EEN, TWEE, EEN, TWEE

Jef dacht:
“Ge kunt uw ogen tot over de weide laten priemen en dan, recht het bos en de bomen in, tot op de takken en de bladeren, de vogels en hun nesten zien, en dan terug naar beneden, de schors volgend, tot de wortels, diep de grond in, als ge maar wilt, en terug naar boven, en dan kunt ge terug naar de weide en dan weer het bos in, langs de schors van de boom, omhoog, tot waar een uil, en zo voort. En zo kunt ge, behalve de weide en het bos, alles vergeten, de slechte maar ook de goeie dingen, en ge ziet alleen nog de bomen en vogels, niks anders. En sommige mensen duiken dan eerder in hun postzegelverzameling, of in een andere hobby, hun paarden misschien, of hun tuin, of goeie muziek, of ze springen op hun moto en vergeten alles behalve de straat en het gestamp van de motor, en dan wuiven ze alleen naar andere motorrijders, zo maar, omdat de wereld anders is voor een paar minuten, of een uur, of een dag.”

In gedachten keerde Jef nu toch zijn rug naar dat bos en stapte hij op de fiets en van zijn fiets in een mooie blinkende auto en met de auto naar een zwembad en baantjes trekken een uur, twee uur, alsof hij nog twintig was, en dan, met natte haren, terug de auto in en naar de stad, naar een zonovergoten plein waar de toeristen en de kleuren van diezelfde toeristen de zondag bepalen, T-shirts, rokjes, jurkjes, jonge mannen en vrouwen, vrolijke kinderen, Jef rond het plein en in de straten, natuurlijk die ene kerk ontwijkend waar een pissijn, nee, dan maar terug de auto in en via de ringweg naar de autostrade en dan zo naar de Ardennen, daar, de motorrijders, daar, de Semois, voort, de Ourthe en haar kajakvaarders, daar, een bestelwagen, leeg, die zou de toeristen oppikken, wist Jef, hij had dat allemaal zelf gedaan, ooit, lang geleden.”
Jef zweeg.
Halfvier, de kinderen zouden dadelijk voorbijfietsen.
Jef stopte zijn pijp.

Advertenties

STUURS

“Meneer, u kijkt stuurs.”
“Stuurs? Ik kijk niet stuurs. Bovendien: ik ken u niet.”
“Nee u kent me niet. Mijn naam is Matthias. En ik vind dat u stuurs kijkt.”
“Ik kijk niet stuurs, zei ik. Dit is mijn gelaatsuitdrukking en ik wil die niet veranderen.”
“Oké meneer. Meneer, wat doet u hier in Brussel?”
“Dat zijn uw zaken niet.”
“Bent u een toerist?”
“Nee, ik ben geen toerist. En ik herhaal dat het uw zaken niet zijn.”
“Ja maar, ik dacht..”
“U hoeft niks te denken. En laat me met rust.”
“Ja maar, ik wou u enkele vragen stellen.”
“Vragen? Waarom? Ik ken u niet. Ik heb niks met u te maken en u niet met mij.”
“Vragen over u, beste meneer. Ik verzamel antwoorden.”
“Antwoorden verzamelen? Wie verzamelt er nu antwoorden? Ik heb nog nooit zoiets doms gehoord. Heeft u niks beters te doen? U zou beter een job zoeken en werken voor de kost.”
“O, wees gerust, ik werk voor de kost. Maar ik verzamel ook antwoorden. Mijn vraag voor u is, waarom u niet van de lente geniet?”
“Maar ik wandel toch door de stad?”
“Ja, maar u kijkt stuurs. U lijkt niet gelukkig.”
“Waarom zou ik gelukkig moeten zijn?”
“Ik weet het niet. Bent u niet blij?”
“Nee, ik ben niet blij, ik ben nooit blij en ik zie geen enkele reden om blij te zijn. Kent u een goede reden?”
“Ja. De lente.”
“Tja. Het mooie weer is goed meegenomen, dan hoef ik geen regenjas aan en ik voel zelf ook de warmte van de zon op mijn huid. Maar blij of gelukkig? Nee, ik zie niks op de wereld dat me nog blij kan maken.”
“Kinderen?”
“Kinderen zijn lastpakken. Ze hebben altijd honger of dorst, ze gehoorzamen meestal niet en ze maken kabaal.”
“Vakantie?”
“Vakantie is duur.”
“Mooie vrouwen?”
“Mooie vrouwen zijn ook duur.”
“Een hond? Heeft u geen huisdier?”
“Nee. Ik haat honden, ik haat katten, ik haat konijnen, tenzij in de pan.”
“Aha, u houdt van goed eten?”
“Nee. Ik eet omdat dat moet. Maar het ene gerecht smaakt me beter dan het andere.”
“Een mooie foto. Maakt een mooie foto u dan niet blij?”
“Nee. De wereld stikt van de foto’s. De mensen gooien al hun kiekjes op het grote internet en ze worden er door overspoeld en letten niet meer op de inhoud of op de kwaliteit. Vijftigduizend of vijfhonderdduizend bossen of stranden op het internet, dat is voor iedereen te veel. Of spelende kinderen. Of whatever. Voor mij hoeft dat niet.”
“Stilte? Houdt u niet van de stilte?”
“Nee. Ze doet me aan mijn eenzaamheid denken.”
“Eenzaam? Bent u eenzaam?”
“Dat zijn uw zaken niet, dat zei ik toch reeds?”
“U houdt misschien van muziek?”
“Nee.”
“Van een avond op stap, met de vrienden?”
“Ik heb geen vrienden. Ik ben alleen.”
“Helemaal alleen?”
“Inderdaad.”

De Dialogen, 7.

MAX

“Drieëndertig, vierendertig, vijfendertig,”
“Jongeman, wat doe je?”
“Ik tel de staptenen.”
“De stapstenen? Waarom?”
De jongen maakte een gebaar in de richting van de De Keizerlaan. “Daarom. Alle stenen.”
“Vijfendertig?”
“Twintigduizend en vijfendertig. Zesendertig, zevenendertig,”
“Maar waarom tel je die stenen?”
“Omdat ik ze wil tellen. Ik wil weten hoeveel het er zijn.”
“Om te weten?”
“Ja.”
“Vind je dat leuk?”
“Ja. Wacht.”
De jongen nam een papiertje en een potlood, noteerde iets, hij nam ook een stuk krijt en markeerde een steen.
“Wat doe je?”
“Ik markeer de eerste stapsteen.”
“De eerste?”
“Ja. De eerste die ik straks moet tellen.”
“De tienduizend en achtendertigste?”
Hij keek op zijn papiertje en knikte.
“Ja, want de laatste was de tienduizend en zevenendertigste.”
“Ik begrijp het.”
“Het is eenvoudig.”
“En plezierig?”
“Ja. Het is mijn hobby.”
“Ben je hier alleen? Waar zijn je ouders?”
“Mijn vader is in de buurt van de Grote Markt.”
“Wat doet hij?”
“Hij koopt boeken en drinkt een pintje. Hij komt me over een half uur oppikken. U bent wel nieuwsgierig hé meneer?”
Ik knikte.
“Hoe heet je?” vroeg ik.
“Max.”
“Max is een goede naam. Lekker kort.”
“Ja. Duidelijk ook.”
“Ja, je hebt een duidelijke naam.”
Max bestudeerde zijn papiertje en keek in de richting van de stenen die hij nog moest tellen.
“Wat bekijk je?” vroeg ik.
“Ik schat het aantal stenen.”
“Hoe veel nog? En waar stop je?”
“Ik weet het niet. Ergens. Ik stop als ik daar zin in heb. Of als ik geen zin meer heb om te tellen.”
“Tel je alleen die van het voetpad?”
“Ja.”
“Hoe lang doe je dit al?”
“Een jaar.”
“Het is immers jouw hobby.”
“Ja, ik verzamel de stapstenen. Tenminste, ik verzamel de tellingen. Ik markeer de eerste steen voor een volgende telling, als ik straks voortdoe, of als ik eens terugkom.”
“In alle steden van het land?”
“Ja. Van de belangrijke straten.”
“Zoals hier?”
“Ja.”

De Dialogen, 8

DANSEN

“Kunnen mensen niet normaal meer dansen? Gisteren, op televisie, zag ik zo’n vreemd  gedoe en ik begreep er niks van, de dansers waren eerst wild en dan lagen ze voor dood op de grond en daarna kleefden tegen elkaar en even later duwden ze elkaar weer weg en nog wat later kleefden ze weer? Wat is er mis met de walsen en met de ballerina’s en zwanendansen van vroeger? En die moderne muziek! Die doet pijn aan mijn oren! Geef mij maar de klassieke violen en piano’s, waarom gebruiken ze die niet meer? De klanken die uit die oude instrumenten kwamen, daar was toch niks mis mee? En op dat moderne lawaai van vandaag wordt zogenaamd gedanst, maar volgens mij is dat meer een soort springen!”
“Ja maar, Jef…”
“Nee, Nikki, ik hou er niet van!”
“Toch, Jef!”
“Nee, Nikki, echt niet.”

zwanenmeer

(Bron afbeelding : http://www.eenlevenlangtheater.nl/rudi%20van%20dantzig/repertoire/choreografieen/3190.html )

KOPPIG

Ik ben tachtig.
ik ben koppig.
Ik zwijg.
Lena, Geneviève, Marja, Annie, Nikki; ze kwamen een voor een op bezoek en probeerden me een voor een te doen praten.
Het heeft geen zin. Gisteren niet, morgen ook niet.
Ik heb plezier en gesprekken genoeg op m’n eentje, en met de paarden.
Nikki probeerde met gebarentaal. Ik heb mijn duim in de lucht gestoken. Ze was gerustgesteld en vertrok.
De anderen hebben maar wat aan mijn hoofd zitten zeuren. Ik heb eens geglimlacht, en mijn pijp uitgeklopt.

MARJA

Mijn volgende slachtoffer, als ik haar zo mag noemen, was een vrouw op leeftijd. Korte, grijze haren, donkerbruine ogen en een aangenaam gezicht. Ze had het warm, dat was duidelijk.
‘Marja’ heette ze, zei ze. Ze was onlangs zestig geworden.
“Ik kom om de twee maanden naar Brussel,” zei Marja. “Ik loop rond. Ik doe de Grote Markt. Ik loop tot aan het Museum, mijn dochter werkt daar. We lunchen samen, of we drinken gewoon een kop koffie. Ik loop nog wat rond en ik zoek ondertussen naar uilen, want ik verzamel uilen.”
Terwijl ze dat vertelde opende ze haar boodschappentas – zo’n groot geruit exemplaar, stevig en waterdicht.
“Kijk.” Ze maakte aanstalten om de tas te openen maar ze bedacht zich.
“Misschien kunnen we even zitten?”
Ze was al op weg naar een van de banken in de buurt van de fontein. Ik volgde.
“Kijk,” zei ze nogmaals. Ze opende de tas.
“Mijn vondst van vandaag!”
Marja pakte een spaarpot in de vorm van een uil uit. Hij was klein, maar van stevig porselein.
“Ik heb meer dan vijftig uil-spaarpotten,” zei ze.
“En kijk!”
Ze haalde drie kantwerkjes uit een doos. De uilen waren piepklein en ieder apart ingekaderd.
“Twintig euro per stuk,” zei ze. “Ik heb al een hele collectie. Ze zijn mooi, niet?”
Ik knikte.
“Dat was het voor vandaag,” zei ze. “De rest kocht ik niet. Ik hoef geen glazen meer. En tafelkleden met uilen heb ik ook al. En kussens ook. Zij zijn te alledaags, en ik koop er geen bij. Alleen nog speciale dingen. En af en toe een juweel in uilvorm.”
Ik bleef naar de kantkloswerkjes kijken. Ze namen me mee naar mijn jeugd – mijn grootmoeder zat  dagelijks aan haar kantkloskussen  en ik veel uren en dagen naast haar. Ik kon toen onnoemlijk lang blijven  staren naar de bewegingen van haar handen en van de klosjes. Of naar het opspelden. Ik mocht vaak mee patronen kiezen en een keer of drie nam ze me mee naar tentoonstellingen.
“en zakdoeken,” hoorde ik Marja zeggen.
“Zakdoeken?” vroeg ik. “Sorry,” voegde ik er dadelijk aan toe, “ik heb dat laatste niet gehoord. Uw uilen deden me aan mijn grootmoeder denken.”
“Dat is normaal,” zei ze.
“Ja,” antwoordde ik. “Dat is normaal.”
Ik maakte een foto van de ingelijste uilen, bedankte Marja voor de herinnering en wenste haar nog veel mooie aankopen.
“Daar twijfel ik niet aan, ik vind overal uilen!” lachte ze. Ze stak alles terug in de doos en in de tas en stond op.
“Het Centraal Station is vlakbij,” zei ze.
“Ja, ginder,” antwoordde ik. Ik stond ook op.
“Dag ?“ zei ze vragend.
“Matthias. Matthias Toby.”
“Mijn naam is Marja maar dat wist je al. Dag Matthias,” zei ze.
“Dag Marja,” zei ik, maar ze was al op weg naar haar trein.

De Dialogen, 6

TOT DE ZOVEELSTE MACHT

floot tablet gilgamesh

[stilte]

op die ene vierkante millimeter vind je drieduizend aardes, eenendertigduizend wekkers, vijftienduizend vierkantswortels, tweeduizend eiken van ieder minstens honderd jaar oud, tweehonderd olifanten met lange slagtanden, evenveel giraffen (maar enkel de oudste), duizendvijfhonderd borden spinazie, tweeduizend uren zendtijd voor acht Belgische zenders, op voorwaarde dat ze netjes afspreken en politieke onderwerpen vermijden.

[stilte]
[pauken]
[stilte]

En dan zwijg ik nog over: tienduizend slanke handen, drie ton A4-papier, vijfhonderd schijnwerpers, twintig zuiverste waterbronnen, vijf containers koffiebonen in bulk, drie hangars die volgestapeld en dan weer leeggehaald en dan weer volgestapeld worden, een enkel tuincentrum (de winter zit er immers aan te komen en de grasmaaiers zijn volledig uitverkocht), vijf kilometer glasramen, drie lammetjes, vijf hotels met en zonder sterren, voldoende stapels zonlicht om de winter te doen keren, voldoende glas, voldoende spiegels, 1 portie Gilgamesh, een andere portie Borges, een volgende portie Poe, vier zonsondergangen van vandaag, vier zonsopgangen voor de komende dagen, twaalf zonnebloemen (ze mogen op die van dat schilderij lijken).

[pauken]
[stilte]

(Afbeelding : The Flood tablet. It is the eleventh tablet of the Gilgamesh tablet. ‘After the flood he sent out birds to look for dry land’.
Foto van Mike Peel, info via Wikimedia Commons. )