SOEPEL

“Niks, ik kan geen piano spelen, soms denk ik dat ik het kan en dan bewegen mijn vingers, ze lijken jong en soepel en ze bewegen mee met de klanken van de watervallen van Chopin, ken je Chopin?”
“Ja, Jef, ik ken de naam maar zijn muziek ken ik niet.”
“Vooral piano. Meer weet ik niet. Misschien componeerde hij ook voor andere instrumenten maar als ik zijn naam hoor, dan denk ik ‘piano’ en ‘waterval’. Altijd.”
Jef neuriet, Nikki luistert.
“Nee, Jef, ik ken dat niet. Ben jij een muziekkenner dan?”
“Nee, Nikki, ik ken niks, ik weet niks, ik hoor alleen de watervallen in de muziek, en soms de rivieren.”

square three
ill: Marc Van Eenaeme, ‘Square three’.

Advertenties

AAP

“Als een aap in een boom. Ik zal wat slingeren. Dus: ik verhuis. Ik huur een camion, ik laad mijn meubels in, ik kies een onbewoond eiland, ik zet mijn sofa, mijn tafel en mijn bed daar. Om het uur slinger ik, om het andere uur zwem ik, om het nog andere uur zit ik gewoon maar over de oceaan te staren. En ik neem de paarden mee.”
(zegt Jef)

square two
ill: Marc Van Eenaeme, ‘Square two’.

ACHTER

“Een etentje.”
“Jef, wat zeg je? Je murmelt.”
“Een etentje, Nikki. Het was op een etentje.”
“Wat, Jef?”
“Ergens in Brussel. Het was warm in het restaurant. Het was er druk. Ik vluchtte naar buiten – er was een terras. En zicht op achterkanten van appartementsgebouwen. Vuilniszakken. Vergeten wasgoed. Een bal. Klimop. Muurbloemen.”
“Ja, Jef?”
“Tja, Nikki. Het uitzicht op de appartementen van al die mensen raakte me. Net alsof ik duizenden foto’s van achterkanten van levens zag. Vergeten achteraanzichten. Gespikkeld bruin en grijs en zwart en hier en daar een bal en een windvlieger, of een batmankostuum – de kleuren van de kinderen, ook zij zaten in die achteraanzichten.”

square one
ill: Marc Van Eenaeme, ‘Square one’.

DREK

“Viezigheid, vuiligheid, stank, beschimmelde proppen papier, nooit verdwijnende pampers, smeerlapperij.”
“Jef, wat is er aan de hand?”
“Het is een hoop drek, Nikki. Al ons afval. Het is drek.”
“Ja maar, Jef!?”
“Niks te maren, Nikki. We kopen een stuk vlees, een krop sla, we steken alles in een plastiek zak, nemen het mee naar huis, doen er dit en dat mee en het afval is drek.”
“Ja maar, Jef!”
“Niks, Nikki. Een spoor van drek, dat laten we na. Verpakkingen, autobanden, uitlaatgassen.”
“Jef, maar je moet dat uit je hoofd zetten. Je moet toch eten, je moet toch rijden, soms?”
“Ja, Nikki. We moeten vanalles. En de drek blijft en drijft boven.”

Ref: Don DeLillo, Onderwereld, blz. 302+

249 Bram klein
Illustratie: Bram Brioen, voor Merel en Mus.

ANABEL: ‘MAAR LIEFDE DE LIEFDE’

Haar hart daverde maar ze wist:
dat bomen de bomen
en gras het gras
‘Maar liefde de liefde?’ vroeg ze, want ze twijfelde.
Hoe, waar, wanneer, wie, nu, straks, gisteren, morgen, hoe lang, hoe diep, hoe groot?

‘Mijn lieve liefste,’ zuchtte ze,
‘Mijn hart, mijn schat, mijn alles, mijn licht. Mijn grootste, mijn knapste, mijn adem, mijn lucht, mijn leven, mijn goud, mijn zilver, mijn duizend.’

Ze huilde.
‘De liefde de liefde?’ vroeg ze, want ze twijfelde.
Hoe, waar, wanneer, hoe lang, hoe groot?
Want ze wist, ze wist niet, ze wist niets, noch nu, noch morgen, noch wat, noch hoe.

Ze huilde niet meer.
Want ‘De liefde de liefde?’ wist ze.
Ze plukte een madelief, ze plukte een roos, ze plukte een bos.
Ze zuchtte, ze lachte, want ‘De liefde de liefde?’ wist ze
en ze plukte nog meer en ze vlijde zich neer en wist dat het hart en de lucht en het goud en het diepste en grootste

in bloemen, veel meer.

madelief leen
Illustratie : Leen Verlinden.

UIT DE MIERENKOLONIE

en met de juiste ingesteldheid kan een mier makkelijk een olifant worden;

Een mier wandelt weg uit haar kolonie, zeg maar dat ze plots beseft dat ze een ‘ik’ is, en niet langer (of niet alleen) een onderdeel van die grote kolonie.
Bon.
De mier gaat dus op wandel, ontmoet een aap, een hond, een papegaai. De mier ontmoet ook een stoel (inderdaad), vindt de stoel interessant en begint aan een klimtocht, langs de poten van de stoel, helemaal tot boven. Daar heeft ze een goed uitzicht. Ze ziet een speelweide, een bos en drie olifanten.
‘Wauw, die beesten zijn groot,’ zegt de mier. ‘Zo groot wil ik ook worden!’
En de mier eet en eet (bananen, bosbessen, 1 koteletje per dag) en beweegt zo veel mogelijk om haar lichaamsgroei te bevorderen: ze loopt iedere dag drie kilometer, ze vertrekt voor drie weken op skiverlof en met regelmaat van de klok doet ze haar yoga-oefeningen.

En zo groeit ze, en zo wordt ze een olifant en kan ze op wandel met die drie andere olifanten.
De mier heeft nu een grote stal in de Zoo van Antwerpen en ze krijgt alle dagen veel bezoek. Ze bezorgt de Zoo van Antwerpen extra publiciteit en vooral subsidies. Een Mier Die Olifant Werd En Nu In De Zoo Van Antwerpen Verblijft, dat is immers niet niks.

DAY

 

Ik heb het haar willen vertellen maar ik heb mijn mond gehouden.
Ik denk dat er vandaag de dag genoeg te doen is rond vrouwenemancipatie. Rond de onderdanigheid. Rond het vermijden, daarvan.
Je moet alleen maar goed kijken.
Je moet ook willen kijken.
Je kunt ook oogkleppen ophebben, of willen. Misschien zijn ze veilig? Misschien zijn ze niet veilig?

Het komt er, misschien, op neer, om zelf de keuze te (kunnen/mogen/willen) maken.
‘Zelf’ zou benadrukt moeten worden. Uitgelicht. Belicht.

Het is hier goed vertoeven – het is twintig over zeven, tweeëntwintig, de zon laat zich nog niet zien maar ze kleurt de hemel. Ik kan kiezen voor Bach, of voor Lou Reed. Ik kan hen laten schallen, ik kan hen zacht op de achtergrond laten.
Minstens 1 gans vliegt over en wekt, daardoor, minstens een van de buren, misschien.

Misschien heeft geluk alles te maken met het zien van de zon die de hemel nu nog niet opeist, maar straks wel.
Misschien heeft geluk alles te maken met het horen van de ganzen, en met het zich kunnen inbeelden van buurmannen of –vrouwen die geeuwen en zich uitrekken en nog even voort slapen, of niet.
Misschien heeft geluk alles te maken met het kunnen horen van die overvliegende gans, of ganzen.

Een auto rijdt voorbij. Wie vertrekt er op reis, of wie rijdt er naar de bakker?

Minstens vier vliegtuigen vlogen reeds over. Ik zie hun sporen. Eerder dan nu keek ik niet – niet steil omhoog, ik keek enkel naar de omgeving van de zon, die nog niet was, maar nu wel, en die dwingend, mag ik zeggen, de hemel opeist.