dat ze de wereld aankunnen, dat ze alles kleur kunnen geven. Er zijn nu veel van die lelijke paarse viooltjes (ja, sorry, ik vind die lelijk) maar ook gele en voor de gelegenheid zelfs witte. Grootbloemige. Zelf zie ik liever de bosviooltjes maar ik heb het hier nu eenmaal niet voor het zeggen. De bloemen kiezen helemaal zelf.
Er zijn ook oranje gerbera’s en roze erysimums. Geen idee hoe ik ‘erysimums’ moest spellen, ik keek even op Google. Eerst niet, want ik was te lui. De namen zijn niet belangrijk, enkel de kleuren en de bloemen. En het licht en de lichtheid van het licht, en de bomen en vogels natuurlijk.

En dan de mens. Wat doet de mens? Wie is de mens? Waar is de mens? Op dit uur latere uur van de dag waarschijnlijk zit hij ofwel aan tafel (borden, glazen, bestek, dienschotels met allerlei) of languit in de sofa. Misschien leest hij. Leest hij? WTF doet hij?

(De uitdrukking is dus al zo’n anderhalve eeuw in gebruik‘)

DIEP, DIEPER

Licht, lichter.
Blauw, blauwer.
Groen, groener.

Vogels, hoger.
Bomen, groter. Stérker.
Bloemen, overal.

Mens.
Mensen.
Mensen.

HET IS DE SCHULD VAN DE JEUGD

Eergisteren J.
Jong, student, rijdt met een sportief ogende 125cc, draagt netjes de vereiste motokleding inbegrepen goeie laarzen en handschoenen, maar over zijn motorpak draagt hij een zo’n fameuze onesie. Een donzige blauwe, met vinnen op de rug. Daarbij hoort ook een ‘overtrek’ van zijn helm, even donzig en blauw, en met oren.
Als we zoiets zien, dan denken en zeggen we ‘aiai’ en zijn we benieuwd welke vreemde vogel onder die vermomming zit.
J. leek verlegen. Beleefd. Onwennig.
‘Mijn moto heeft een herstelling nodig. Het rijden moet veilig blijven.’

Gisteren kwam hij zijn 125cc terughalen.
‘J., die onesie, dat is echt een opvallende uitrusting,’ zegden we.
‘Ja,’ zei hij. ‘Ik rijd graag, ik reed op drie maanden tijd al drieduizend kilometer en ik maak het met mijn blauwe overpakje extra plezierig, de politie hield me hier in Londerzeel vorige week staande, controleerde mijn documenten, vroeg of ik me wel aan alle regels hield, jaja zei ik, ik rijd altijd voorzichtig en nooit te snel. Oké vertrek maar, zegden de politiemannen, maar laat je door je vrienden niet uitdagen tot stoer rijgedrag en ik zei daarop dat ik dat nooit doe en dat ik hier zelfs helemaal geen vrienden heb, snif, ik ken hier niemand, snifsnif, zei ik en ik lachte maar zei ik ken hier echt niemand.’
Hij had twinkelingen in zijn ogen.
‘Ik moet straks naar Kortrijk, naar een trouwfeest en ik zal mijn nette pak onder mijn motokleding dragen, hahaha, en ik rijd supergraag met de moto en het wordt mooi weer.’
‘J., het is echt nodig dat je je oliepeil wat meer controleert, zeker als je langere ritten rijdt,’ zei Bart.
‘Oei ja, dat vergeet ik dikwijls, ik weet ook niet of ik dat wel correct doe.’
Bart liep mee naar buiten, tot bij de moto. Ik zag de lichaamstaal van beiden. Ze lachten.
Ze kwamen terug binnen, J.’s helm lag nog op de toonbank en hij moest nog betalen. Of dat ook met zijn telefoon kon?
‘Ja, natuurlijk,’ zei ik.
‘Nu rijd ik naar huis en moet ik douchen en mijn nette pak aantrekken,’ zei hij. Hij nam zijn donzigblauwe helm, bedankte ons nog uitvoerig, gespte zijn helm vast en startte zijn motor.

‘IRL’. Alles met de tag ‘irl’ is grotendeels echt gebeurd. Ik weet niet of ik de lees- en werkverhalen zal voortzetten. We zien wel.